Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF5899

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2003
Datum publicatie
17-03-2003
Zaaknummer
2200380802
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200380802

parketnummer 1015010101

datum uitspraak 11 maart 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 10 juni 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 februari 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

dat hij in of omstreeks de periode van 1 september 2001 tot en met 05 november 2001 te Rotterdam en/of Lelystad en/of te Hilversum en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk per schip vanuit Venezuela, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 80 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, (verborgen in pallets),

immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk een of meer van de volgende handelingen verricht:

- een eenmanszaak opgericht en

- een faxapparaat gekocht en

- een loods gehuurd te Lelystad en

- meermalen contact onderhouden met INCA International (te Venezuela) over de bestelde/gefactureerde goederen en

- meermalen overleg gevoerd met [rederij/havenbedrijf] over de afhandeling van de container en

- meermalen informatie over het verloop van het transport van de container, inhoudende te Venezuela bestelde goederen, verstrekt aan een mededader en

- overleg gevoerd met een transportbedrijf [naam] (te Rotterdam) over het afleveren van de container en

- een vorkheftruck en een pompwagen gehuurd (bij verhuurbedrijf te Almere) en

- een (recipro) zaag(machine) gehuurd (bij verhuurbedrijf te Amsterdam);

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Naar het oordeel van het hof is algemeen bekend dat het zeer veel voorkomt dat harddrugs vanuit Zuid-Amerikaanse landen per schip, verborgen in of met goederen, Nederland worden binnengebracht.

De verdachte hield zich blijkens zijn uitlatingen bezig met de gedachte aan invoer van cocaïne. De verdachte is met een medeverdachte zakelijk in zee gegaan zonder de minste poging de achtergrond, betrouwbaarheid of verhalen van deze na te gaan, zelfs niet toen deze hem een zaktelefoon gaf, uitsluitend bestemd voor onderling gebruik. Voor zijn gedrag en ontmoetingen, in het bijzonder op 12 en 13 november 2001, heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven. Hij heeft geen verantwoording afgelegd over zijn betrekkingen tot 14 november 2001 met [naam], die na 12 november, met anderen als belanghebbenden, de verdachte en personen in zijn omgeving hebben bedreigd, hem verdenkend van het achteroverdrukken van cocaïne in de dagen voordat hun bleek van de inbeslagneming daarvan.

Uit deze houding in de gegeven omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte zich welbewust heeft laten gebruiken door dan wel bewust heeft meegewerkt met anderen die in het land van oorsprong het transport van de cocaïne naar Nederland hebben verzorgd.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Kaptein heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Bi j de verwezenlijking van dit transport heeft de verdachte een essentiële rol gespeeld.

Dit delict draagt bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd. Bovendien leidt de handel in verdovende middelen veelal tot samenhangende vormen van ernstige criminaliteit.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koning, Bijloos en Marquart Scholtz, in bijzijn van de griffier mr. Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2003.

Mr. Bijloos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.