Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7089

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
BK-02/01031
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

twaalfde enkelvoudige belastingkamer

21 maart 2003

nummer BK-02/01031

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een beschikking als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet voor het jaar 2002.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 maart 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen namens belanghebbende haar echtgenoot A, alsmede namens de Inspecteur mevrouw mr. B.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- verklaart belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaar;

- handhaaft de beschikking, en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Aan belanghebbende is met dagtekening 15 november 2001 een verklaring verstrekt als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet) waarin is vermeld dat belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voor het jaar 2002 geldende voorwaarden voor verzekering krachtens de Wet. De Inspecteur heeft, na door belanghebbende tegen deze verklaring gemaakt bezwaar, bij uitspraak van 21 januari 2002 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar.

2. Belanghebbende is zelfstandige en is in 1996 haar onderneming gestart. Haar belastbare inkomen bedroeg in:

1996 ƒ 25.173

1997 ƒ 7.447

1998 ƒ 9.591

1999 ƒ 72.214

2000 ƒ 70.684.

3. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het jaar 2002 terecht is aangemerkt als verzekerde in de zin van artikel 3d van de Wet, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

Niet langer is in geschil dat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in het bezwaar.

4. De verklaring van de Inspecteur is een gebonden beschikking. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 461, waarbij de zelfstandigen in het ziekenfonds zijn opgenomen (memorie van toelichting, TK 1998/99, 26 553, nr. 3, blz. 3 en nota n.a.v. verslag, nr. 5, blz. 2 en 6), is de ziekenfondsverzekering, ook voor zelfstandigen, een verzekering van rechtswege.

Gelet op het vorenstaande is van enige beleidsvrijheid van de inspecteur met betrekking tot het afgeven van een verklaring geen sprake. Bezwaar en beroep tegen een dergelijke verklaring kunnen derhalve uitsluitend betrekking hebben op de vraag of degene aan wie een verklaring is afgegeven inderdaad aan de beide in artikel 3d, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarden voldoet. Deze voorwaarden zijn: verzekerd zijn ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en een inkomen dat niet meer bedraagt dan € 19.650 (ƒ 43.302).

5. Ingevolge artikel 3d, vierde lid juncto negende lid (tekst 2002) van de Wet wordt voor de toepassing van het eerste en het derde lid van dat artikel onder inkomen verstaan: het inkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Verder wordt ingevolge genoemd vierde lid bij ministeriële regeling bepaald over welk tijdvak het inkomen in aanmerking wordt genomen en kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid. De omstandigheid dat genoemd tijdvak is gelegen vóór het jaar waarop de verklaring betrekking heeft, vindt zijn grondslag in de omstandigheid dat de belastingdienst het belastbare inkomen van een zelfstandige pas kan vaststellen na aangifte daartoe van de belastingplichtige na afloop van het belastingjaar, welke omstandigheid in de parlementaire geschiedenis (MvT, blz. 5) uitvoerig aan de orde is geweest. Verder beslaat genoemd tijdvak meer jaren om teveel fluctuaties te voorkomen (nota n.a.v. het verslag, blz. 7 e.v.). Evenvermelde omstandigheden zijn derhalve door de wetgever onder ogen gezien.

Belanghebbende stelt dat de wetgever er ook voor had kunnen kiezen het belastbare inkomen van het jaar 2000, dat in haar geval reeds bekend was bij het nemen van de onderhavige beschikking, mee te laten wegen en als basisreferteperiode de jaren 1998 tot en met 2000 had kunnen kiezen. In dat geval zou belanghebbende niet verplicht verzekerd zijn geweest in het jaar 2002. De keuze van de wetgever is echter anders uitgevallen. Niet kan worden gezegd dat de wetgever niet in alle redelijkheid heeft kunnen komen tot vorenvermelde afweging en bij het maken daarvan in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel of enig ander rechtsbeginsel (zie in deze zin ook HR 21 februari 2003, nr. 36 558, die aan deze uitspraak is gehecht).

6. Vaststaat dat belanghebbende voor het jaar 2002 als zelfstandige is aan te merken. Voor een zelfstandige die gedurende de basisreferteperiode (1997 tot en met 1999) en daarna zelfstandige is gebleven voor de verzekering is in het jaar 2002 het gemiddelde inkomen over de jaren 1997 tot en met 1999 bepalend. Vaststaat dat in het geval van belanghebbende dit gemiddelde niet hoger is dan € 19.650 (ƒ 43.302). In afwijking hiervan wordt op aanvraag van de zelfstandige voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid, van de Wet het gemiddelde van zijn inkomens over twee jaren in de basisreferteperiode in aanmerking genomen. Ook in dat geval is bij belanghebbende het gemiddelde niet hoger dan € 19.650 (ƒ 43.302). Op grond van het vorenstaande voldoet belanghebbende derhalve aan de voorwaarden van 3d, eerste lid, van de Wet. Het staat de Inspecteur niet vrij op grond van een belangenafweging het afgeven van een verklaring achterwege te laten.

7. Op grond van al het vorenoverwogene komt het Hof tot de conclusie dat het beroep in zoverre gegrond is dat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in het bezwaar en het beroep voor het overige ongegrond is.

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van dergelijke kosten niet is gebleken. Wel dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ten bedrage van € 29 te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 21 maart 2003 door mr. Biemond en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Nederveen.

(Nederveen) (Biemond)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.