Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6938

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
07-04-2003
Zaaknummer
BK-02/00709
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/919
FutD 2003-0699
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede enkelvoudige belastingkamer

5 maart 2003

nummer BK-02/00709

UITSPRAAK

op het beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van belastin-gen van de gemeente Rijnwoude (hierna: de Inspecteur), betref-fende na te noemen aanslagen.

1. Aanslagen en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is over elk van de jaren 1998, 1999 en 2000 een aanslag in de baatbelasting Elektriciteitsaan-leg [a-weg] opgelegd ten bedrage van ƒ 25.

1.2. Het tegen de aanslagen gerichte bezwaarschrift van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de grif-fier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsge-had ter zitting van het Gerechtshof van 20 februari 2003, ge-houden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. De Verordening

De raad van de gemeente Hazerswoude (rechtsvoorganger van de gemeente Rijnwoude) heeft in zijn openbare vergadering van 31 augustus 1972 de Verordening baatbelasting Elektriciteitsaanleg [a-weg] (hierna: de Verordening) vastgesteld, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit. De Verordening is in wer-king getreden op 1 januari 1973. De tekst van de Verordening behoort in kopie tot de stukken van het geding.

4. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende is eigenaar van het kadastrale perceel [AAA00 B11] G0, gelegen op de hoek van de [b-weg] en de [a-weg] te [Z] (hierna: het perceel).

Het perceel is circa 600 meter lang. Aan de voorzijde van het perceel (gezien vanaf de [b-weg]) bevinden zich het woonhuis en - op circa 50 meter daar vandaan - een schuur. Op de rest van het perceel exploiteert belanghebbende een boomkwekerij. Het perceel heeft ook de bestemming boomkwekerij. Een wijziging van het bestemmingsplan valt niet te voorzien. Het woonhuis en de schuur zijn op het elektriciteitsnet aangesloten via een aan-sluiting vanaf de [b-weg].

4.2. De onderhavige baatbelasting is ingevoerd wegens de aanleg van een elektriciteitsleiding op de [a-weg]. Het perceel heeft geen aansluiting op deze elektriciteits-leiding.

4.3. Van het perceel is een gedeelte ter grootte van 6380 are gelegen binnen het gebied dat ingevolge artikel 1 van de Verordening en de daarbij behorende tekening is aangemerkt als het door de voormelde aanleg gebaat gebied. Het betreft

- gezien vanaf de [b-weg] - het achterste gedeelte van het per-ceel dat evenwijdig aan de [a-weg] is gelegen. Ter zake van dit gedeelte van het perceel zijn de onderhavige aan-slagen opgelegd op de voet van artikel 5, eerste lid, en arti-kel 6, eerste lid, van de Verordening.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil of de onderhavige aan-slagen terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich uitslui-tend toe op de vraag of het hiervoor bedoelde gedeelte van het perceel door de aanleg van de elektriciteitsleiding is gebaat, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspec-teur bevestigend wordt beantwoord.

5.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Zij heb-ben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan de door hen in de gedingstukken gegeven uiteenzettingen geen grie-ven of weren toegevoegd.

6. Conclusies van partijen

6.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de aanslagen.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondver-klaring van het beroep.

7. Overwegingen omtrent het geschil

7.1. Tegenover de gemotiveerde betwisting door belangheb-bende en in het licht van de vaststaande feiten heeft de In-specteur met hetgeen hij in het geding heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat voormeld gedeelte van het perceel door de aanleg van de elektriciteitsleiding objectief bezien in meer dan verwaarloosbare mate in een voordeliger positie is komen te verkeren. Het Hof neemt daarbij mede in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat - gezien het vigerende bestemmings-plan - bebouwing van het betreffende gedeelte van het perceel is toegestaan of in de voorzienbare toekomst zal worden toege-staan, terwijl omtrent enige andere nut van de elektriciteits-leiding voor dat perceelsgedeelte niets is gesteld of gebleken. De enkele mogelijkheid van aansluiting op de elektriciteitslei-ding is in casu onvoldoende voor het oordeel dat voormeld per-ceelsgedeelte door de aanleg van die leiding objectief bezien in meer dan verwaarloosbare mate in een voordeliger positie is komen te verkeren.

7.2. Het vorenoverwogene brengt mee dat het belastbare feit als omschreven in artikel 1 van de Verordening zich niet voordoet. De aanslagen dienen derhalve te worden vernietigd.

8. Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroor-delen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als be-doeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 10 we-gens reiskosten. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard af-gezien van een vergoeding van verletkosten en omtrent andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten in niets gesteld of gebleken.

8.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

9. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de aansla-gen,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende en vastgesteld op € 10, en

- gelast de gemeente Rijnwoude deze kosten alsmede het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 5 maart 2003 door mr. Vonk. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in te-genwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Holdert.

(Holdert) (Vonk)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uit-spraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daar-bij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.