Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7092

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
BK-02/02465
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0732
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

twaalfde enkelvoudige belastingkamer

21 maart 2003

nummer BK-02/02465

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren P van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 maart 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld door haar zoon A, alsmede namens de Inspecteur B, tot bijstand vergezeld door C.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende, ongehuwd, was gedurende het gehele jaar 2000 woonachtig op het adres a-straat 1 te Z. Op dit adres waren in dat jaar geen andere personen ingeschreven.

2. Belanghebbende heeft met de heer D, sinds 1995 woonachtig op het adres b-straat 1 te Z, 2 zoons: E, geboren in 1974 en A, geboren in 1976.

3. E heeft, totdat hij in 1992 is veroordeeld wegens een poging tot moord, tot november 1992 bij zijn moeder gewoond en op haar adres ingeschreven gestaan in de basisadministratie persoonsgegevens. Vanaf zijn veroordeling heeft hij ongeveer twee jaren doorgebracht in de gevangenis en daarna is hij opgenomen in de a-kliniek, c-straat 1 te Q. Van 1 januari 2000 tot 12 oktober 2000 stond E in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres van de a-kliniek. Vanaf 12 oktober 2000 stond E in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het onder 2 genoemde adres van zijn vader.

E genoot in het onderhavige jaar een Wajonguitkering van ƒ 17.689, waarover een bedrag van ƒ 3.095 aan loonbelasting is ingehouden.

4. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij in het onderhavige jaar geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met A. Laatstgenoemde heeft dit ter zitting bevestigd.

5. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 18.106 en heeft verzocht om toepassing van tariefgroep 4 (alleenstaande-ouderaftrek).

Bij de aanslagregeling is het belastbare inkomen, na een correctie van de looninkomsten, vastgesteld op ƒ 24.228 en is belanghebbende ingedeeld in tariefgroep 2.

6. Belanghebbende heeft uitsluitend bezwaar aangetekend tegen de tariefgroepindeling. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

7. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht is ingedeeld in tariefgroep 2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

8. Ingevolge artikel 55, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) geniet, voor zover thans van belang, de in Nederland wonende belastingplichtige de alleenstaande-ouderaftrek indien hij, ongehuwd zijnde, in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een huishouding heeft gevoerd met een kind dat in belangrijke mate door hem is onderhouden, en hij deze huishouding gedurende die tijd heeft gevoerd met geen ander dan kinderen die bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.

9. Gelet op het vorenoverwogene geldt de alleenstaande-ouderaftrek alleen voor alleenstaande ouders die hun kind feitelijk verzorgen. De alleenstaande ouder tot wiens huishouden geen kinderen behoren maar die elders verblijvende kinderen heeft die hij in belangrijke mate onderhoudt, komt niet voor de aftrek in aanmerking (MvT, Kamerstukken II 1987/88, 20 595, nr. 3, blz. 47-48).

10. Gelet op al het vorenoverwogene, is naar 's Hofs oordeel niet voldaan aan de eis dat belanghebbende in het onderhavige jaar een huishouding heeft gevoerd met haar zoon E. De stelling van belanghebbende dat E gedurende de laatste fase van het resocialisatietraject met enige regelmaat bij haar verbleef, heeft zij onvoldoende aannemelijk en qua tijdsduur onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Dat belanghebbende haar zoon gedurende zijn verblijf in de a-kliniek regelmatig heeft bezocht doet niet aan het vorenoverwogene af. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, evenmin aannemelijk gemaakt dat zij haar zoon E in het onderhavige jaar in belangrijke mate, dat wil zeggen voor minstens ƒ 56 per week, heeft onderhouden. Belanghebbende is derhalve terecht ingedeeld in tariefgroep 2.

11. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 21 maart 2003 door mr. Biemond en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Nederveen.

(Nederveen) (Biemond)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.