Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7740

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2003
Datum publicatie
24-04-2003
Zaaknummer
2200285202
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 158
Wetboek van Strafrecht 158
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 55
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 0975408401

datum uitspraak 22 april 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te s-Gravenhage van 11 juni 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het'onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 11 februari 2003 en 8 april 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het

onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

3 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

dat

1.

hij in de periode van 1 mei 2001 tot en met 26 juni 2001 te Delft in een perceel aan de [naam]straat tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel voorkomend op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 26 juni 2001 te Delft in een auto Jeep Cherokee tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 26 juni 2001 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander grovelijk onvoorzichtig in een loods aan de [naam]straat MDMA heeft vervaardigd, ten gevolge waarvan het aan zijn en zijn mededader schuld te wijten is geweest, dat er in die loods een ontploffing heeft plaatsgevonden en dat er in die loods brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor die loods en omliggende woningen/gebouwen ontstond en waardoor [mededader] gedeeltelijk is verbrand en levensgevaar voor andere personen in die loods en omwonenden van die loods ontstond;

4.

hij te Amsterdam, op 28 juni 2001, munitie van categorie III, te weten 50 9mm patronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 en feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder D, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 3:

Medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn van brand of ontploffing, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat; en

Medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn van brand of ontploffing, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat, meermalen gepleegd.

Feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Strack heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 3 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en terzake van het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft ten behoeve van één van zijn mededaders - van wie hij, uit angst voor de veiligheid van hem en zijn gezin, de identiteit nimmer bekend heeft willen maken - in een loods een laboratorium voor de productie van MDMA opgericht, tezamen met zijn - daartoe door hem aangezochte - mededader [naam]. Nadat de daarvoor benodigde apparatuur was geïnstalleerd en de daarvoor benodigde grondstoffen - waaronder honderden liters brandgevaarlijke vloeistoffen - waren aangevoerd, hebben de verdachte en zijn mededader [naam] in korte tijd een hoeveelheid van ongeveer 6 kilo MDMA vervaardigd, welke MDMA bestemd was voor de productie van XTC-pillen. Bij de inrichting van het laboratorium en de vervaardiging van de MDMA is gebruik gemaakt van de in de daaraan voorafgaande maanden speciaal daarvoor door de verdachte via internet en literatuur verworven kennis.

De loods was midden in een dichtbevolkte woonwijk van Delft gelegen en werd voor het overige als garage benut, in welke garage - alwaar eerder bedoelde brandgevaarlijke vloeistoffen stonden opgeslagen - onder meer laswerkzaamheden aan auto's plaatsvonden. De verdachte en zijn mededaders hebben aldus een uitermate gevaarzettende situatie in het leven geroepen en de omwonenden in de omgeving aan een onverantwoord groot risico blootgesteld.

Dat risico heeft zich op 26 juni 2001 verwezenlijkt door grovelijk onvoorzichtig handelen van de verdachte, die - op het moment dat hij en zijn mededader [naam] een nieuwe hoeveelheid MDMA aan het vervaardigen waren - een stekker uit een stopcontact heeft getrokken, met het gevolg dat door de daardoor ontstane vonken in combinatie met de bij het productieproces vrijkomende gassen een ontploffing is ontstaan, welke ontploffing een brand heeft veroorzaakt, welke brand op zijn beurt wederom tot de ontploffing van een zoutzuurcilinder heeft geleid.

De verdachte en zijn mededader [naam] hebben bij de eerste ontploffing en daaropvolgende brand ernstige brandwonden opgelopen. Dat de gevolgen van het handelen van de verdachte voor het overige beperkt zijn gebleven tot - aanzienlijke - materiële schade is slechts aan adequaat optreden van de brandweer te danken geweest,

die heeft voorkomen dat de in de loods aanwezige vaten met aceton en ether eveneens tot ontploffing zijn gekomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte bij de inrichting van het laboratorium en de vervaardiging van de MDMA slechts één doel voor ogen heeft gestaan: het verwerven van een inkomstenbron. Naast de reeds vervaardigde hoeveelheid van ongeveer 6 kilo MDMA bleken er in de loods grondstoffen voorradig te zijn om nog een veelvoud van die hoeveelheid te kunnen produceren. Uit alles blijkt dat de verdachte geen oog heeft gehad voor het gevaar waaraan hij de omwonenden van de loods heeft blootgesteld, noch voor het gevaar voor de gezondheid van de potentiële gebruikers van de pillen, welke met die - zonder enige farmaceutische controle vervaardigde - MDMA geproduceerd zouden worden. De verdachte heeft zich daarenboven deelgenoot gemaakt van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het feit dat Nederland te boek staat als de grootste producent van XTC, hetgeen met regelmaat tot spanningen in internationale betrekkingen en vooral met de ons omringende landen leidt.

In navolging van de rechtbank zal het hof bij de bepaling van de straf rekening houden met de omstandigheid dat de verdachte door het door hem bij de ontploffing en brand opgelopen letsel de gevolgen van zijn handelen zal blijven dragen. Naar het oordeel van het hof doet de door de rechtbank opgelegde straf evenwel geen recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan.

Het gegeven dat de verdachte zijn eigen financiële belangen voorop heeft gesteld, daarbij - zoals hierboven nader uiteengezet - de belangen van en gevaren voor anderen in alle opzichten negerend, en de hoeveelheid vervaardigde MDMA vereisen - mede uit een oogpunt van rechtsgelijkheid - een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijk langere duur, welke straf in deze ook een algemeen preventieve werking dient te hebben. Daar komt nog bij dat het blijkens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet de eerste keer is dat de verdachte zich met verdovende middelen heeft ingelaten: de omstandigheid dat hij gedurende bijna drie jaren in Frans Guyana gedetineerd heeft gezeten wegens zijn betrokkenheid bij een poging tot uitvoer van cocaïne heeft hem er klaarblijkelijk niet van kunnen weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Ook uit een oogpunt van speciale preventie is mitsdien een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur alleszins gelegitimeerd.

Alles tegen elkaar afwegende is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 55, 57 en 158 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 (oud) en

55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.P. von Brucken Fock, L.A.J.M. van Dijk en P.J. van der Flier,

in bijzijn van de griffier mr. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2003.

Mr. P.J. van der Flier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.