Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6511

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
R02/905
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 395

Uitspraak

Uitspraak: 21 februari 2003

Rekestnummer: R02/905 KA

Rekestnr. rechtbank: 275677/02-51091

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft de volgende beschikking gegeven in de zaak van

De WERKNEMER,

wonende te X,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: Werknemer,

procureur: mr. E.A.C. van Kempen,

tegen

KPN TELEKOM B.V,

gevestigd te Den Haag,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: KPN,

procureur: mr. H.C. Grootveld.

Het geding

Bij beroepschrift met producties ingekomen ter griffie op 16 december 2002 is Werknemer in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 september 2002 door de rechtbank te 's-Gravenhage sector kanton gegeven tussen partijen.

KPN heeft onder overlegging van producties een verweerschrift ingediend.

Op 7 februari 2003 is de zaak mondeling behandeld. De raadsman van Werknemer, mr. R.V.H. Jonker, advocaat te Amsterdam, heeft een pleitnotitie overgelegd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat kort samengevat om het volgende. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 september 2002 de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden en bepaald dat die zal eindigen per 1 oktober 2002 en KPN veroordeeld aan Werknemer een vergoeding te betalen. Werknemer is van deze beschikking in hoger beroep gekomen.

2. Voorop moet worden gesteld dat volgens art. 7: 685 lid 11 tegen een beschikking tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst geen hoger beroep kan worden ingesteld. Volgens vaste rechtspraak wordt dit appèlverbod evenwel doorbroken als de rechter buiten het toepassingsbereik van art. 7:685 is getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing is gelaten of zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Nu Werknemer een beroep doet op schending van hiervoor bedoelde fundamentele rechtsbeginselen, is hij ontvankelijk in zijn hoger beroep. Het hof zal derhalve in het hiernavolgende nagaan of het door Werknemer ingestelde al dan niet gegrond is.

3. In de eerste plaats stelt Werknemer dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden door de fax van de gemachtigde van Werknemer van 5 september 2002 niet bij haar beslissing te betrekken, althans niet in de gedingstukken op te nemen, althans deze er niet in op te nemen dan nadat Werknemer op de daarbij gesloten producties nog heeft kunnen reageren.

4. Hieromtrent overweegt het hof, dat de fax van 5 september 2002 slechts een kort briefje is waarin niets nieuws staat, behalve dat een nieuwe sollicitatie is bijgesloten waarvan niet aannemelijk is dat die op enigerlei wijze de te nemen beslissing zou kunnen beïnvloeden. Op welke producties Werknemer niet in de gelegenheid zou zijn gesteld te reageren, is het hof niet duidelijk en is door Werknemer niet nader geadstrueerd. Ook als de rechtbank geen kennis zou hebben genomen van de fax van 5 september 2002, is nog geen sprake van een zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor, dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

5. Werknemer voert aan, dat de mondelinge behandeling heeft plaats gevonden ten overstaan van mr. H.J. Brandsma en de beschikking is gewezen door mr. H.J.M. Wouterse. Verder voert Werknemer aan dat mr. Wouterse door hem mogelijk gewraakt zou zijn op grond van de omstandigheid dat mr. Wouterse in een andere KPN-zaak zijn mening over de anciënniteit en berekening van de ontslagvergoeding van KPN kenbaar had gemaakt en uit dien hoofde met betrekking tot de onderhavige zaak niet vrij c.q. vooringenomen kon worden beschouwd en om die reden, naar de gemachtigde van Werknemer bekend was, niet als onbevooroordeeld ten aanzien van de onderhavige casuspositie zou kunnen worden aangemerkt, met name ten aanzien van het vaststellen van een vergoeding en anciënniteit en uit dien hoofde geen onafhankelijke oordeelsvorming ten opzichte van de onderhavige casuspositie zou kunnen innemen. Verder stelt Werknemer dat de kantonrechter mr. Brandsma bij de mondelinge behandeling heeft bepaald dat onderzocht diende te worden of Werknemer intern herplaatst zou kunnen worden op eenzelfde functieniveau danwel op een lager functieniveau met lager salaris, waarmee Werknemer zich uitdrukkelijk akkoord verklaarde, en dat als dat onderzoek zonder resultaat zou blijven, een eventuele nieuwe zitting zou volgen, waarna uitspraak zou worden gedaan.

6. Hieromtrent overweegt het hof, dat het weliswaar wenselijk is dat dezelfde rechter ten overstaan van wie de mondelinge behandeling plaats vindt, ook de beschikking geeft, maar dat geen rechtsregel verbiedt dat een andere rechter de beschikking geeft. Het feit dat een andere rechter dan degene ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, de beschikking heeft gegeven, leidt dan ook niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak..

7. Uit het feit dat mr. Wouterse zijn mening over anciënniteit en berekening van de ontslagvergoeding van KPN in een andere KPN-zaak had kenbaar gemaakt, volgt niet dat mr. Wouterse in de onderhavige zaak als vooringenomen zou kunnen worden beschouwd en de rechterlijke onpartijdigheid schade heeft geleden doordat mr. Wouterse de onderhavige zaak heeft beslist. Ook deze stellingen van Werknemer kunnen niet tot de conclusie leiden dat het hoger beroep gegrond is.

8. Uit de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 2 juli 2002 blijkt dat de behandeling werd aangehouden om te onderzoeken of er een oplossing is, en dat, als het niet lukte, er eventueel een nieuwe zitting zou volgen en daarna uitspraak zou worden gedaan. Kennelijk heeft de rechter die de beschikking van 16 september 2002 heeft gegeven, een nieuwe zitting niet nodig geoordeeld en direct uitspraak gedaan. Verder schrijft de raadsman van Werknemer in zijn brief van 27 augustus 2002 aan de rechtbank: "Uiteraard is het ter Uwer discretie te bepalen of er in deze kwestie op het ontbindingsverzoek thans kan worden beschikt." Hieruit leidt het hof af, dat de raadsman van Werknemer ook rekening hield met de mogelijkheid dat de rechtbank zonder nieuwe mondelinge behandeling zou beslissen. Niet kan dan ook worden gezegd, dat het feit dat de beschikking kwam zonder nieuwe mondelinge behandeling, als een verrassingsbeslissing is aan te merken.

9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Het hof zal Werknemer in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

De beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

veroordeelt Werknemer in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van KPN tot op heden begroot op € 1.735,-, waarvan € 193,- aan verschotten en € 1.542,- aan salaris van de procureur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Wild, Schuering en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2003 in aanwezigheid van de griffier.