Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7088

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
BK-02/01505
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

twaalfde enkelvoudige belastingkamer

21 maart 2003

nummer BK-02/01505

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 maart 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld door A, alsmede namens de Inspecteur B, tot bijstand vergezeld door C.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende is ongehuwd. Tot haar huishouden behoorde in 1999 uitsluitend haar in 1986 geboren dochter.

2. Belanghebbende heeft voor het jaar 1999 aangifte gedaan naar een onzuiver inkomen van ƒ 45.676 en een belastbaar inkomen van ƒ 30.633 en heeft in haar aangifte rekening gehouden met de volgende buitengewone lasten:

Ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie, ouderdom enz.

Begrafeniskosten stiefmoeder (buitenland) ƒ 4.500

Grafonderhoud (vader en partner) ƒ 3.500

Eigen bijdrage IZA ƒ 1.325

Eigen bijdrage psychische hulp ƒ 532

Eigen bijdrage ziektekostenverzekering ƒ 3.939

Medicijnkastje ƒ 200

ƒ 13.996

Drempel (12,2% x ƒ 45.676) ƒ 5.572

Totaal ƒ 8.424

Levensonderhoud van andere familieleden

Levensonderhoud moeder in Curaçao ƒ 2.600

Levensonderhoud stiefmoeder in Curaçao ƒ 1.500

ƒ 4.100

Drempel ƒ 800

Totaal ƒ 3.300

Studiekosten

Cursus Agressiebeheersing ƒ 1.500

Afschrijving computer ƒ 970

ƒ 2.470

Drempel ƒ 800

Totaal ƒ 1.670

Totaal buitengewone lasten ƒ 13.394

3. De stiefmoeder van belanghebbende, die haar heeft opgevoed, is op 15 januari 2000 overleden. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een nota van een begrafenisonderneming op Curaçao, d.d. 24 januari 2000 tot een totaalbedrag van NAƒ 3.254,43.

4. In reactie op een vragenbrief van de Inspecteur heeft belanghebbende onder meer een door haar opgemaakte en door haar moeder ondertekende verklaring overgelegd, waarin haar moeder verklaart:

"(…) een totaalbedrag te hebben ontvangen van fl. 12.100,-; zijnde:

fl 2.600,- voorziening in mijn levensonderhoud

fl 1.500,- voorziening levensonderhoud stiefmoeder (D)

fl 4.500,- bijdrage begrafeniskosten stiefmoeder

fl 3.500,- herdenking intentie en aanschaf grafstuk m.b.t. overleden vader en partner van mijn dochter X.

Aangezien ik slecht ter been ben en de bereikbaarheid van het postkantoor voor mij lastig is in verband met de lange afstanden, heb ik met mijn dochter afgesproken als zij geld voor mij heeft, dit met familie mee te geven.

(…)"

5. Bij de aanslagregeling is het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 44.027, wegens het niet accepteren van het bedrag van ƒ 13.394 wegens buitengewone lasten.

Het bezwaar van belanghebbende tegen voornoemde correctie is door de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar afgewezen.

6. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij de bedragen die zijn genoemd in de onder 4 genoemde verklaring in 1999 voor een deel in een dichtgeplakte enveloppe heeft meegegeven aan A en voor een ander deel, ook in een dichtgeplakte enveloppe, aan een nichtje. A en haar nichtje wisten alleen dat er geld in de enveloppen zat en dat dit aan haar moeder moest worden overhandigd en niet hoeveel geld er in de enveloppen zat. Belanghebbende weet dit zelf ook niet meer, maar weet zeker dat dit tot het totale in de verklaring genoemde bedrag heeft gereikt.

7. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de vorenvermelde correctie heeft toegepast. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

Uitgaven wegens levensonderhoud naaste verwanten

8.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, sub 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) zijn buitengewone lasten, voor zover te dezen van belang, de op de belastingplichtige drukkende uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, die geen recht hebben op studiefinanciering en die niet voldoen de in artikel 56 gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor overdracht van de basisaftrek, voor zover die uitgaven meer bedragen dan ƒ 800 en mits die uitgaven met schriftelijke bescheiden worden aangetoond en in geld of in geldeenheden andere dan de gulden worden gedaan.

8.2. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit aannemelijk wordt dat de ondersteunden in het onderhavige jaar niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien.

8.3. Voorts moet voor het bewijs van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van verwanten sprake zijn van zodanige schriftelijke bescheiden dat aan de hand daarvan de juistheid van de in aftrek gebrachte uitgaven redelijkerwijs kan worden gecontroleerd. Naar 's Hofs oordeel heeft belanghebbende met het enkele overleggen van de onder 4 genoemde verklaring en mede gelet op haar onder 6 aangehaalde verklaring ter zitting niet aangetoond dat zij uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van haar moeder en stiefmoeder heeft gehad in het onderhavige jaar. Het bedrag van ƒ 3.300 (na toepassing van de drempel) kan derhalve niet in mindering worden gebracht.

Uitgaven wegens ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie, ouderdom enz.

9.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet zijn, voor zover te dezen van belang, buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van ziekte en overlijden van de belastingplichtige, diens bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, voor zover zij meer bedragen dan 12,2 percent van het onzuivere inkomen.

9.2. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de door haar opgevoerde uitgaven werkelijk in het onderhavige jaar door haar zijn gedaan en op haar drukten.

9.3. De stiefmoeder van belanghebbende is op 15 januari 2000 overleden, en de nota van de begrafenisonderneming is van 24 januari 2000. Gelet op deze feiten en mede gelet op de verklaring van belanghebbende ter zitting zijn de kosten van de begrafenis derhalve niet in 1999, maar in 2000 opgekomen en kan het door belanghebbende opgevoerde bedrag van ƒ 4.500, nog daargelaten of er uitgaven (aannemelijk) zijn gemaakt tot aan dit bedrag, derhalve op grond van artikel 38 van de Wet niet in het jaar 1999 in mindering worden gebracht.

9.4.1. Ten aanzien van de uitgaven voor de in de aangifte opgevoerde post "Graf-onderhoud (vader en partner)" heeft belanghebbende later verklaard dat dit niet letterlijk grafonderhoud is geweest. Op grond van culturele en geloofsovertuigingen wordt jaarlijks een herdenkingsdienst gehouden ter nagedachtenis aan de overledenen. De betalingen zijn verricht door familieleden; dat is de reden dat belanghebbende geen betalingsbewijzen heeft. Zij heeft een bijdrage geleverd in het totaal van de kosten. Belanghebbende heeft naar 's Hofs oordeel gelet op het onder 6 overwogene niet aannemelijk gemaakt dat zij bedoelde uitgaven heeft gedaan. Voorts is het Hof van oordeel dat eventuele betalingen voor jaarlijkse herdenkingsdiensten en jaarlijkse grafstukken niet behoren tot de in de Wet bedoelde uitgaven ter zake van overlijden (vgl. HR 4 april 1956, nr. 12 729, BNB 1956/163). Het bedrag ad ƒ 3.500 kan derhalve niet in mindering worden gebracht.

9.4.2. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel ter zake faalt naar 's Hofs oordeel. De enkele omstandigheid dat in eerdere jaren wel een bedrag ter zake van deze post in mindering is gekomen op het onzuivere inkomen, betekent niet dat de in geding zijnde correctie in het onderhavige jaar in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur heeft verklaard dat de aangifte in die jaren automatisch is afgedaan en dat de onderhavige post niet aan de orde is gekomen. Belanghebbende heeft dit niet betwist. Er is derhalve geen sprake geweest van een bewuste standpuntbepaling die bij belanghebbende redelijkerwijs het vertrouwen kon wekken dat zij op grond van de gevolgde gedragslijn ook in latere jaren aanspraak zou kunnen maken op een vermindering van het onzuivere inkomen vanwege deze post.

9.5. Belanghebbende heeft ter zake van de post eigen bijdrage IZA een bedrag van ƒ 1.325 opgevoerd. Uit de gedingstukken en dan met name het door haar overgelegde Uitkeringsbesluit van de IZA Zorgverzekering voor ambtenaren blijkt echter dat de eigen bijdrage IZA voor het jaar 1999 een bedrag van ƒ 923,57 betrof. Een hogere eigen bijdrage IZA heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Een bedrag van (afgerond) ƒ 401 kan terzake van deze post dan ook niet in mindering op het onzuivere inkomen worden gebracht.

9.6. Belanghebbende heeft verklaard dat zij naast de eigen bijdrage IZA ad ƒ 1.325 een bedrag van ƒ 889 aan psychische hulp heeft betaald. Zij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dit bedrag van ƒ 889 is opgebouwd. In haar aangifte heeft zij een bedrag van ƒ 532 aan eigen bijdrage psychische hulp opgevoerd. Met betrekking tot de psychische hulp heeft zij drie betalingsbewijzen overgelegd van telkens ƒ 125 aan Instituut Y te Q, derhalve tot een totaalbedrag van ƒ 375. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij niet weet of zij deze betalingen heeft gedeclareerd. Het Hof is derhalve van oordeel dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze uitgaven op haar hebben gedrukt.

9.7. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat terzake van het medicijnkastje een bedrag van ƒ 100 in mindering kan worden gebracht op het onzuivere inkomen. Ingevolge artikel 46, derde lid, aanhef en onderdeel a, sub 3, van de Wet kan terzake van de door belanghebbende in haar aangifte opgevoerde post "medicijnkastje", waarvan in de loop van het geding is gebleken dat zij hiermee de inhoud van het medicijnkastje bedoeld, inderdaad uitsluitend een totaalbedrag van ƒ 100 in mindering worden gebracht op haar onzuivere inkomen. In voormeld artikel is immers bepaald dat ter zake van farmaceutische en andere hulpmiddelen, die niet op voorschrift van een arts zijn (ook wel genoemd de huisapotheek) verstrekt, een forfaitair bedrag van ƒ 50 per persoon in aanmerking kan worden genomen. Dat de door belanghebbende aangeschafte farmaceutische en andere hulp middelen gelet op haar culturele achtergrond veelal uit het buitenland komen, waardoor zij naar eigen zeggen meer kosten maakt, doet hier niet aan af.

9.8. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat de volgende uitgaven in mindering kunnen komen op het onzuivere inkomen:

Eigen bijdrage ziektekostenverzekering ƒ 3.939

Eigen bijdrage IZA ƒ 924

Huisapotheek ƒ 100

Betalingen Maatzorg, SIZ en CAK ƒ 265

ƒ 5.228

Gelet op het overwogene onder 9.1 tot en met 9.7 is het Hof van oordeel dat niet meer dan dit bedrag in mindering kan worden gebracht op het onzuivere inkomen, een en ander na toepassing van de drempel.

Het onzuivere inkomen van belanghebbende bedraagt ƒ 45.676, zodat de in 9.1 genoemde drempel ƒ 5.572 bedraagt. Het voormelde bedrag van ƒ 5.228 komt hier niet bovenuit, zodat er geen plaats is voor een vermindering op het onzuivere inkomen van belanghebbende wegens uitgaven voor ziekte en overlijden.

Uitgaven voor opleiding of studie

10.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet zijn buitengewone lasten, voor zover te dezen van belang, op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep van de belastingplichtige voor zover zij meer bedragen dan ƒ 800.

10.2. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de door haar opgevoerde uitgaven werkelijk in het onderhavige jaar door haar zijn gedaan en op haar drukten.

10.3.1. Voor de beoordeling van de vraag of een studie of opleiding wordt gevolgd voor een beroep is maatgevend of de studie niet om persoonlijke redenen maar met het oog op verbetering van de maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht wordt ondernomen en voorts of de belastingplichtige in redelijkheid kan verwachten dat na voltooiing van deze studie de verworven kennis in het economische verkeer productief kan worden gemaakt (vgl. HR 24 september 1997, nr. 32 252, BNB 1997/359).

10.3.2. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij de cursus is gaan volgen nadat een collega problemen had gehad met een klant om zodoende zelf beter met klanten te kunnen omgaan. Met deze enkele stelling heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de cursus niet om persoonlijke redenen, maar met het oog op verbetering van de maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht is gaan volgen. Er is derhalve, nog daargelaten dat zij geen betalingsbewijzen heeft overgelegd, geen ruimte voor een vermindering op het onzuivere inkomen van ƒ 1.500.

10.4. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de door haar aangeschafte computer, die zij kennelijk heeft gebruikt bij de studie, ƒ 5.000 heeft gekost. Zij heeft hiervan geen betalingsbewijs of enig ander stuk overgelegd waaruit blijkt dat een computer is aangeschaft en heeft de uitgaven derhalve niet aannemelijk gemaakt. Reeds daarom is gelet op het onder 10.2 overwogene geen plaats voor een vermindering van het onzuivere inkomen op deze voet.

11. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 21 maart 2003 door mr. Biemond en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Nederveen.

(Nederveen) (Biemond)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.