Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6263

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
2000/564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 249
VR 2003, 59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 26 maart 2003

Rolnr.Hof: C00/564

Rolnr.Rb.: 96/1581

HET GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGE

=DERDE CIVIELE KAMER=

ARREST GEWEZEN INZAKE

1. HET ACADEMISCH ZIEKENHUIS LEIDEN

thans genaamd HET LEIDS UNIVERSITAIR

MEDISCH CENTRUM (LUMC)

gevestigd te Leiden

2. [appellante 2]

wonende te [woonplaats]

appellanten in het principaal appèl

geïntimeerden in het incidenteel appèl

hierna ook te noemen: AZL,LUMC,[appellante 2]

procureur: aanvankelijk Mr.R.Overeem,

thans Mr.B.Sluijters

tegen

1. [geïntimeerde 1]

2. [geïntimeerde 2]

optredend pro se, en tevens als wettelijk

vertegenwoordiger van hun minderjarige dochter

[de dochter]

allen wonende te [woonplaats]

geïntimeerden in het principaal appèl

appellanten in het incidenteel appèl

hierna ook te noemen: [geïntimeerden],de ouders, [de dochter]

procureur: Mr.F.B.Kloppenburg

HET PROCESVERLOOP

Bij appèldagvaarding van 17 april 2000 zijn LUMC en [appellante 2] in hoger beroep gekomen van de vonnissen dd 2 juli en 10 december 1997, alsmede 2 februari 2000, door de Rechtbank te 's-Graven-hage tussen partijen gewezen. De Memorie van Grieven omvat in het principaal appèl elf grieven, die door [geïntimeerden] zijn bestreden, waarbij tevens een incidenteel appèl werd ingesteld onder aanvoering van drie grieven (met eisvermeerdering). Nadat het incidenteel appèl was bestreden volgden nog aktewisselingen op 28 juni, 26 juli en 9 augustus 2001, waarna de zaak werd bepleit, voor LUMC en [appellante 2] door hun huidige procu-reur Mr.B.Sluijters, advocaat te 's-Gravenhage, en voor [geïntimeerden] eveneens door hun procureur. Vervolgens werd gefourneerd voor arrest.

DE BEOORDELING IN HOGER BEROEP

1. Het verweer van de verste strekking van [geïntimeerden] bij MvA luidt dat partij [appellante 2] in haar appèl niet-ontvankelijk is, omdat LUMC en [appellante 2] weliswaar gezamenlijk appèl hebben ingesteld, maar de Memorie van Grieven dd 17 augustus 2000 alleen AZL/LUMC als appellant vermeldt, maar niet [appellante 2].

Het Hof constateert dat in het hoofd van de Memorie van Grie-ven (MvG) inderdaad partij [appellante 2] niet is vermeld, en dat LUMC en [appellante 2] -nadat [geïntimeerden] bij Memorie van Antwoord (MvA) de niet-ontvankelijkheid van [appellante 2] hadden ingeroepen- bij akte van 28 juni 2001 alsnog de oorspronkelijke grieven van 17 augustus 2000 tevens namens [appellante 2] hebben aangevoerd, hetgeen volgens [geïntimeerden] tardief is geschied. Wat daar ook van zij, het Hof is van oordeel dat hier (mede gezien de inhoud van de MvG sub 3 e.v.) sprake is van een omissie als gevolg van een kennelijke vergissing.

Het is het Hof ambtshalve bekend dat ook de rolraadsheer er op 17 augustus 2000 van uit is gegaan dat mede namens [appellante 2] van grieven is gediend, omdat hij de zaak toen verwezen heeft naar de rol van 28 september 2000 voor MvA zijdens [geïntimeerden]; anders zou hij immers de zaak wel naar de rol hebben verwezen voor (nadere) grieven zijdens [appellante 2]. Uit de gang van zaken kan daarom in redelijk-heid niet worden volgehouden dat het per abuis niet-vermelden van [appellante 2] in de MvG voor [geïntimeerden] enige onzekerheid heeft doen ontstaan terzake van de vraag of het inderdaad ook [appellante 2] was namens wie in de MvG grieven werden aangevoerd (HR 9 juli 1990,NJ90/748). Het verweer van niet-ontvankelijkheid stuit daarop af.

2. Ten aanzien van de feiten en een korte samenvatting van het geschil gaat het Hof uit van de ro.1.1 t/m 1.7 alsmede 2.1 t/m 2.3 van het Recht-bank-vonnis dd 2 juli 1997, nu die overwegingen als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

DE GRIEVEN IN HET PRINCIPAAL APPEL

3. De grieven richten zich alle tegen het eindvonnis van 2 februari 2000, zodat de eerdere tussenvonnissen thans verder buiten beschouwing blijven. Grief I klaagt over ro.4.1 van het eindvonnis, waar de Rechtbank overweegt dat de experts de handelwijze van [appellante 2] hebben getoetst aan de opvattingen omtrent de normen van een redelijk handelend en bekwaam ver-loskundige, die ten tijde van dat handelen in 1993 golden.

In de toelichting op deze grief wordt geklaagd dat uit de beschouwingen van de experts niet duidelijk wordt welke toet-singsmaatstaf zij hebben gehanteerd. Geklaagd wordt verder - en inzoverre worden toch ook de tussenvonnissen weer in het debat betrokken- dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat gelet moest worden op hetgeen redelijkerwijs van een in een Acade-misch Ziekenhuis werkende verloskundige mag worden verwacht, terwijl de verloskundige practijk in het LUMC zich niet onder-scheidt van die in gewone (niet-academische) ziekenhuizen. Betoogd wordt voorts dat [appellante 2] niet onder de maat van de professionele standaard heeft gehandeld, uitgaande van de vraag welk niveau van kennis en vaardigheid c.q. zorg in casu gebruikelijk is; daarbij beroept de toelichting zich op de beschouwingen van Prof.Visser in diens rapport (dd 17 maart 1999).

4. Het Hof stelt voorop dat de beoordeling van medisch handelen dient te geschieden overeenkomstig de maatstaven die golden ten tijde van dat handelen (en dus niet overeenkomstig later ontwikkelde maatstaven). Dit is een algemeen aanvaard uitgangspunt en uit de rapportage van de experts in casu blijkt ook nergens dat zij van een andere opvatting zouden zijn uitge-gaan. De klacht mist inzoverre feitelijke grondslag.

De grief mist voorts belang op het punt van de kwestie dat in casu een academisch ziekenhuis in de zaak betrokken is, aange-zien in de rapportage van de experts een algemene beschouwing wordt gegeven en op generlei wijze onderscheid wordt gemaakt tussen gewone en acade-mische ziekenhuizen. Voor wat betreft het rapport van Prof.Visser zij toegegeven dat hij van oordeel is dat de verloskundige "niet heeft gehandeld in tegenspraak met dat wat binnen de beroepsgroep gebruikelijk was", maar dit neemt niet weg dat de experts Van Essen en Van Huis in hun rapportage dd 6 januari 1999 tot een ander oordeel zijn gekomen. Gelet op de uitvoeri-ge en (vergeleken met het rapport- Visser) zeer gedétailleerde uiteenzettingen van Van Essen en Van Huis heeft de Recht-bank terecht meer gewicht gehecht aan deze laatste rapportage. Grief I stuit daarop in al zijn onderdelen af.

5. Grief II richt zich tegen ro.4.3 van het vonnis waar de Rechtbank oordeelt dat sprake was van een beroepsfout. Geklaagd wordt dat de Rechtbank ten onrechte "temeer heeft laten klemmen" dat de verloskundige in een academisch (het Hof leest: ziekenhuis) werkzaam is. Voorts wordt geklaagd dat niet duidelijk wordt gemaakt welke nadere vragen door de verloskun-dige gesteld hadden moeten worden of welke relevante informatie verworven had moeten worden en tot welke (andere) conclu-sie dit geleid zou hebben. Ook geeft de Rechtbank niet aan vanuit welk perspectief omtrent kennis en ervaring van de verloskundige in casu wordt geredeneerd; was dat de zg."maat- verloskundige" of is rekening gehouden met toevallig aanwezige betere specifieke kennis en vaardigheid? De Rechtbank heeft niet gelet op de professionele standaard anno 1993, en een schuldverwijt is niet gepast indien de opleiding/begeleiding van verloskundigen destijds nog niet -over de gehele linie- het niveau had dat de expert blijkbaar gewenst acht. Aldus deze klachtenreeks.

6. Het Hof verwerpt deze grief op het punt van het "temeer laten klemmen" dat de verloskundige in een academisch ziekenhuis werkzaam was: in de opbouw van de ro.4.2/4.3 hanteert de Rechtbank (zie het begin van de 2e alinea van ro.4.3) het criterium van "een redelijk bekwaam en redelijk handelend verloskundige", en baseert de beslissing daarop; het feit dat de Rechtbank dat oordeel nog accentueert met een beroep op het academisch karak-ter van het AZL vormt een overweging ten overvloede, die de beslissing verder niet draagt.

Ook overigens kan deze grief niet slagen. De Rechtbank heeft in ro.4.2/4.3 op basis van het expertiserapport-Van Essen en Van Huis voldoende duidelijk aangegeven waarom het feit dat een neef van [geïntimeerden] als gevolg van een chromosomale afwijking gehandicapt is aanleiding had moeten vormen om over te gaan tot een zorgvuldige familie-anamnese en (eventueel) overleg met een klinisch geneticus. Dat zulks tot andere conclusies dan thans zou hebben geleid ligt voor de hand: kennelijk is de Rechtbank ervan uitgegaan dat dan (gezien de risico's van een handicap) geadviseerd zou zijn om tijdens de zwangerschap een daarop gericht onderzoek te verrichten en (al naar gelang de uitkomst daarvan) het laten plegen van een abor-tus in overweging te nemen.

7. De klacht dat de Rechtbank kennelijk criteria hanteert die uitgaan van een boven-normaal niveau van kennis en bekwaamheid wordt verworpen, omdat de Rechtbank in ro.4.3 uitdrukkelijk uitgaat van de maatstaf van een "redelijk bekwaam en redelijk handelend verloskundige", en dus juist uitgaat van een normaal niveau van kennis en bekwaamheid. De klacht dat niet in aan-merking genomen zou zijn wat in 1993 de professionele standaard inhield is in wezen een herhaling van grief I, die op dit punt al behandeld is in ro.4. Grief II faalt daarmee in al zijn onderdelen.

8. Grief III bestrijdt ro.5.1 van het vonnis, waar is overwogen dat de verloskundige jegens de moeder tekort is geschoten door inbreuk te maken op het (keuze)recht van de moeder om voor abortus te kiezen en uit dien hoofde schadeplichtig is. Geklaagd wordt dat het niet voorkomen van de geboorte van een gehandicapt kind slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van het intreden van ernstige invaliderende gevolgen zo groot is dat de verloskundige anders zou hebben moeten handelen, dat daarover niets is vastgesteld, en dat geenszins vaststaat dat de moeder van [de dochter] tot abortus zou zijn overgegaan indien was doorverwezen naar een klinisch geneticus. Verder houdt de klacht in dat een abortus na prena-tale diagnostiek slechts beoogt ernstig leed voor het betref-febnde kind en het betreffende gezin te voorkomen, en dat zo'n abortus niet mag plaatsvinden op grond van financiële belangen en vermogensrechtelijke gevolgen, die in elk geval niet naar de verloskundige mogen worden overgeheveld.

9. Deze klacht ziet eraan voorbij dat het verwijt van de Rechtbank aan de verloskundige juist is dat in casu (gezien de problemen in de familie, zoals die vermeld zijn op de zwangerschapskaart van AZL,Prod.1/CvA) een niet te verwaarlozen risico op ernstige handicaps aanwijsbaar was (zie ro.4.2 van het vonnis) en dat desniettemin is nagelaten om prenatale diagnostiek aan te bieden en/of een klinisch geneticus in te schakelen. Als gevolg daarvan heeft ook geen verder onder-zoek plaatsgevonden tijdens de zwangerschap, zodat de chromosomale afwijking in casu niet tijdig werd ontdekt. Zijdens appellanten is bij pleidooi voor de Rechtbank erkend dat ervan kan worden uitgegaan dat de moeder van [de dochter] tot een abortus zou zijn overgegaan indien bij onderzoek tijdens de zwangerschap aan het licht zou zijn gekomen dat de vrucht beschadigd was (aldus ro.1.8 van het tussenvonnis dd 2 juli 1997).

Blijkbaar wensen appellanten thans in hoger beroep op deze gerechtelijke erken-tenis terug te komen, maar tevergeefs: een derge-lijke volledige ommezwaai van de oorspronkelijk verweerder levert een gedekt verweer op in de zin van art.348 Rv en wordt daarom door het Hof niet toegelaten. Bovendien acht het Hof het gezien de omstandigheden van dit geval ook alleszins aannemelijk dat de moeder van [de dochter] inderdaad tot abortus zou zijn overgegaan indien zij destijds geweten had hoe groot de kans op ernstige beschadiging van de vrucht was. Zelfs appellanten onderschrijven dit elders in de MvG zèlf door op blz.10 MvG (toelichting grief V) te stellen "dat de Rechtbank terecht heeft overwogen dat [de dochter] hoogstwaarschijnlijk niet geboren zou zijn als (Hof: de verloskundige) naar de klinisch geneticus zou hebben verwezen".

10. De posita betreffende de indicatie voor abortus missen feitelijke grondslag, omdat nergens in het vonnis blijkt dat de Rechtbank een en ander zou hebben miskend, terwijl in het dossier geen enkele grondslag valt aan te wijzen voor de gedachte dat bij de moeder van [de dochter] bij haar abortus-wens geldelijke motieven zouden hebben voorgezeten of een afweging omtrent vermogensrechtelijke gevolgen. Integendeel is aannemelijk dat bij de moeder bij haar stellingname op het punt van abortus puur gezond-heids-overwegingen met betrekking tot de baby praevaleerden. Dat het ter wereld (laten) komen van een gehandicapt kind in aanmerke-lijke mate ook op geld waardeerbare nadelen met zich brengt is duidelijk, en -indien sprake is van een beroepsfout- kunnen die gevolgen (anders dan de MvG beweert) binnen de grenzen van het geldend recht wel degelijk ten laste van de ver-loskundige worden gebracht. Grief III faalt daarom.

11. Grief IV houdt in dat de Rechtbank sub 5.3 van het vonnis ten onrechte impliciet heeft overwogen dat de vader deelneemt aan de beslissing tot abortus, althans dat de verloskundige inbreuk maakt op een keuzerecht van de vader op abortus. Betoogd wordt dat aan de vader geen actierecht terzake toekomt, noch contractueel noch wettelijk.

Deze grief stuit af op gebrek aan belang: nu de Rechtbank in de ro.6.9/6.10 uiteindelijk de vordering van de vader wegens immateriële schade heeft afgewezen -en het Hof blijkens de beslissing in het incidenteel appèl op dit punt niet tot een andersluidend oordeel zal komen- zijn appellanten door ro.5.3 niet in hun belangen geschaad.

12. Grief V is gericht tegen ro.5.5 (het Hof leest: 5.4) van het vonnis en klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [de dochter] immateriële schade lijdt doordat zij gehandicapt ter wereld is gekomen. Betoogd wordt in de toelichting dat de vrucht nooit anders dan gehandicapt is geweest, zodat appellanten daaraan part noch deel hebben, en dat het vonnis onbegrijpelijk is omdat enerzijds de actie van de moeder zou kunnen slagen, terwijl anderzijds de vordering van [de dochter] zelf door de Rechtbank wordt afgewezen in ro.6.6.

Wat daar verder van zij, ook deze grief mist belang omdat de Rechtbank in ro.5.4 nog slechts inleidende beschouwingen houdt, waarop vervolgens in ro.6 wordt voortgebouwd, en omdat de Rechtbank uiteindelijk in ro.6.6 de actie van [de dochter] heeft afgewezen, wat een voor appellanten gunstige beslissing is. Voor wat betreft de door appellanten aangevoerde argumenten die tegen toekenning van immateriële schade aan [de dochter] pleiten, verwijst het Hof naar ro.36 t/m 38.

13. Grief VI keert zich tegen ro.6.2 van het vonnis, waar is overwogen dat voor toerekening van schade als gevolg van de beroepsfout van de verloskundige in beginsel voldoende is dat door de desbetreffende fout een risico is geschapen dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Geklaagd wordt dat hier de zogenaamde "omkeringsregel" wordt toegepast, maar dat AZL niet eens tot tegenbewijs is toegelaten, terwijl van tevoren onzeker is wat bij deze chromosomale afwijking de aard en de ernst van de handicaps zal zijn. Daarom had de Rechtbank moeten overgaan tot een proportionele schadetoerekening, dan wel had zij de schade moeten schatten met toepassing van art.6:97 BW. In elk geval is art.6:98 BW onjuist toegepast, omdat de aard van de schade en de aansprakelijkheid meebrengen dat de be-weerde schade niet toerekenbaar is aan de beweerde fout van de verloskundige.

14. Ten aanzien van de "omkeringsregel" stelt het Hof voorop dat deze regel ingevolge de recente arresten van HR 29 novem-ber 2002, RW 2002 nrs 190/191,(zie daarover ook Van Maan-en, NTBR februari 2003,p111/116, alsmede Drion en Van Wechem NJB 7 maart 2003 p461/462) niet mag worden toegepast indien ondui-delijk-heid bestaat omtrent de toedracht van het ongeval, en evenmin indien niet aannemelijk is gemaakt dat de gestelde schade het gevolg is van de gestelde fout. Het Hof is van oordeel dat in casu de toedracht van het gebeuren duidelijk is en dat tevens aannemelijk is dat de gestelde schade het gevolg is van de gestelde fout: immers de verloskundige heeft geen zorgvuldige familie-anamnese uitgevoerd en niet naar de klinisch geneticus verwezen, terwijl dat wel had moeten gebeuren; indien de verloskundige naar de klinisch geneticus had verwe-zen zou abortus zijn gevolgd, zou het kind dus niet geboren zijn en zou de gezondheidsschade zich dus ook niet hebben voorgedaan.

Dat brengt mee dat de "omkeringsregel" wèl toepasselijk is, evenzeer als de HR aannam in HR 21 februari 1997,NJ 99/145 CJHB ("Wrongful Birth"), en dat voor het causaal verband en de toerekening ex art.6:98 BW in casu in beginsel voldoende is dat door de medische fout een risico is gescha-pen dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt.

De Rechtbank behoefde ook geen tegenbewijs toe te laten terzake van de precieze aard en de ernst van de te vrezen handicaps, omdat de kans op ernstige afwijkingen in casu in elk geval zo groot was dat tot abortus zou zijn besloten indien het risico van dergelijke handicaps destijds zou zijn onderkend (zie hierboven, ro.9).

15. Er bestaat geen grond voor een "proportionele schadevergoeding" waar die schade geheel door de handelwijze van de

verloskundige in de hand is gewerkt, noch is er reden voor een "schatting" van de schade waar die kan worden berekend op een wijze die niet wezenlijk afwijkt van die welke bij andere medische claims gangbaar is. Onduidelijk is waarom de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade hier in de weg zouden staan aan de toerekening in de zin van art.6:98 BW: het niet-verwijzen naar een klinisch geneticus heeft toch als alleszins voorzienbaar gevolg dat een aanmerkelijke gezond-heidsschade kan worden geleden. Onder die omstandigheden is een meer restrictieve causaliteitstoerekening (zoals de MvG kennelijk nastreeft) bepaald niet geïndiceerd. Grief VI faalt daarmee in al zijn onderdelen.

16. Appellanten voeren vervolgens in hun grief VII aan dat de Rechtbank ten onrechte in ro.6.3 heeft geoordeeld dat de kosten van opvoeding en verzorging van [de dochter] tot het 21e jaar onmiskenbaar vermogensschade vormen, en dat die schadepost toewijsbaar zou zijn op basis van HR 1 (het Hof leest: 21) februari 1997,NJ 99/145 CJHB. De parallel met dat arrest is onjuist, en het is onduidelijk waarom de schadeposten na het 21e jaar toewijsbaar zijn en dan in een schadestaatprocedure aan de orde zouden moeten komen, aldus deze grief.

In de toelichting wordt geklaagd dat het inconsequent is om enerzijds de actie van het kind zelf af te wijzen, en vervol-gens de actie van de ouders betreffende kosten van opvoeding en verzorging toe te wijzen, waarbij appellanten wijzen op een (op het internet gepubliceerde) uitspraak van het Britse House of Lords van 25 november 1999 inzake MacFarlane/Tayside Health Board (Scotland). LUMC werpt samengevat tegen dat de norm die beweerdelijk geschonden is door de geboorte van een aanvankelijk gewenst kind, niet beschermt tegen de op het gezinsbudget drukkende normale lasten van opvoeding van dat kind, en dat terzake van de extra lasten verwezen wordt naar grief VIII.

17. Bij de beoordeling van deze klachten kan aan appellanten worden toegegeven dat het geciteerde arrest van 1997 uiteraard niet rechtstreeks toepasselijk is op een casus als hier thans aan de orde is: "wrongful birth" en "wrongful life" vormen afzonderlijke leerstukken en het is uiteraard iets anders of een gezond kind wordt geboren, dat echter niet was gepland, dan wel een gehandicapt kind wordt geboren, dat anders het levenslicht niet zou hebben aanschouwd. De -terechte- parallel die de Rechtbank trekt is evenwel hierin gelegen dat in beide gevallen als gevolg van een medische beroepsfout een kind geboren is dat zonder die fout niet geboren zou zijn, met alle (ook financiële) gevolgen vandien.

In casu moet ervan worden uitgegaan dat [de dochter] zonder de medische beroepsfout niet zou hebben bestaan, zodat er dan ook geen kosten van opvoeding en verzorging zouden zijn gemaakt. Nu [de dochter] wèl (en zwaar gehandicapt, zie over de multiple pathologie van [de dochter] de brief van de kin-derarts Maaswinkel-Mooy van het AZL dd 2 augustus 1996, Prod.2/Repliek) ter wereld is gekomen moeten aanzienlijke kosten van opvoeding en intensieve verzorging worden gemaakt, die moeten worden aange-merkt als vermogensschade, voortvloeiend uit een bij het kind aanwezig gezondheidsmanco. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat die schade tot het 21e jaar geleden zal worden door de ouders, op wie ex art.1:395a BW terzake een onder-houds-plicht rust (de leeftijdsgrens van 21 jaar wordt daar uitdrukkelijk genoemd); vgl.ook HR 21 februari 1997, NJ 99/145.

Datgene wat de Rechtbank overweegt over de eventuele schadeposten na het 21e levensjaar is ten overvloede overwogen, nu de Rechtbank zelf overweegt dat de kwestie van toekomstige schade thans niet aan de orde is, maar later in een eventuele schadestaatprocedure kan worden gevorderd. Gegeven het feit dat [de dochter] (geboren 1994) eerst in het jaar 2015 de 21-jarige leeftijd zal bereiken is de beslissing van de Rechtbank ook zonder meer begrijpelijk en te billijken.

18. Voor wat betreft de klacht dat voor de vorderingen terzake van "wrongful life" eenzelfde juridisch regime moet gelden ten aanzien van de claims van de ouders en het kind zèlf kan het Hof met appellanten meegaan, maar dan in een geheel andere richting dan appellanten bepleiten: zowel aan ouders als aan kind moet die vordering worden toegekend.

Onjuist is de stelling dat de geschonden norm niet de strekking heeft om ook vergoeding voor de normale kosten van levensonderhoud mogelijk te maken: nu bij correct medisch hande-len [de dochter] het levenslicht niet zou hebben aanschouwd vallen ook die normale kosten van levensonderhoud aan te merken als vermogensschade, zie ro.17 hierboven. Uit art. 6:163 BW is niet af te leiden dat via dat artikel in casu een engere begrenzing van de aansprakelijkheid zou kunnen worden bereikt dan via art.6:98 BW. Grief VII wordt daarom verworpen.

19. Grief VIII klaagt vervolgens dat de Rechtbank in ro.6.4 ten onrechte vergoeding heeft toegekend terzake van de extra kosten voor medische behandeling, alsmede de kosten ten behoe-ve van [de dochter] ter verzachting van het leed tengevolge van de invaliditeit en de daarmee samenhangende extra kosten voor de rest van het gezin. In de toelichting wordt erop gewezen dat er terzake van gehandicapte kinderen in Nederland een veelheid aan voorzieningen bestaat, als bijv. de TOG (Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen), het Persoonsgebonden Budget, de WAJONG (Wet Arbeidsongeschikt-heidsvoorziening Jonggehandicapten), de WVG (Wet Voorzieningen Gehandicapten), de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) en Bijzondere Bijstand. Die voorzieningen heeft de wetgever toereikend geoordeeld, zodat er daarnaast geen plaats is voor extra schadeverhaal, ook niet in het kader van een schadestaatprocedure. Appellanten achten het onaanvaardbaar dat de extra kosten aan de invaliditeit van [de dochter] verbonden levens-lang ten laste van de verloskundige zouden zijn.

20. Deze grief ziet eraan voorbij dat de Rechtbank heeft veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat terzake van alle schadeposten die de Rechtbank toewijsbaar heeft geoordeeld, niet alleen terzake van de extra kosten van invaliditeit. Bedragen, terzake van de extra schade uitgekeerd op basis van de door appellanten genoemde sociale voorzieningen

kunnen in het kader van de schadestaatprocedure in de berekening van die schade verdisconteerd worden, zodat die schade dan mogelijk betrekkelijk gering zal blijken te zijn.

Dat kan evenwel geen grond opleveren om die vordering (strekkend tot schadevergoeding, op te maken bij staat) niet toewijsbaar te achten. Ook het enkele feit dat de scha-deposten mogelijk een lange looptijd zullen hebben staat niet in de weg aan de toewijs-baarheid daarvan: de ervaring leert immers dat zulks in geval van invaliditeitsschade meermalen voorkomt, en het valt niet in te zien waarom een langlopende schade na een aantal jaren verder voor rekening van de gedupeerde zelf zou zijn, zoals appellanten blijkbaar voorstaan. Het beroep op art.6:98 BW kan daarbij ook niet overtuigen, nu aan de schade in casu -zoals in ro.15 reeds overwogen- een alleszins voor-zienbaar karakter toekomt. Grief VIII kan daarom niet slagen.

21. Grief IX is gericht tegen ro.6.5 van het vonnis, betref-fende de kosten van psychiatrische behandeling van de moeder. LUMC betoogt dat deze kosten niet toewijsbaar zijn omdat ze mogelijk gedekt zijn onder enige ziektekostenverzekering, omdat ze niet toerekenbaar zijn gezien art.6:98 BW, en gezien de Schutznormleer, waar immers geldt "dat de bescherming van aspirant-ouders bij besluitvorming rond selectieve abortus niet zover behoort te gaan dat deze ook bescherming biedt tegen de kosten van bezoek aan een psychiater."

22. Ook ten aanzien van deze klacht stelt het Hof voorop dat de Rechtbank over de omvang van deze schadepost in ro.6.5 nog niets heeft vastgesteld, en dat in de schadestaatprocedure ook aan de orde kan komen of op die schadepost mogelijk uitkerin-gen van een assuradeur in mindering komen. Inzoverre heeft LUMC thans geen belang bij de klacht en is die praematuur.

Bij de vraag of deze soort schade toerekenbaar is op basis van art.6:98 BW is van belang dat de moeder van [de dochter] zich langdurig (in elk geval tot mei 1997) onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen omdat de situatie van de gehandicapte [de dochter] haar sterk heeft aangegrepen. Het Hof wijst op de boven al vermelde brief van de kinderarts Maaswinkel-Mooy van het AZL dd 2 augustus 1996. Daarin is o.m. vermeld dat [de dochter] ernstig geretardeerd is en motorisch functioneert op de leeftijd van ca.12 maanden (terwijl zij dan 2½ jaar oud is). Het kind heeft autistische trekken, leeft erg in haar eigen wereld, en herkent haar ouders niet. Het kind spreekt nog niet, eet nog steeds babyvoeding. Een geplande voetoperatie moest tweemaal worden uitgesteld wegens luchtweginfecties; als gevolg daarvan kan [de dochter] nog niet lopen. Het kind lijdt aan tonsillitis en mist gehoorgangen, ziet scheel en lijdt aan microfthalmie aan beide ogen; een oog wordt afgeplakt. Lengte en gewicht van [de dochter] zijn onvoldoende (77cm, 8,2 kg). Cardiaal is er nog sprake van lichte restvalvulaire pulmonaalstenose. Zij moet endocarditis profylaxe hebben. In verband met obstipatieklachten krijgt [de dochter] Legendal. De afgelopen jaren is [de dochter] 9 keer opgenomen geweest wegens ontroostbaar huilen, in juli 1996 was het huilen dermate onhoudbaar dat een noodplaatsing in Crayenburgh is geregeld. Het lijkt dat [de dochter] met huilen reageert op lichamelijk onwel-bevinden.

De conclusie luidt dat sprake is van multiple pathologie bij een 2½-jarig meisje met een chromosomopathie.

23. De aldus geschetste medische situatie van [de dochter] is van dien aard dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat [de dochter] er bepaald deerniswekkend aan toe is. Dat een moeder, die uiteraard hoopte op een gezonde baby, als reactie op de dagelijks confrontatie met deze langdurige en indringende problematiek gees-telijk instort en professionele psychiatrische hulp zoekt is naar algemene ervaringsregels geenszins ongewoon te noemen, en integendeel is hier sprake van een alleszins voor-zienbaar gevolg, dat dan ook toerekenbaar is in de zin van art.6:98 BW.

Ook het beroep op de Schutznormleer (het Hof leest: art.6:163 BW) faalt: toekenning van schadevergoeding wegens kosten van psychiatrische behandeling als in casu op grond van schending van een medische beroepsnorm ligt binnen de juridische actieradius van die norm. Dat is het geval omdat die norm (zoals ook al in ro.18 is overwogen) in beginsel bescherming biedt tegen alle schade die aan de laedens ex art.6:98 BW kan worden toegerekend, hetgeen het geval is. Grief IX faalt daarom.

24. In Grief X wordt aangevoerd dat de Rechtbank in de overwegingen 6.7 en 6.8 ten onrechte immateriële schade van de moeder toewijsbaar heeft geoordeeld. Het gaat hier immers niet om het toebrengen van letsel, en gevolgen in de geestelijke sfeer (die een indirect gevolg zijn van het geconfronteerd worden met de toestand van [de dochter]) dienen dan voor eigen rekening te blijven, omdat ze niet passen bij de geschonden norm. Het Nederlandse recht kent geen smartengeld in geval van verdriet om verwonding/lijden van een naaste, en zuivere affectieschade komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Het enkele feit dat men zich onder psychiatrische behandeling stelt is onvoldoende, zolang zich geen erkend psychiatrisch ziektebeeld heeft gemanifesteerd, zie ook HR (het Hof leest: 13 januari 1995) NJ 97/366.

Er is volgens deze grief geen persoonsaantasting, direct veroorzaakt door de laedens. Het niet-benutten van de mogelijkheid van selectieve abortus kan niet worden aangemerkt als schending van een persoonlijkheidsrecht, evenmin als eventuele psychische belasting als gevolg van het bestaan van een kind of doorkruising van de gezinsplanning.

25. Deze grief stelt aldus de vraag aan de orde of de Recht-bank terecht vergoeding van immateriële schade aan de moeder heeft toegekend. Art.6:106 BW lid 1 sub b stelt in dat verband de eis dat de benadeelde "in zijn persoon is aangetast". De Rechtbank heeft een dergelijke persoons-aantasting aanwezig geacht omdat (a) ernstig inbreuk is gemaakt op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder om al dan niet tot abortus over te gaan, (b) omdat de moeder dagelijks geconfronteerd wordt met het (zeer belastende) lijden van [de dochter], en (c) de moeder zich langdurig onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen. Die factoren bij elkaar vormen volgens de Rechtbank een zeer uitzonderlijke situatie, die ten aanzien van de moeder de kwali-ficatie "aantas-ting in de persoon" rechtvaardigt.

De Rechtbank heeft terecht aldus beslist, waarbij het Hof van oordeel is dat reeds enkel de factor (a), dus de inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht om (gezien de risico's van zeer ernstige handicaps) al dan niet tot abortus over te gaan, voldoende grond oplevert om aantasting in de persoon van de moeder aanwezig te achten. Die inbreuk is wel degelijk rechtstreeks aan de handelwijze van de verloskundige toe te schrijven, en -anders dan appellanten betogen- is hier duidelijk sprake van aantasting van een persoonlijkheidsrecht van de moeder: de beslissing om al dan niet een zwangerschap te ondergaan en al dan niet het kind te krijgen behoort immers tot de meest essentiële en fundamentele basisrechten van de vrouw. Grief X stuit reeds daarop af. Het Hof voegt er ten overvloede nog aan toe dat het bovenstaande nog temeer klemt nu de moeder zich onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen.

26. Grief XI klaagt dat appellanten ten onrechte in de kosten zijn veroordeeld, en dat de zaak ten onrechte naar de schade-staatprocedure is verwezen, waarbij verwezen wordt naar de voorgaande posita.

Aldus blijkt dat hier geen zelfstandige grief aan de orde is. De kostenveroordeling als zodanig is immers steeds een sequeel van de beoordeling van de verdere stellingen. Het Hof gaat dan ook verder aan deze grief voorbij.

27. Appellanten besluiten vervolgens hun Memorie van Grieven met een bewijsaanbod dat in diverse onderdelen uiteenvalt. In de eerste plaats wordt nader expertisebewijs aangeboden om aan te tonen dat destijds niet te verwachten was dat de betreffende chromosomale afwijking tot de handicap zou leiden die zich in casu heeft voorgedaan, waarbij wordt verwezen naar een brief dd 10 augustus 2000 van Prof.Bleker, gynaecoloog bij het AMC te Amsterdam. Voorts wordt te bewijzen aangeboden dat naar de heersende rechtsovertuiging in casu geen normschending aan de orde is die zich uitstrekt tot voorkoming van de soort schade zoals die thans wordt gevorderd, en dat een kind niet als schadepost mag worden gezien, ook niet als het gehandicapt is. Subsidiair wordt nog te bewijzen aangeboden dat een psychiatrische behandeling geen persoonsaantasting oplevert in de zin van art.6:106 BW

Het Hof zal op dit bewijsaanbod niet ingaan. Om met het laatste te beginnen: het subsidiaire bewijsaanbod mist belang omdat de beslissing van het Hof blijkens ro.25 hierboven niet wezenlijk is gebaseerd op psychiatrische behandeling als persoonsaantasting. Voor wat betreft de expertise is het Hof van oordeel dat het ruimschoots voldoende is voorgelicht door de rapportage die zich reeds in het dossier bevindt, en die een duidelijk beeld schetst van de puur-medische merites van de zaak; er bestaat dus geen behoefte aan hernieuwde expertise in de appèlfase.

28.Ten aanzien van de heersende rechtsovertuiging is het Hof van oordeel dat daar geldt dat "juridica non sunt probanda", en dat zuiver juridi-sche kwesties zich dus niet lenen voor be-wijslevering, maar alleen voor beslechting. Het kwalificeren van een gehandicapt kind als een "schadepost" vormt overigens een terminologie die het Hof voor rekening van appellanten laat, en waarvan het zich nadrukkelijk wenst te distantiëren: uit de geboorte van zo'n kind vloeien wel (in juridische zin) vermogensnadelen voort, maar het is ongepast het kind dan zèlf (ook) als "schadepost" te betitelen: een (gehandicapt) kind, eenmaal geboren, heeft nu eenmaal nog méér en andere facetten dan alleen economisch/juridische.

Aldus blijkt dat het prin-cipaal appèl over de gehele linie (inclusief bewijsaanbod) tevergeefs wordt aangevoerd. Appellanten zullen als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

DE GRIEVEN IN HET INCIDENTEEL APPEL

29. Het incidenteel appèl is gericht tegen het eindvonnis en formuleert daartegen drie grieven onder vermeerdering van de eis. Grief 1 bevat dan de klacht dat de Rechtbank het toenmalige AZL niet als partij bij de behandelingsovereenkomst heeft aangemerkt, maar ervan uitgaat dat die overeenkomst is geslo-ten met de verloskundige. LUMC heeft hierop bij incidentele MvA gereageerd met het verweer dat ook LUMC van oordeel is dat de overeenkomst is gesloten met AZL (Dupliek/13AA), zodat dit tussen partijen in confesso is.

Het Hof is van oordeel dat de grief feitelijke grondslag mist, omdat de Rechtbank niet zo heeft beslist als in de klacht beweerd wordt: er wordt ook niet aangegeven waar dit in het bestreden vonnis te vinden zou zijn. Nu LUMC op dit punt het standpunt van [geïntimeerden] deelt mist de grief bovendien verder belang en gaat het Hof daar thans aan voorbij.

30. De derde grief in het incidenteel appèl -die het Hof nu eerst behandelt- stelt dat de Rechtbank in ro.6.10 ten onrech-te de vordering tot vergoeding van de immateriële schade van de vader heeft afgewezen. De toelichting wijst er daarbij op dat ook de vader belanghebbende was bij de beslissing van de moeder om tot abortus over te gaan, en dat ook vader daarom rechtstreeks in zijn persoon is aangetast, omdat hij beperkt is in zijn recht om mee te beslissen over het al dan niet geboren (het Hof leest: worden) van een (gehandicapt) kind. Bovendien wordt ook de vader dagelijks geconfronteerd met het leed van het kind en de ernstige ontwrichting van het gezinsleven; verwezen wordt naar Rb Amsterdam 5 juli 1995, TvG/54.

31. Het Hof kan in dit betoog niet meegaan. Ongetwijfeld valt ook de vader als belanghebbende aan te merken als het gaat om een beslissing over abortus, maar het gaat te ver om aan te nemen dat de vader (enkel doordat hij daaromtrent niet heeft kunnen meebe-slis-sen) in de zin van art.6:106 BW "in zijn persoon is aangetast", zoals dat ten aanzien van de moeder wèl het geval is. Het blijft immers de vrouw die primair de zwangerschap (al dan niet) ondergaat, niet de man.

Het Hof realiseert zich dat het (gezins)leven van de man in aanmerkelijke mate -en langdurig- wordt overschaduwd door de problematiek die een ernstig gehandicapt kind met zich brengt. De aldus geleden schade moet echter gekwalificeerd worden als zogenaamde "affectieschade" (zelf lijden om wat een naaste te dragen heeft), welke naar thans geldend recht (nog) niet op basis van art.6:106 BW voor vergoeding in aanmerking komt.

32. Van belang is daarbij wel dat inmiddels door de Minister van Justitie een wetsvoorstel is ingediend dat -binnen zekere grenzen- ook vergoeding van affectieschade mogelijk maakt, zie het wetsvoorstel dd 6 februari 2003, TK 28 781, besproken in NJB 21 februari 2003,p401/403 en in WPNR 6523(2003)p200/201; zie over het hele vraagstuk recentelijk Hartlief,NTBR februari 2003, pp72/82. Wat daar echter van zij, het gaat de rechtsvor-mende taak van de rechter te buiten om op de komende regeling reeds thans vooruit te lopen. Het is immers thans niet bekend hoe de regeling er uiteindelijk uit zal zien, en juist het ingrijpen van de wetgever illustreert dat naar geldend recht een dergelijke vordering (nog) niet tot de juridische mogelijkheden behoort: anders was het wetsvoorstel immers niet nodig geweest. Grief 3 wordt daarom tevergeefs voorgesteld.

33. Resteert de incidentele Grief 2, die de klacht inhoudt dat de Rechtbank ten onrechte sub 6.6 van het eindvonnis de vorde-ring tot vergoeding van de immateriële schade van [de dochter] heeft afgewezen. Anders dan in eerste aanleg wordt namens [de dochter] thans uitdrukkelijk aangevoerd dat [de dochter] de verloskundige als veroorzaker van de fout thans inderdaad verwijt dat zij gebo-ren is, wat immers zonder de fout niet het geval was geweest.

[Geïntimeerden] stellen dat ro.5.4 van het vonnis onjuist is en dat het kind partij is bij de behandelingsovereenkomst met LUMC, omdat de moeder mede namens het nog ongeboren kind heeft gecontracteerd (art.1:2 BW, het ongeboren kind wordt -als zijn belang dat vordert- als reeds geboren aangemerkt). Onder verwijzing naar het arrest van HR 8 september 2000,(het Hof leest: NJ 2000/734,AAe863 ("Baby Joost") wordt gesteld dat [de dochter] partij was bij de behandelingsovereenkomst, en dat dus jegens het kind wanprestatie is gepleegd, leidend tot aansprakelijkheid ex art.6:74 BW. Subsidiair wordt aangevoerd dat de verloskundige in elk geval een zorgvuldigheidsnorm jegens [de dochter] heeft geschonden, ook als het kind geen partij bij de overeenkomst was; dan is er aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.

34. De grief bestrijdt voorts de beslissing van de Rechtbank betreffende het causaal verband, onder verwijzing naar HR 21 februari 1997, NJ99/145 en het arrest van de Franse Cour de Cassation dd 17 november 2000 inzake "Nicolas Perruche", waarin het causaal verband wèl is aangenomen. Ook aan het relativiteitsvereiste is voldaan omdat de geschonden norm wel dege-lijk strekt tot bescherming tegen schade als in casu door [de dochter] geleden. De eis tot schadevergoeding wordt voorts aldus vermeerderd dat [geïntimeerden] thans ook vergoeding eisen terzake van de materiële schade die het kind zal lijden, voorzover deze niet wordt vergoed aan de ouders. Aldus de incidentele grief 2.

Deze klachten zijn door LUMC uitgebreid weersproken, waarbij uitdrukkelijk bezwaar wordt gemaakt tegen de ommezwaai in de posita van [de dochter], vergeleken met de procedure bij de Recht-bank. Thans wordt immers gesteld dat [de dochter] de verloskundige wel degelijk verwijt dat zij is geboren, hetgeen onmogelijk in overeenstemming is te brengen met het in prima ingenomen standpunt en strijdig is met de eisen van een goede procesor-de. De behandelingsovereenkomst is gesloten met de ouders van [de dochter], en niet met [de dochter] zelf, want die bestond toen nog niet. LUMC spreekt tegen dat een zorgvuldigheidsnorm jegens [de dochter] zou zijn geschonden (relativiteitsvereiste). [de dochter] was volgens LUMC toen ook niet in staat om een afweging te maken terzake van de vraag of zij al dan niet geboren wilde worden, en LUMC keert zich principiëel tegen een "wrongful life-claim" als zodanig: de rechter mag niet beslissen dat het voor een gehandicapt kind beter zou zijn geweest in het geheel niet te bestaan, en de buitenlandse rechtspraak heeft dergelijke vorderingen ook vrijwel steeds afgewezen. Bij pleidooi is dit nog aangescherpt met een beroep op het feit dat buitenlandse wetgevers dergelijke claims recentelijk zelfs uitdrukkelijk hebben verboden.

35. Bij de beoordeling van dit debat stelt het Hof voorop dat het aan [geïntimeerden] is toegestaan om posita uit de Recht-bank-fase te verbeteren en fouten te herstellen, omdat het hoger beroep juist ook daartoe dient. De ommezwaai die in de posita van [geïntimeerden] (inderdaad) aanwijsbaar is moet in dat kader worden beschouwd, en moet daarom toelaatbaar worden geacht. Dat is niet strijdig met ro.9 hierboven, omdat aan [geïntimeerden] als oorspronkelijk eisers in de procedure meer speelruimte toekomt dan aan de oorspronkelijk verweerders, hetgeen nu eenmaal voortvloeit uit het stel-sel van art.348 Rv. Het verweer van LUMC op dit punt gaat daarom niet op.

36. Dat [de dochter] ook zelf partij was bij de behandelingsovereenkomst volgt inderdaad uit art.1:2 BW en het geciteerde arrest inzake "Baby Joost", in onderling verband en samenhang bezien: de ouders hebben terzake gecontracteerd mede ten behoeve van het nog ongeboren kind. Zou daarover al anders worden gedacht, dan zou dat LUMC niet kunnen baten, omdat op LUMC jegens [de dochter] in elk geval een zorgplicht rust, die beoogt haar belangen te bescher-men, ook als [de dochter] geen partij bij de overeenkomst zou zijn. Aan de overeenkomst tussen verloskundige en moeder is immers inhaerent dat de zorg van de verloskundige mede ten doel heeft om de belangen van de ongeborene te dienen. De ongeborene kan daaraan dan zonodig ook rechten ontlenen, zodat aan het relativiteitsvereiste is voldaan. De tegen ro.5.4 gerichte grief is op dit punt gegrond.

37. Ook tegen de beslissing terzake van het causaal verband wordt terecht opgekomen, omdat de Rechtbank daarbij te eenzij-dig is uitgegaan van een medisch-biologische visie. Uiteraard is onloochenbaar dat [de dochter] biologisch gezien een chromosomale afwijking had onafhankelijk van het gedrag van de verloskundige, maar de Rechtbank heeft miskend dat het erom gaat dat in casu de mogelijke aanwezigheid van die afwijking had kunnen worden onderkend middels het ten onrechte nagelaten genetisch onderzoek, zodat door tijdig (menselijk) ingrijpen de geboorte van een gehandicapt kind voorkomen had kunnen worden. Door die beroepsfout is dan ook in juridische zin de schade veroorzaakt waarvan thans vergoeding wordt gevorderd, en de toerekening van die schade op basis van art.6:98 BW is reeds gerechtvaardigd op grond van het feit dat de schade valt aan te merken als een alleszins voorzienbaar gevolg van de beroepsfout, die juist om die reden nooit gemaakt had mogen worden. De motivering van de Rechtbank in ro.6.6 kan dan ook -in het licht van de gewijzigde posita in hoger beroep- geen stand houden.

38. Dat [de dochter] zelf geen afweging kan maken terzake van haar al of niet bestaan is op zichzelf juist, maar die beslissing wordt namens haar door de ouders genomen, zoals bij abortus steeds het geval zou zijn geweest. Onterecht is daarom het aan de rechter gemaakt verwijt dat hij over leven en dood van het kind zou beschikken. Die beslissing is -met inachtneming van de terzake geldende wettelijke criteria- aan de ouders al-leen, en dat de ouders in casu tot abortus van [de dochter] zouden hebben besloten dient naar het oordeel van het Hof gerespecteerd te worden gelet op de ernstige risico's die destijds voor [de dochter] dreigden, en die zich later -blijkens het deerniswekkende relaas in ro.22 hierboven- ook op een pijnlijk duidelijke wijze hebben gerealiseerd. Dit brengt mee dat het Hof de mogelijk-heid van een "wrongful life-claim" in principe accepteert.

Het Hof realiseert zich daarbij dat over dit soort claims binnen (en buiten) Europa sterk verschillend wordt gedacht, en dat dergelijke claims soms zelfs door de wetgever zijn verbo-den, zoals bv in 2002 in Frankrijk is geschied, nadat de Cour de Cassation aanvankelijk de actie had toegelaten. Partijen hebben terzake een ware stortvloed aan rechts-vergelijkend materiaal geëta-leerd, waarop het Hof onmogelijk kan ingaan; verwezen zij voor een beknopt overzicht naar Hondius, NTBR augustus 2002, p-.398/-399. Wat daarvan zij, dit Hof is van oordeel dat er naar Nederlands recht (dat de actie wegens "wrongful birth" reeds kent) thans geen doorslaggevende argumenten bestaan om dergelijke claims geheel te willen belemmeren. Een eventuele limitering van de aansprakelijkheid (al dan niet via art.6-:110 BW) is hier aan de wetgever.

39. Nu het incidenteel appel grotendeels gegrond is moet de vermeer-derde eis aan [geïntimeerden] worden toegewezen, zodat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven; die vermeerderde eis -tegen de eiswijziging is op zichzelf geen bezwaar gemaakt- is met name ook van belang na de 21e verjaardag van [de dochter], omdat de materiële schade terzake van kosten van opvoeding en verzorging na het 21e jaar door [de dochter] zelf zal worden geleden, niet (meer) door haar ouders; deze schade dient nader te worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Nu LUMC het incidenteel appèl grotendeels heeft verloren wordt LUMC in de proces-kosten veroordeeld. Dit leidt tot het volgende dictum.

EINDARREST VAN HET GERECHTSHOF

------------------------------

IN HET PRINCIPAAL APPEL

-----------------------

-BEKRACHTIGT de bestreden vonnissen;

-VEROORDEELT APPELLANTEN in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op Euro 215,55 aan griffierecht en Euro 2313 aan salaris procureur; deze veroordeling is UITVOERBAAR BIJ VOORRAAD;

IN HET INCIDENTEEL APPEL

------------------------

-VERNIETIGT het bestreden eindvonnis van 2 februari 2000 voorzover in grief 2 van het incidenteel appel aangevochten, en opnieuw rechtdoende:

-VEROORDEELT LUMC EN [APPELLANTE 2] tevens om aan [geïntimeerden] (via een schadestaatprocedure) te vergoeden de immateriële schade van [de dochter] alsmede de materiële schade die [de dochter] zal lijden, voorzover deze niet wordt vergoed aan de ouders, vermeerderd met de wettelijke rente zoals op blz.9 van het vonnis dd 2 februari 2000 omschreven;

-ONTZEGT aan [geïntimeerden] het meer of anders gevorderde;

-VEROORDEELT LUMC EN [APPELLANTE 2] in de proceskosten van het inci-denteel appel, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op Euro 1156,50, UITVOERBAAR BIJ VOORRAAD;

ALDUS GEWEZEN door de mrs.Van Schellen, Welbedacht en Schmitz, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2003, in bijzijn van de griffier.