Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7586

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2003
Datum publicatie
22-04-2003
Zaaknummer
BK-02/01029
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0826
NLF 2016/0218 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

18 maart 2003

nummer BK-02/01029

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen boetebeschikking.

1. Aanslag, beschikking en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 40.000.

1.2. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van de artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van ƒ 750.

1.3. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift tegen de aanslag en de beschikking ingediend. Bij de uitspraak op bezwaar gedagtekend 24 november 2001 is het belastbaar bedrag verminderd tot ƒ 7.549.

1.4. Belanghebbende heeft vervolgens een geschrift ingediend bij de Inspecteur, door deze ontvangen op 6 december 2001. Op dit tweede geschrift heeft de Inspecteur wederom uitspraak gedaan. Deze uitspraak is gedagtekend 18 januari 2002. Hierbij is de boete gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak van 18 januari 2002 in beroep geko-men bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van € 218. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 18 februari 2003 gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. De zaak met nummer BK-02/01030 is met instemming van partijen gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld. Al hetgeen door hen is aangevoerd of overgelegd in de ene zaak wordt geacht tevens te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaak.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft geen aangifte over het onderhavige jaar ingediend en de in 1.1 vermelde aanslag is door de Inspecteur ambtshalve opgelegd.

3.2. Het betreft hier een tweede aangifteverzuim.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de meergenoemde boete moet worden vernietigd op de grond dat niet is voldaan aan artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR), welke vraag belanghebbende bevestigend beantwoordt en de Inspecteur ontkennend.

Belanghebbende wijst ter ondersteuning van haar standpunt onder meer naar het commentaar onder de uitspraak van het Hof Arnhem van 6 december 2002, nr. 01/02642, MK 1, NTFR 2003/121 en naar de door de Tweede-Kamerleden Van Oven, Dittrich, Van As en Halsema ingediende motie bij de behandeling van de begroting van Justitie, V-N 2002/60.8

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de boetebeschikking.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van belanghebbende in haar beroep overweegt het Hof ambtshalve dat de Inspecteur het door hem op 6 december 2001 ontvangen geschrift had dienen aan te merken als een beroepschrift en dit zo spoedig mogelijk had dienen door te zenden aan het Hof. Bij tijdige doorzending zou dit dan binnen de beroepstermijn ter griffie van het Hof zijn ingekomen. Het Hof acht belanghebbende derhalve ontvankelijk in het beroep.

6.2.1. Belanghebbende betoogt dat de onderhavige verhoging niet in stand kan blijven, omdat de Nederlandse fiscale procesgang - met slechts één feitelijke instantie en een cassatieprocedure - zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR, waarin is opgenomen - in de Engelse tekst - dat "Everyone convicted of a crime shall have the right to his conviction and sentence being reviewed bij a higher tribunal according to law".

6.2.2. Dit betoog kan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 januari 2001, nr. 35 755, BNB 2001/74, niet als juist worden aanvaard.

6.3 Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep ongegrond worden verklaard.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 18 maart 2003 door mr. Savelbergh. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. Van Duijvendijk.

(Van Duijvendijk) (Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.