Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6928

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-05-2003
Zaaknummer
BK-00/02645
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 539
FED 2003/309
V-N 2003/17.4.7

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde enkelvoudige belastingkamer

26 februari 2003

nummer BK-00/02645

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren P van de Belastingdienst, op het bezwaar-schrift van belanghebbende tegen een aan hem opgelegde aan-slag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekerin-gen voor het jaar 1998.

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsge-had ter zitting van de tiende enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof van 9 april 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen de Inspecteur. Van de zijde van belang-hebbende is niemand verschenen. De gemachtigde van belang-hebbende is door de griffier bij aangetekende brief met ont-vangstbevestiging, verzonden op 13 maart 2002 aan A, op het adres a-straat 1 te Q, onder vermelding van plaats en tijd-stip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens een door de griffier van PTT Post ontvangen retourkaart is de vorenbedoelde brief op 14 maart 2002 aan A uitgereikt.

De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsge-had ter zitting van de derde enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof van 12 februari 2003, gehouden te Middel-burg. Aldaar is verschenen belanghebbende, alsmede de In-specteur.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belast-baar inkomen van ƒ 26.450;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 322, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak ge-storte griffierecht van ƒ 60 (€ 27,23) aan belangheb-bende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende is als docent klassieke gitaar in dienst-betrekking werkzaam bij B. In 1998 heeft hij uit dienstbe-trekking een bedrag van ƒ 31.230 aan loon genoten. Daarnaast maakt hij als uitvoerend musicus deel uit van het ensemble "C". In het onderhavige jaar heeft het ensemble dertien op-tredens verzorgd. De in verband met deze optredens verworven inkomsten bedragen in het onderhavige jaar ƒ 3.122.

2. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 26.401. In de aan-gifte heeft hij de in verband met de optredens verworven in-komsten gesteld op ƒ 3.073. Op het totale bedrag van zijn inkomsten uit arbeid heeft belanghebbende ƒ 7.747 aan be-roepskosten in mindering gebracht. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- reiskosten (8.755 km x ƒ 0,60) ƒ 5.253

- contributie vakbond ƒ 312

- verzekering instrumenten ƒ 48

- vakbladen ƒ 93

- partituren etc. ƒ 1.546

- telefoonkosten ƒ 1.084

- af: ontvangen vergoeding ƒ 589.

Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het standpunt in-genomen dat de met de optredens van "C" verworven inkomsten niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid bui-ten dienstbetrekking, omdat geen sprake is van een bron van inkomen. In verband hiermee zijn die inkomsten ad ƒ 3.073 op de inkomsten uit arbeid in mindering gebracht en is de af-trek van de werkelijke beroepskosten geweigerd. Het belast-bare inkomen is vastgesteld op ƒ 27.967.

3.1. De in de jaren 1996, 1997 en 1999 met de optredens van "C" verworven inkomsten en de met betrekking tot die inkom-sten gemaakte kosten luiden volgens het door de Inspecteur in haar verweerschrift op pagina 2 opgenomen overzicht als volgt:

inkomsten "C" 1996 1997 1999

ƒ 2.489 ƒ 3.256 ƒ 6.782

uitgaven

- reiskosten "C" ƒ 2.962 ƒ 3.084 ƒ 7.422

(km x ƒ 0,60)

- promotiekosten "C" ƒ 276 ƒ 1.848

totaal: ƒ 3.238 ƒ 9.270

Saldo -/- ƒ 749 ƒ 172 -/- ƒ 2.488

3.2. De reiskosten zijn in aanmerking genomen voor het in die jaren geldende forfaitaire bedrag van ƒ 0,60 per kilome-ter. De werkelijke reiskosten bedragen - uitgaande van een kilometrage van 40.000 per jaar - ƒ 0,20 à ƒ 0,21 per kilo-meter. Belanghebbende gaat uit van ƒ 0,25 per kilometer.

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de werkzaam-heden die belanghebbende voor B en voor "C" heeft verricht als één bron van inkomen dienen te worden aangemerkt. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, is tevens in geschil of de werkzaamheden die belanghebbende ten behoeve van "C" heeft verricht een bron van inkomen vormen.

4.2. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend, stellende dat hij musicus van beroep is en dat hij in het kader van de uitoefening van dat beroep enerzijds werkzaam is als docent aan B en anderzijds als uitvoerend musicus door optredens voor publiek. Tussen beide werkzaamheden be-staat een samenhang. Ten aanzien van de tweede vraag heeft belanghebbende onder andere gesteld dat het ensemble sinds 2001 minder repetities heeft, doordat gedurende langere tijd hetzelfde programma wordt gedraaid. Hierdoor worden er min-der reiskosten gemaakt. Het aantal optredens bedroeg in 2001 twaalf.

4.3. De Inspecteur beantwoordt beide vragen ontkennend, stellende dat zelfs wanneer van de in het onderhavige jaar gemaakte kosten - met uitzondering van de reiskosten - de helft aan de werkzaamheden als uitvoerend musicus worden toegerekend, de gemaakte kosten de opbrengsten van die werk-zaamheden niet overstijgen.

4.4. Niet is in geschil dat de in verband met de optredens verworven inkomsten moeten worden gesteld op ƒ 3.122.

5. De werkzaamheden die ten behoeve van B en "C" zijn ver-richt, kunnen slechts als één bron van inkomen worden aange-merkt indien belanghebbende zijn beroep als musicus zelf-standig uitoefent. Van de zelfstandige uitoefening van een beroep als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) is slechts spra-ke indien belanghebbende de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. Nu gesteld noch gebleken is dat hiervan in het onder-havige geval sprake is, kunnen de werkzaamheden die voor de B en "C" zijn verricht, tezamen genomen, niet als de uitoe-fening van een zelfstandig beroep worden aangemerkt. Ook naar het spraakgebruik beoordeeld kan onder de omstandighe-den van dit geval niet worden gezegd dat belanghebbende in 1998 zelfstandig een beroep uitoefende.

6. Ten aanzien van de vraag of op de werkzaamheden die be-langhebbende ten behoeve van "C" heeft verricht artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet van toepassing is, dient aannemelijk te zijn dat belanghebbende als uitvoerend musi-cus deelneemt aan het economische verkeer, dat hij hiermee het behalen van geldelijk voordeel beoogt en tevens redelij-kerwijs kan verwachten dat zijn werkzaamheden als uitvoerend musicus - zij het in de toekomst - positieve opbrengsten zullen afwerpen, waarbij onder positieve opbrengsten wordt verstaan een opbrengst, welke de aan die werkzaamheden ver-bonden kosten overtreft (vgl. Hoge Raad 22 maart 1972, nr. 16 751, BNB 1972/96).

7. Dat belanghebbende met "C" heeft deelgenomen aan het eco-nomische verkeer en dat hij hiermee het behalen van gelde-lijk voordeel heeft beoogd, is tussen partijen niet in ge-schil. Gelet op de inkomsten die belanghebbende met de op-tredens heeft verworven en de kosten die hij in verband daarmee heeft gemaakt, acht het Hof aannemelijk dat met de werkzaamheden als uitvoerend musicus redelijkerwijs een voordeel te verwachten was. Indien bij de berekening van de kosten conform het overwogene onder 6 wordt uitgegaan van de werkelijke reiskosten - door belanghebbende onweersproken gesteld op ten hoogste ƒ 0,25 per kilometer - en de overige gemaakte kosten voor het jaar 1998 - conform het standpunt van de Inspecteur - voor de helft aan de werkzaamheden als uitvoerend musicus worden toegerekend, overstijgen de op-brengsten de kosten in het onderhavige jaar weliswaar niet. Voor het jaar 1997 overtreffen de opbrengsten de kosten wel. Indien voorts ten aanzien van de jaren 1996 en 1999 bij ge-brek aan gegevens die in een andere richting wijzen met be-trekking tot de reiskosten eveneens van ƒ 0,25 per kilometer wordt uitgaan - welk bedrag het Hof in de omstandigheden van dit geval redelijk acht -, overtreffen de de aan de werk-zaamheden als uitvoerend musicus verbonden opbrengsten de werkelijke kosten eveneens. Gelet hierop, alsmede op de stelling van belanghebbende - die door de Inspecteur niet is weersproken - dat de kosten sinds het jaar 2001 zijn gedaald omdat het ensemble sindsdien minder repeteert, maar wel twaalf optredens heeft verzorgd, is het Hof van oordeel dat belanghebbende redelijkerwijs kon verwachten dat zijn werk-zaamheden als uitvoerend musicus positieve opbrengsten zullen afwerpen.

8. Op grond van het vorenoverwogene dient artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet te worden toegepast op de werk-zaamheden die belanghebbende ten behoeve van "C" heeft ver-richt. Nu niet is gebleken dat het bedrag van de in aftrek gebrachte beroepskosten in geschil is, kunnen deze kosten op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet conform de in-gediende aangifte op het totale bedrag van de inkomsten uit arbeid in mindering worden gebracht. Het belastbare inkomen moet dientengevolge worden gesteld op ƒ 26.450 (ƒ 27.967 + ƒ 3.122 - (ƒ 7.747-ƒ 3.108)).

9. Het beroep is gegrond.

10. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroorde-len in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als be-doeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskos-ten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 322 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 26 februari 2003 door mr. Tijnagel en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier drs. Bravenboer.

(Bravenboer) (Tijnagel)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uit-spraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onder-werpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hier-voor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de grif-fier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.