Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6940

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
07-04-2003
Zaaknummer
BK-01/02961
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 907
FutD 2003-0734

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

elfde enkelvoudige belastingkamer

28 februari 2003

nummer BK-01/02961

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid ondernemingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde voorlopige aanslag Premie Ziekenfondswet voor het jaar 2001.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 14 februari 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, Y, alsmede Q namens de Inspecteur.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de voorlopige aanslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op

€ €€653 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 27,23 euro aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende oefent sinds 12 april 2001 een onderneming uit onder de naam O. De activiteiten bestaan uit onderhoud en reparaties in en om het huis.

2. Op 12 april 2001 heeft belanghebbende een formulier Opgaaf startende onderneming (hierna: het formulier) in laten vullen door de dienstdoende ambtenaar bij de Belastingdienst. Bij vraag 7d van het formulier heeft de desbetreffende ambtenaar een geschat inkomen ingevuld van ƒ 40.000. Bij vraag 8a van het formulier is een geschatte jaaromzet (exclusief omzetbelasting) ingevuld van ongeveer ƒ 100.000. Belanghebbende heeft het formulier ondertekend.

3. Met dagtekening 29 juni 2001 is door de Inspecteur aan belanghebbende een verklaring verstrekt als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet), waarin is vermeld dat belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in het jaar 2001. Het daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar is door de Inspecteur afgewezen. Vervolgens is aan belanghebbende met dagtekening 3 juli 2001 de onderhavige voorlopige aanslag opgelegd. Het daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar is door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak op 10 september 2001 afgewezen.

4. In geschil is of de Inspecteur aan belanghebbende terecht de onderhavige voorlopige aanslag heeft opgelegd, welke vraag de Inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij als zelfstandige niet ziekenfondsverzekerd is nu zijn belastbaar inkomen in een normaal jaar op ongeveer ƒ 80.000 uitkomt en dat er bij het laten invullen van het formulier bij de Belastingdienst misverstanden zijn ontstaan omtrent de hoogte van zijn geschatte inkomen. Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft belanghebbende voorafgaand aan de zitting, met dagtekening 15 januari 2001, de jaarrekening van de onderneming over de periode 12 april 2001 tot en met 31 december 2001 overgelegd waaruit een nettowinst blijkt van ƒ 86.855.

6. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende bestreden.

7. Ingevolge artikel 3d, eerste lid, van de Wet is gedurende een kalenderjaar verzekerd de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan ƒ 42.000.

8. Vaststaat dat belanghebbende voor het jaar 2001 als zelfstandige is aan te merken.

9. Belanghebbende is zijn onderneming gestart in het betrokken jaar. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste en tweede lid juncto artikel 2, vijfde lid, van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen wordt indien er over enig jaar nog geen aangifte is gedaan, in een geval als het onderhavige, het laatste door de belastingplichtige aan de Inspecteur opgegeven geschatte inkomen voor dat jaar in aanmerking genomen en geldt als peildatum voor de vaststelling van het inkomen, voor de beoordeling van de ziekenfondsverzekering van een zelfstandige, voor het eerste jaar het tijdstip waarop de schatting van het inkomen door de zelfstandige wordt gedaan, derhalve 12 april 2001.

10. Vaststaat dat belanghebbende het formulier niet zelf heeft ingevuld, maar dit heeft laten doen door de dienstdoende ambtenaar. Voorts staat vast dat belanghebbende een geschatte jaaromzet exclusief omzetbelasting heeft opgegeven van ƒ 100.000. Uit de aard van de onderneming van belanghebbende alsmede de begrote omzet valt redelijkerwijs af te leiden dat in het onderwerpelijke jaar een hoger inkomen dan ƒ 40.000 was te verwachten. Gelet hierop, in onderling verband gezien, is naar 's Hofs oordeel af te leiden dat belanghebbende, mede gelet op de door hem overgelegde jaarrekening voor dat jaar die een netto-winst vermeldt van ƒ 86.855, steeds de bedoeling heeft gehad zijn inkomen op een hoger bedrag dan het in het formulier vermelde ƒ 40.000 te schatten. Naar 's Hofs oordeel is uit al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd voldoende aannemelijk geworden dat ten tijde van het laten invullen van het formulier sprake is geweest van kennelijk een misverstand. Bezien in dit licht acht het Hof voorts aannemelijk dat het inkomen van belanghebbende in het onderhavige jaar in ieder geval meer heeft bedragen dan ƒ 42.000.

11. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet voldoet aan de beide in artikel 3d, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarden zodat belanghebbende niet als verzekerde in de zin van artikel 3d van de Wet dient te worden aangemerkt. De onderhavige voorlopige aanslag is niet terecht aan belanghebbende opgelegd.

12. Het beroep is gegrond.

13. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 644 euro wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322 euro x 1 (gewicht van de zaak)) en € 9 euro wegens reiskosten, in totaal derhalve op € 653 euro. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 28 februari 2003 door mr. Sanders en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. De Fouw.

(De Fouw) (Sanders)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uit-spraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onder-werpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hier-voor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de grif-fier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.