Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6456

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2003
Datum publicatie
27-03-2003
Zaaknummer
2200322702
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5348
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200322702

parketnummer 0992600301

datum uitspraak 18 maart 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 15 juli 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2003.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de impliciet tenlastegelegde "moord" vrijgesproken en ter zake van "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Tevens zijn beslissingen omtrent het inbeslaggenomene en benadeelde partijen genomen als nader omschreven in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsvrouw van de benadeelde partijen [namen] heeft ter terechtzitting medegedeeld dat deze partijen zich opnieuw voegen in hoger beroep.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet bewezen dat de verdachte de impliciet tenlastegelegde "moord" heeft begaan.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de impliciet tenlastegelegde "doodslag" heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

dat hij op 29 juni 2001 te Delft opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een mes meermalen, in de hals van die [slachtoffer] gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal mr Kaptein heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van "doodslag" zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert zij de terbeschikkingstelling van de verdachte en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts legt zij een lijst van inbeslaggenomen voorwerpen over welke lijst aan dit arrest is gehecht en vordert zij dat dezelfde beslissingen omtrent het inbeslaggenomene als in het vonnis worden genomen. Tenslotte vordert zij dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen worden verklaard, met uitzondering van de vordering van [naam], voor zover deze materiële schade betreft.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een vrouw, waarmee hij nog maar kort een relatie had op een gruwelijke wijze om het leven gebracht toen zij het uitmaakte. Hij heeft haar met een mes de keel doorgesneden.

Hierdoor heeft de verdachte haar het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, ontnomen en heeft hij de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. De manier waarop de verdachte haar van het leven heeft beroofd en zijn handelingen na zijn daad, zijn verbijsterend.

Het hof is van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en geboden is, waarvan de duur evenwel moet worden beperkt omdat, zoals hierna wordt overwogen, het hof hem zijn daad slechts in verminderende mate toerekent.

Omtrent verdachtes persoonlijkheid is door psychiater [naam] en psycholoog [naam], beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC), op 20 juni 2002 gerapporteerd. In dit rapport staat onder meer dat de verdachte lijdt aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis, met daarin ingebed een contactstoornis. Op de voorgrond staan eenzelvigheid en egocentriciteit, gebrekkige empathische vermogens en sociale inadequatie. De verdachte heeft geen zicht op eigen gevoelens noch op die van anderen. Hij is daardoor zowel van zichzelf als van zijn omgeving vervreemd. Het gevaar van herhaling van ernstig agressieve delicten is volgens deze deskundigen zeker aanwezig.

De onderzoekers zijn van mening dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch dat hij in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. De onderzoekers concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De onderzoekers adviseren verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege op te leggen. Het hof verenigt zich met dit advies, neemt voormelde conclusies over en maakt deze tot de zijne.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel, dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist, waarbij het hof mede heeft gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het hof stelt vast dat het feit, ter zake waarvan de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd, een misdrijf is dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

Alles afwegend komt het hof tot de conclusie, dat de na te noemen straf en maatregel passend en geboden zijn.

Beslag

Het voorwerp vermeld onder nummer 11 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien dit een voorwerp is waarmee het feit is begaan.

Ten aanzien van de voorwerpen vermeld onder de nummers 3, 4, 9, 10, 12, 15 tot en met 23 (speld, zonnebril, sleutel en kleding) op de hiervoor bedoelde lijst zal het hof de bewaring gelasten van de rechthebbende.

Ten aanzien van het voorwerp vermeld onder nummer 7 (parelketting) op de hiervoor bedoelde lijst zal het hof de teruggave gelasten aan de nabestaande tevens benadeelde partij [naam].

Ten aanzien van het voorwerp vermeld onder nummer 5 (schuurmachine) op de hiervoor bedoelde lijst zal het hof de teruggave gelasten aan De Telegraaf.

Ten aanzien van de voorwerpen vermeld onder de nummers 6 en 8 op de hiervoor bedoelde lijst zal het hof - indien dit nog niet is geschied - de teruggave gelasten aan de verdachte.

Het hof acht zich niet in staat een beslissing te geven op de inbeslaggenomen monsters bloed (nummers 1, 2, 13 en 14 van de hiervoor bedoelde lijst).

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende te 's-Gravenhage, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het tenlastegelegde tot een bedrag van f. 5.413,08 materiële schade (niet door de verzekering vergoede begrafeniskosten) en een bedrag van € 200.000,- aan geleden immateriële schade. In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag. De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 2.456,35 rechtstreeks schade is geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding te worden verklaard.

Voor zover deze vergoeding voor eventuele opgelopen shockschade hebben heeft willen vorderen overweegt het hof dat recente jurisprudentie op het gebied van shockschade (HR 22-02-2002, zaaknummer C00/227HR) onder omstandigheden voor nabestaanden een verruimde mogelijkheid opent voor een vordering tot immateriële schade. De ingediende vordering is, in dat licht bezien, evenwel niet genoegzaam onderbouwd en toegelicht.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Daarnaast hebben zich in het onderhavige strafproces [namen] als benadeelde partijen gevoegd en een vorderingen tot vergoeding van immateriële schade ingediend variërend van € 50.000,- tot € 200.000,-.

[naam] heeft naast een vordering tot vergoeding van immateriële schade tevens een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend tot een bedrag van f. 13.000,-.

Deze benadeelde partijen zijn geen erfgenamen in de zin van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. Voor zover zij immateriële schade vorderen verwijst het hof naar de overweging daarover bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [naam].

Ten aanzien van de vordering van [naam] tot vergoeding van materiële schade is het hof van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde.

De benadeelde partijen dienen derhalve niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding te worden verklaard. Het hof stelt de meerkosten van de verdachte om zich tegen deze vorderingen te verdedigen op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de impliciet tenlastegelegde "moord" heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde "doodslag", zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp vermeld onder nummer 11 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen vermeld onder de nummers 3, 4, 9, 10, 12, 15 tot en met 23 op de hiervoor bedoelde lijst.

Gelast de teruggave van het voorwerp vermeld onder nummer 7 op de hiervoor bedoelde lijst aan de nabestaande tevens benadeelde partij [naam].

Gelast de teruggave van het voorwerp vermeld onder nummer 5 op de hiervoor bedoelde lijst aan De Telegraaf.

Gelast de teruggave van de voorwerpen vermeld onder de nummers 6 en 8 op de hiervoor bedoelde lijst zal het hof - indien dit nog niet is geschied - aan de verdachte.

Acht zich niet in staat een beslissing te geven ten aanzien van de voorwerpen vermeld onder de nummers 1, 2, 13 en 14 van de hiervoor bedoelde lijst).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot het bedrag van VIERENTWINTIG HONDERD EN VIJFENZESTIG EURO EN VIJFENDERTIG EUROCENT (€ 2.456,35) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [naam] voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verklaart de overige benadeelde partijen, als nader hiervoor omschreven, niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mrs Koning, Van Rijnberk en Korvinus, in bijzijn van de griffier mr De Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 maart 2003.