Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8277

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
2200195202
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2003-05-07
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2003-05-07
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2003-05-07
Wetboek van Strafrecht 362, geldigheid: 2003-05-07
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2003-05-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200195202

parketnummer 0975410199

datum uitspraak 7 mei 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 april 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 maart 2003 en 7 mei 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de tenlastelegging op onderdelen partieel nietig verklaard, is de verdachte van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Nietigheid van de dagvaarding

Met betrekking tot feit 2 primair zal het hof de dagvaarding partieel nietig verklaren voorzover het het gestelde achter de eerste drie gedachtestreepjes betreft, daar deze feitelijkheden op zichzelf niet als het aannemen van een valse hoedanigheid noch als listige kunstgrepen dan wel als een samenweefsel van verdichtsels kunnen worden aangemerkt, ook niet in onderling verband en samenhang bezien of met hetgeen daarop aansluitend onder het vierde gedachtestreepje is gesteld, zodat de tenlastelegging op deze punten niet redengevend is voor hetgeen verdachte wordt verweten, en derhalve op deze onderdelen onbegrijpelijk is.

Met betrekking tot feit 2 subsidiair en feit 3 heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard, daartoe stellende dat deze een onvoldoende duidelijke opgave van de tenlastegelegde feiten bevat en derhalve niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de dagvaarding gestelde eisen.

Het hof verwerpt dit verweer.

De verdachte heeft, gelet op de wijze waarop hij stelling heeft genomen tegen hetgeen hem door het openbaar ministerie wordt verweten, ervan blijk gegeven voldoende te hebben begrepen waartegen hij zich moest verdedigen. De tenlastelegging voldoet waar het de feiten 2 subsidiair en 3 betreft naar het oordeel van het hof aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair en 3 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

1.

dat hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 1998 tot en met 1 juli 1999, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens de hieronder vermelde nota's

1) Courtage-nota nota nr. : 9902504 dd 5 februari 1999 en

2) Courtage-nota nota nr. : 9903516 dd 24 maart 1999 en

3) Courtage-nota nota nr. : 9903515 dd 18 maart 1999 en

4) Courtage-nota nota nr. : 9812483 dd 7 december 1998 en

5) Courtage-nota nota nr. : 9904527 dd 26 april 1999 en

6) Courtage-nota nota nr. : 9906545 dd 11 juni 1999 en

7) Courtage-nota nota nr. : 9807429 dd 13 juli 1998 en

8) Courtage-nota nota nr. : 9808439 dd 11 augustus 1998 en

9) Courtage-nota nota nr. : 9809451 dd 17 september 1998 en

10) Courtage-nota nota nr. : 9810460 dd 9 oktober 1998 en

11) Courtage-nota nota nr. : 9811473 dd 3 november 1998 en

12) Courtage-nota nota nr. : 9811474 dd 6 november 1998 en

13) Courtage-nota nota nr. : 9810461 dd 16 oktober 1998 en

14) Courtage-nota nota nr. : 9810463 dd 22 oktober 1998 en

15) Courtage-nota nota nr. : 9811476 dd 17 november 1998

zijnde telkens een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;

dat valselijk opmaken bestond - zakelijk weergegeven - telkens hieruit, dat een van zijn mededaders opzettelijk in strijd met de waarheid telkens in die geschriften heeft vermeld, dat in die geschriften bij de provincie Zuid-Holland in rekening gebrachte bedragen betrekking hadden op courtagekosten met betrekking tot de in die declaratienota's telkens aangegeven door de provincie Zuid-Holland gesloten leenovereenkomsten en/of financiële constructie(s) tussen die provincie Zuid-Holland enerzijds en een of meer derden anderzijds;

3.

dat hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1998 tot en met 1 september 1999, in Nederland, telkens, als ambtenaar in dienst van de provincie Zuid-Holland en aldus als ambtenaar in de zin van artikel 362 Wetboek van Strafrecht, telkens, giften heeft aangenomen van [medeverdachte] ((mede)vennoot van de vennootschap onder firma [betrokkene] Intermediair),

welke giften bestonden uit geldsbedragen,

wetende dat die giften hem, verdachte, telkens werden gedaan teneinde hem, verdachte, te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht in zijn bediening te handelen, in zijn bediening iets te doen, namelijk om

telkens in zijn bediening als ambtenaar bij de provincie Zuid-Holland en als zodanig (mede) belast met het behartigen van de zogeheten "treasury-portefeuille" van die provincie,

tegen betaling door de provincie Zuid-Holland bij de vennootschap onder firma [betrokkene] Intermediair adviezen in te winnen met betrekking tot door hem, verdachte, (als ambtenaar van de provincie Zuid-Holland) en de provincie Zuid-Holland voorgenomen tot stand te brengen of te bevorderen leenovereenkomsten, en/of financiële constructie(s) tussen de provincie Zuid-Holland enerzijds en een of meer derden anderzijds, en/of met betrekking tot een of meer door hem, verdachte, en/of de provincie Zuid-Holland reeds tot stand gebrachte of bevorderde leenovereenkomst(en), en/of financiële constructie(s) tussen de provincie Zuid-Holland enerzijds en een of meer derden anderzijds,

en

een relatie tussen hem, verdachte, (in zijn hoedanigheid van ambtenaar van de provincie Zuid-Holland) en de provincie Zuid-Holland enerzijds en de vennootschap onder firma [betrokkene] Intermediair anderzijds te (onder)houden binnen welke relatie en als gevolg van welke relatie die vennootschap onder firma [betrokkene] Intermediair tegen betaling door de provincie Zuid-Holland adviezen zou gaan verstrekken met betrekking tot door hem, verdachte, (als ambtenaar van de provincie Zuid-Holland) en die provincie Zuid-Holland voorgenomen te sluiten en/of reeds aangegane leenovereenkomsten, en/of financiële constructies van die provincie Zuid-Holland enerzijds met een of meer derden anderzijds;

4.

dat hij in de periode van 1 januari 1999 tot en met 1 oktober 1999, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

a.

een geschrift - zakelijk zich aandienende als een onderhandse overeenkomst van geldlening tussen hem, verdachte, en (zijn mededader) [medeverdachte],

zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;

dat valselijk opmaken bestond hieruit, dat hij, verdachte, en/of zijn mededader opzettelijk in strijd met de waarheid in dat geschrift het volgende hebben vermeld:

- "Overeenkomst van geldlening

[Verdachte], te Gouda, ambtenaar, prive-persoon

en

[Medeverdachte], te Andijk, zonder beroep, prive-persoon

komen het volgende overeen:

[Verdachte] zal aan [Medeverdachte] geld te lenen tot een maximum van (met de hand geschreven) f 325.000,- af te lossen uiterlijk op 31 december 1999 tegen het percentage van de leeuwrekening + 1% van de postbank, jaarlijks te betalen voor het eerst uiterlijk op 3 juli 1994.

Het geld is bij ondertekening van deze overeenkomst ineens contant uitbetaald. [Medeverdachte] zal een schuldbekentenis afgeven voor het daadwerkelijk opgenomen bedrag.

[Medeverdachte] mag onbeperkt aflossen. Daartoe zal hij tenminste een week voor aflossing [Verdachte] berichten…

Aldus getekend te Amsterdam, 3 augustus 1993.

[Verdachte]

[Medeverdachte]".

en welk geschrift hij, verdachte, en die (mededader) [medeverdachte] ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van het geschrift hebben ondertekend met hun handtekeningen;

en

- op welk geschrift hij, verdachte, opzettelijk en in strijd met de waarheid had geschreven:

"juni 1999 Bedrag volledig terugbetaald. [verdachte]"

en

b.

een geschrift - te weten een door hem, verdachte, aan (zijn mededader) [medeverdachte] geschreven brief - zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;

dat valselijk opmaken bestond hieruit, dat hij, verdachte, opzettelijk in strijd met de waarheid in dat geschrift het volgende heeft vermeld:

"Aan [medeverdachte]

[adres]

[woonplaats]

Gouda, juni 1993

Beste [medeverdachte],

….. ben ik bereid jou voor een aantal jaren een geldbedrag te lenen …..

Als looptijd van de lening denk ik aan 5 jaar. Dus in augustus 1998 moet het geld zijn

terugbetaald. Maar voor mijn gevoel is maximaal het einde van deze eeuw (dus december 1999) de uiterste termijn. Terugbetaling moet contant gebeuren of storten op mijn postgiro.

Voor mijn administratie moet je naast de overeenkomst ook deze brief voor akkoord ondertekenen."

en welk geschrift hij, verdachte, en die (mededader) [medeverdachte], ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van het geschrift met hun handtekeningen hadden ondertekend;

5.

dat hij op 30 september 1999 in de gemeente Gouda, opzettelijk een vals geschrift, welk bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dat geschrift bestemd was voor gebruik (ervan) als ware het echt en onvervalst;

dat geschrift bestond uit:

a.

een geschrift - zakelijk zich aandienende als een onderhandse overeenkomst van geldlening tussen hem, verdachte, en (zijn mededader) [medeverdachte],

zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen;

dat valselijk opmaken van dat geschrift bestond hieruit, dat (opzettelijk) in strijd met de waarheid in dat geschrift het volgende stond (staat) vermeld:

- "Overeenkomst van geldlening

[Verdachte], te Gouda, ambtenaar, prive-persoon

en

[Medeverdachte] te Andijk, zonder beroep, prive-persoon

komen het volgende overeen:

[Verdachte] zal aan [Medeverdachte] geld te lenen tot een maximum van (met de hand geschreven) f 325.000,- af te lossen uiterlijk op 31 december 1999 tegen het percentage van de leeuwrekening + 1% van de postbank, jaarlijks te betalen voor het eerst uiterlijk op 3 juli 1994.

Het geld is bij ondertekening van deze overeenkomst ineens contant uitbetaald. [Medeverdachte] zal een schuldbekentenis afgeven voor het daadwerkelijk opgenomen bedrag.

[Medeverdachte] mag onbeperkt aflossen. Daartoe zal hij tenminste een week voor aflossing [Verdachte] berichten…

Aldus getekend te Amsterdam, 3 augustus 1993.

[Verdachte]

[Medeverdachte]".

en welk geschrift hij, verdachte, en die (mededader) [medeverdachte] ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift had(den) ondertekend met hun handtekeningen;

en op welk geschrift hij, verdachte, had geschreven:

"juni 1999 Bedrag volledig terugbetaald. [verdachte]"

en

b.

een geschrift - te weten een door hem, verdachte, aan (zijn mededader) [medeverdachte] geschreven brief - zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen;

dat valselijk opmaken bestond hieruit, dat (opzettelijk) in strijd met de waarheid in dat geschrift het volgende stond vermeld:

"Aan [medeverdachte]

[adres]

[woonplaats]

Gouda, juni 1993

Beste [medeverdachte],

….. ben ik bereid jou voor een aantal jaren een geldbedrag te lenen …..

Als looptijd van de lening denk ik aan 5 jaar. Dus in augustus 1998 moet het geld zijn

terugbetaald. Maar voor mijn gevoel is maximaal het einde van deze eeuw (dus december 1999) de uiterste termijn. Terugbetaling moet contant gebeuren of storten op mijn postgiro.

Voor mijn administratie moet je naast de overeenkomst ook deze brief voor akkoord ondertekenen."

en welk geschrift hij, verdachte, en die [medeverdachte], ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift hadden ondertekend met hun handtekeningen;

dat voorhanden hebben bestond hierin dat hij, verdachte, dat geschrift toen en daar had opgenomen in zijn, verdachte's, administratie.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman namens verdachte aangevoerd dat niet kan worden gesteld dat de door [naam] ingediende nota's niet de werkelijkheid weerspiegelen, nu "courtage" makelaarsloon is, [naam] een makelaar is en het betaalde loon derhalve als makelaarsloon kan worden aangemerkt, ook als het betrekking heeft op advieswerkzaamheden.

Het hof verwerpt dit verweer. Een makelaar is een bemiddelaar bij het totstandkomen van transacties, courtage is de beloning voor die bemiddeling. Als bij die bemiddeling nevenwerkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld advisering of administratie), kunnen deze onder courtage worden begrepen. Als een makelaar echter werkzaamheden verricht waarbij geen bemiddeling - zoals in dit geval - plaatsvindt (bijvoorbeeld taxatie of advisering), kan zijn beloning naar algemeen spraakgebruik niet als courtage worden aangeduid en is een zodanige aanduiding misleidend. In het onderhavige geval klemt dat des te meer, nu gelet op de inhoud van de nota niets erop wijst dat de verrichte werkzaamheden in het geheel geen betrekking hebben op bemiddelingswerkzaamheden door [naam]. Die transacties zijn in werkelijkheid door bemiddeling van anderen tot stand gekomen. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de term "courtage" in de betreffende nota's valselijk is opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. en 4. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

3 subsidiair: Als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd.

5. Opzettelijk een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is om te gebruiken als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van de feiten 4 en 5 geen sprake van een voortgezette handeling, nu deze feiten niet voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de zogenoemde overeenkomst van geldlening en een door hem aan [naam] geschreven brief wilde weggooien, maar dit niet gedaan heeft waardoor hij deze stukken op 30 september 1999 voorhanden heeft gehad.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Ter Hart heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft zij gevorderd dat de verdachte zal worden ontzet van het recht tot het bekleden van een ambt (het zijn van ambtenaar) voor de duur van vier jaren.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als ambtenaar van de provincie Zuid-Holland schuldig gemaakt aan het aannemen van steekpenningen. Hij heeft daarbij in korte tijd op slinkse wijze een groot bedrag getoucheerd. Ter verhulling hiervan heeft de verdachte een overeenkomst van geldlening en een bijbehorende brief samen met een ander vals opgemaakt. Verdachte heeft deze bescheiden voorhanden gehad in zijn administratie. De verdachte heeft voorts samen met anderen stelselmatig nota's valselijk opgemaakt, door melding te maken van bemiddelingskosten(courtage), terwijl enkel sprake is geweest van het geven van advies. Verdachte heeft door aldus te handelen zowel zich als ambtenaar onbehoorlijk gedragen als het vertrouwen beschaamd dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van dergelijke nota's en andere bescheiden met bewijsbestemming moet kunnen worden gesteld.

Bovengenoemde feiten zijn zodanig ernstig, dat zij op zichzelf (naast een taakstraf) de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden rechtvaardigen.

Het hof houdt er evenwel rekening mee dat het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland:

- een besluit heeft genomen tot het aangaan van riskante geldmarkttransacties en daarbij heeft bepaald dat het besluit geheim moest worden gehouden, als gevolg waarvan de verdachte in een positie is terechtgekomen waarin hij zijn taak als ambtenaar geïsoleerd heeft moeten uitvoeren;

- de verdachte met de uitvoering van het (onrechtmatig) "bankiers"besluit heeft belast, hoewel hij de daartoe noodzakelijk kennis ontbeerde, op geen enkele wijze in ondersteuning en opleiding van de verdachte heeft voorzien en heeft verzuimd om adequaat toezicht te houden op de werkzaamheden van de verdachte;

- met medeweten van de accountant een systeem heeft opgezet van "creatief boekhouden" teneinde zonder bemoeienis van Provinciale Staten te kunnen beschikken over de opbrengsten van de geld- en kapitaalmarkttransacties, met als gevolg dat ook achteraf geen goed zicht bestond op de kosten verbonden aan de geld- en kapitaalmarkttransacties.

Het hof acht aannemelijk dat de verdachte over alle jaren gezien per saldo ettelijke miljoenen guldens voor de provincie heeft "verdiend".

Voorts houdt het hof ermee rekening dat de verdachte oneervol is ontslagen en aannemelijk is dat hij meer dan enige andere voor (de uitvoering van) het "bankiers"besluit verantwoordelijke (ex-)functionaris van de provincie Zuid-Holland nog zeer lange tijd met de gevolgen - waaronder zeker ook ingrijpende financiële gevolgen - van een en ander zal worden geconfronteerd.

Tussen het moment van de huiszoeking bij de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding aan de verdachte om ter terechtzitting van de rechtbank te 's-Gravenhage te verschijnen is geruime tijd verstreken. Hoewel daarmee - gelet op de concrete omstandigheden van het geval - geen sprake is van overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, moet wel vastgesteld worden dat de verdachte daardoor lang in onzekerheid heeft verkeerd met onder meer als gevolg dat hij (nog) niet een nieuwe start in het arbeidsproces heeft kunnen maken. Ook met dit aspect houdt het hof rekening bij de strafoplegging.

Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de navolgende combinatie van straffen een passende reactie vormt op de aan de verdachte verweten en bewezenverklaarde gedragingen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a(oud), 14b, 14c 22c, 22d, 47, 57, 225 en 362(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

13. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding partieel nietig, voorzover het betreft het gestelde achter de eerste drie gedachtestreepjes in het onder 2 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES MAANDEN.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een WERKSTRAF voor de duur van TWEEHONDERDVEERTIG UREN, te vervangen door hechtenis voor de tijd van HONDERDTWINTIG DAGEN voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van TWEE UREN taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voorzover die tijd niet reeds op een straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Borgesius, Reinking en Van den Berg, in bijzijn van de griffier Van der Mark.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 mei 2003.