Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7084

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
BK-02/01732
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0717
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

twaalfde enkelvoudige belastingkamer

21 maart 2003

nummer BK-02/01732

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de productgroepmanager Informatie van de gemeente Ter Aar (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking, genomen op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) betreffende de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 maart 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen namens de Inspecteur A. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Hij is door de griffier bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging, verzonden op 15 januari 2003 aan het adres a-straat 1 te Z, onder vermelding van datum, plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens een door de griffier van TPG Post ontvangen retourkaart is de vorenbedoelde brief op 29 januari 2003 op het voormelde adres uitgereikt.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep.

Gronden

1. Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de woning). Belanghebbende heeft de woning op 4 september 2000 gekocht voor

ƒ 1.383.500.

2. Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet is de waarde op de waardepeildatum 1 januari 1999 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op ƒ 1.203.000. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar is de waarde verminderd tot op ƒ 1.049.000.

3. In geschil is primair het antwoord op de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep en subsidiair de waarde van de woning op de waardepeildatum.

Belanghebbende bepleit een waarde van ƒ 716.000; de Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij primair van mening is dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in het beroep en subsidiair een waarde van ƒ 1.049.000 verdedigt.

4.1. Het afschrift van de bestreden uitspraak is gedagtekend 22 februari 2002. Het beroepschrift is gedateerd 3 april 2002. Het op de enveloppe geplaatste poststempel draagt de datum 8 april 2002. Bij binnenkomst van het beroepschrift ter griffie van het Hof heeft de grif-fier daarop een stempelafdruk geplaatst met de datum 9 april 2002.

4.2. De termijn voor indiening van een beroepschrift bedraagt zes weken. Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn ter griffie is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Nu het Hof geen reden heeft om aan te nemen dat de dag van dagtekening van de uitspraak is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan, is de termijn in dit geval aangevangen met ingang van de dag na die van de dagtekening van de uitspraak, zodat de termijn voor het instellen van beroep eindigde met 5 april 2002.

4.3. Weliswaar is het beroepschrift binnen een week na afloop van de termijn ontvangen, maar in het licht van de hierboven vermelde vaststaande feiten is niet aannemelijk geworden dat het ook vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, is niet gebleken. Belanghebbende kan dus niet in het beroep worden ontvangen.

5.1. Nu belanghebbende niet ter zitting is verschenen merkt het Hof nog het volgende op. Ook als veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende wel ontvankelijk is in het beroep, dan zou dit, gelet op hetgeen hierna is overwogen, belanghebbende niet baten.

5.2. De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft ter ondersteuning van de door hem voorgestane waarde van de woning op de waardepeildatum een taxatierapport overgelegd van taxateur B, die de woning in opdracht van de Inspecteur op 28 augustus 2002 heeft getaxeerd. Die taxateur heeft de waarde van de woning op de waardepeildatum getaxeerd op ƒ 1.189.176.

5.3. Na afweging van hetgeen partijen over en weer in het ge-ding heb-ben aangedragen is het Hof op grond van zijn waardering van de in het geding gebrachte bewijsmiddelen van oordeel dat de Inspecteur, tegenover de betwisting daarvan door belanghebbende, met het door hem overgelegde taxatierapport en de daarop gegeven toelichting en mede gelet op de door belanghebbende in september 2000 betaalde aankoopprijs aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum ten minste ƒ 1.049.000 bedroeg.

5.4. Gelet op het vorenoverwogene zou het beroep, indien belanghebbende hierin wel ontvankelijk zou zijn geweest, ongegrond geweest zijn.

6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 21 maart 2003 door mr. Biemond en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Nederveen.

(Nederveen) (Biemond)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.

Het voor deze zaak gestorte griffierecht zal door de griffier van het gerechtshof worden teruggegeven na het onherroepelijk worden van deze uitspraak.