Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7837

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
2200044903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 1005130301

datum uitspraak 22 april 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 20 december 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

8 april 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie is gevoegd in dit arrest.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

dat hij op 24 oktober 2001 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade een vrouw genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, met een mes, in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, en (daarbij) het heft van dat mes, op het moment dat het lemmet in het lichaam van die [slachtoffer] zat, heeft (om) gedraaid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair: poging tot moord.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van psychische overmacht.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte door wanhoop tot zijn daad is gekomen. Naar stellen van de verdediging is de verdachte in die wanhopige stemming geraakt als gevolg van de omstandigheid dat het latere slachtoffer desgevraagd heeft geweigerd om een keuze te maken over het al dan niet voortzetten van de beweerdelijke relatie tussen hen beiden.

Het hof verwerpt het beroep op psychische overmacht.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte onder zodanige psychische druk stond dat in gemoede kan worden gezegd dat zijn wilsvrijheid was aangetast noch dat redelijkerwijs niet van de verdachte kon worden gevergd dat hij weerstand bood aan de door zijn onvrede met de gerezen situatie ontstane druk van de omstandigheden.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

9. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Geradts heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als vermeld in de vordering en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord, waarbij hij een hem bekende vrouw - met wie hij stelt een relatie te hebben gehad - met een mes, dat hij de dag ervoor had gekocht, herhaaldelijk in het lichaam heeft gestoken en haar ernstig heeft verwond, terwijl hij het heft van het mes in haar lichaam ook nog heeft gedraaid, waarbij het slechts aan het toeval te danken is geweest, dat hij het slachtoffer niet dodelijk heeft verwond.

De verdachte heeft met de messteken het lichaam van het slachtoffer verminkt en het slachtoffer ook psychische schade toegebracht. Door de tengevolge van de verwonding en de daardoor noodzakelijke operatieve ingreep ontstane littekens zal het slachtoffer langdurig en mogelijk blijvend aan dit gewelddadige incident herinnerd blijven worden. Verdachte heeft daarmee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Dit klemt des te meer nu -zoals in het onderhavige geval- het feit is gepleegd in de woning van het slachtoffer, een plaats waarin zij zich veilig mocht en kon wanen.

Te verwachten valt dat zij nog geruime tijd zal lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen de verdachte haar heeft aangedaan.

Dergelijke geweldsdelicten dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het hof heeft acht geslagen op het psychologisch rapport betreffende verdachte d.d. 5 maart 2002, opgesteld door [naam], gz-psycholoog, inhoudende -zakelijk weergegeven- dat er bij verdachte sprake lijkt van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, maar dat er echter geen duidelijk beeld kan worden verkregen van zijn precieze functioneren. Gezien de vragen die er blijven omtrent het precieze persoonlijkheidsbeeld van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde feit, kan op basis van dit ambulante onderzoek onvoldoende duidelijk-heid worden verkregen omtrent zijn toerekeningsvat-baarheid en de kans op recidive. Gezien de bezorgdheid die er is aangaande zijn functioneren en de ernst van het delict wordt op basis van dit onderzoek geadviseerd om betrokkene klinisch te laten observeren in het

Pieter Baan Centrum.

Het hof heeft voorts kennis genomen van het rapport d.d. 11 maart 2002 opgemaakt door [naam], reclasserings-werker van de Stichting Reclassering Nederland.

Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-, dat het advies van de psycholoog Geerligs wordt ondersteund om verdachte op te laten nemen in het Pieter Baan Centrum.

Het hof heeft tevens acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 11 november 2002 inhoudende

-zakelijk weergegeven-, dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd en dat er geen reden is om te veronderstellen dat die weigering van verdachte voortkwam uit psychotische motieven en dat er geen aanwijzingen zijn dat bij verdachte sprake is van depressieve hypomane/manische dan wel psychotische fenomenen.

Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat het tenlastegelegde feit verdachte volledig kan worden toegerekend.

Bij het opleggen van de straf heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

Het hof is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

10. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende te Rotterdam, [adres], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte primair tenlastegelegde tot een bedrag van € 5.515,19.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot het -in eerste aanleg toegewezen- bedrag van € 5.515,19.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten

het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Bovendien ziet het hof aanleiding tot het opleggen van een verplichting tot betaling van een bedrag van

€ 5.515.19 aan de Staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het

bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van VIJFDUIZENDVIJFHONDERDVIJFTIEN EURO EN NEGENTIEN EUROCENT (€ 5.515.19) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.515,19 ten behoeve van [naam] als benadeelde partij, welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van HONDERDTIEN DAGEN.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Os, Filippini en Van Kempen, in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2003.