Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8241

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2003
Datum publicatie
06-05-2003
Zaaknummer
BK-02/03121
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

twaalfde enkelvoudige belastingkamer

27 maart 2003

nummer BK-02/03121

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 13 maart 2003, gehouden te Dordrecht. Aldaar is verschenen drs. A namens de Inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Belang-hebbende is door de griffier bij aangetekende brief met ont-vangstbevestiging, verzonden op 16 januari 2003 aan belangheb-bende op het adres a-straat 1 te Z, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blij-kens een door de griffier van TPG Post ontvangen retourkaart is de vorenbedoelde brief op 20 januari 2003 aan belanghebbende uitgereikt.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende, geboren 12 september 1936, heeft in het onderhavige jaar ƒ 46.280 aan loon uit dienstbetrekking genoten. De kleinzoon van belanghebbende, B (hierna: de kleinzoon), geboren 24 september 1979, woonde in 1999 bij belanghebbende. De kleinzoon woonde vanaf 1 oktober 1996 bij belanghebbende. De ouders van de kleinzoon hebben tot mei 1998 met een bedrag van ƒ 300 per maand bijgedragen in het levensonderhoud van de kleinzoon. De kleinzoon heeft in 1999 ƒ 8.417 aan loon uit dienstbetrekking genoten (loonheffing ƒ 992). De kleinzoon heeft in 1999 verschillende werkgevers gehad.

2. Belanghebbende heeft in 1999 diverse cursussen bij C Op-leidingen B.V., een opleidingsinstituut voor kosmologie, esote-rie en additieve geneeswijzen, gevolgd. Dit betrof de volgende cursussen:

- kosmisch college (veertiendaagse cursus);

- module CT-4 van de opleiding tot Chakra-therapeut (vijf-daagse cursus);

- diverse ééndaagse workshops;

- de Ankh & Piramides (driedaagse cursus);

- spirituele psychologie (vierdaagse cursus);

- kosmische prognoseleer (driedaagse cursus).

3. Belanghebbbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 75.348. Daarbij heeft zij rekening gehouden met een aftrek buitengewone lasten ten bedrage van ƒ 9.659. Hiervan heeft een bedrag van ƒ 5.328 betrekking op bijdragen in het levensonderhoud van de kleinzoon en heeft een bedrag van ƒ 4.331 betrekking op studiekosten. Voorts heeft belanghebbende verzocht om toepassing van tariefgroep 4.

4. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur onder meer de buitengewone lastenaftrek geheel gecorrigeerd. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen op ƒ 85.204 vastgesteld. Voorts heeft hij belanghebbende in tariefgroep 2 ingedeeld.

5. In geschil is of de buitengewone lastenaftrek terecht is gecorrigeerd en of belanghebbende terecht in tariefgroep 2 is ingedeeld.

6. Belanghebbende heeft voor haar standpunt - zakelijk weer-gegeven - het volgende aangevoerd. De kleinzoon is als pleegkind aan te merken. Aldus heeft zij volgens haar mening recht op aftrek van buitengewone lasten ter zake van het levensonderhoud van de kleinzoon en is tariefgroep 4 van toepassing. In 1999 is in totaal ƒ 11.533 aan kosten voor het levensonderhoud van de kleinzoon betaald. Hiervan is ƒ 5.850 - middels geldopname van de girorekening van de kleinzoon - op de kleinzoon verhaald. Daarnaast is nog een bedrag van ƒ 1.743 aan premies ziektekostenverzekering voor de kleinzoon betaald. Van de telefoonrekening is ƒ 1.200 aan de kleinzoon toe te rekenen. De kleinzoon moest bovendien kost en inwoning betalen. Op grond van de gegevens van het Nibud bedraagt dit ƒ 15 per dag. In 1999 is derhalve van een bedrag van ƒ 19.950 in totaal ƒ 14.100 voor mijn rekening gekomen. De uitgaven voor de kosten van het levensonderhoud hebben grotendeels op mij gedrukt. In 1997 ben ik met een studie begonnen, die in 1999 is voorgezet. De studie heeft tot doel om voldoende kennis te verwerven om zelfstandig een praktijk te beginnen. In verband met de problemen met de kleinzoon was het in 1999 niet mogelijk om thuis een praktijk te beginnen, zodat toen nog geen inkomsten zijn genoten. In 1999 bestond echter wel het voornemen om binnen afzienbare tijd een praktijk te beginnen. Derhalve zijn de studiekosten aftrekbaar.

7. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

8. Onder pleegkinderen als bedoeld in artikel 46 en artikel 55 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) moeten worden verstaan zij, die hetzij door de belastingplichtige worden onderhouden en opgevoed als een eigen kind hetzij door de belastingplichtige in het verleden als eigen kind zijn onderhouden en opgevoed. Gelet op de leeftijd van de kleinzoon van 17 jaar op het moment dat hij bij belanghebbende introk, de door de kleinzoon reeds eerdere genoten opvoeding door de natuurlijke ouders alsmede de maandelijkse bijdrage van ƒ 300 van de natuurlijke ouders in het levensonderhoud van de kleinzoon tot na zijn meerderjarigheid, is naar 's Hofs oordeel in het onderhavige geval niet voldaan aan de voorwaarde dat de kleinzoon door belanghebbende als eigen kind is opgevoed. De omstandigheid dat de kleinzoon ook na zijn meerderjarigheid bij belanghebbende is blijven wonen doet hieraan niet af. De kleinzoon van belanghebbende kan derhalve niet als haar pleegkind worden aangemerkt. Nu de kleinzoon van belanghebbende niet als pleegkind kan worden aangemerkt, is belanghebbende terecht in tariefgroep 2 ingedeeld.

9. Uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, die geen recht hebben op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, komen slechts in mindering op het inkomen voor zover zij op de belastingplichtige drukken. Hiervan is geen sprake indien de ondersteunde zelf in staat moet worden geacht te voorzien in het levensonderhoud overeenkomstig zijn plaats in de samenleving. Deze plaats is in dit geval een persoon van 19 à 20 jaar die, behoudens een of meer korte perio-den, in dienstbetrekking werkzaam is bij verschillende werkgevers. Voorts woonde hij het gehele jaar bij zijn grootmoeder en heeft hij ƒ 8.417 aan looninkomsten genoten. Naar 's Hofs oordeel heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de door haar aan haar kleinzoon, die in het onderhavige jaar over eigen inkomsten beschikte, verleende ondersteuning noodzakelijk was om hem in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig zijn plaats in de samenleving. Bovendien heeft belanghebbende een deel van de uitgaven, te weten ƒ 5.850, op de kleinzoon verhaald. Daarnaast komt de door belanghebbende verstrekte kost en inwoning niet voor aftrek in aanmerking, aangezien het ondersteuning in natura betreft. De uitgaven voor het levensonderhoud van de kleinzoon zijn derhalve niet aftrekbaar.

10. Uitgaven ter zake van opleiding of studie voor een beroep kunnen als buitengewone lasten op het inkomen in mindering worden gebracht indien de belastingplichtige in redelijkheid kan verwachten dat hij na voltooiing van opleiding of studie de verworven kennis productief kan maken en aldus zijn maatschap-pelijke positie in financieel-economisch opzicht kan verbeteren. Met hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft aangevoerd, acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende de verworven kennis productief zal kunnen maken en daardoor haar maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht zal kunnen verbeteren. De uitgaven voor studie zijn derhalve niet aftrekbaar.

Deze uitspraak is vastgesteld op 27 maart 2003 door mr. Biemond en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Salomons.

(Salomons) (Biemond)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onder-werpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.