Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF5483

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2003
Datum publicatie
10-03-2003
Zaaknummer
2200261902
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 247, geldigheid: 2003-02-18
Wetboek van Strafrecht 249, geldigheid: 2003-02-18
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2003-02-18
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2003-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer 0903782201

datum uitspraak 18 februari 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 27 mei 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 20 november 2002 en 4 februari 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 2 primair, 3 primair en 5 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest en is tevens de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd en voorts met beslissingen omtrent de vorderingenvan de benadeelde partijen als vermeld in het vonnis en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

2 primair en 3 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair en

4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

1.

dat hij meermalen in de periode van 1 januari 1996 tot en met 1 januari 1998 te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude, telkens met [slachtoffer 1], geboren op [datum] 1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit het betasten en/of likken van de vagina van die [slachtoffer 1];

2 subsidiair.

dat hij meermalen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 17 september 2001 te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude, telkens met [slachtoffer 2], geboren op [datum] 1991, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit het betasten en/of likken van de vagina en/of de borst van die [slachtoffer 2];

3 subsidiair.

dat hij meermalen in de periode van 1 september 2000 tot en met 17 september 2001 te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude en Oegstgeest, telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3], geboren op [datum] 1989, immers heeft hij telkens de vagina van die [slachtoffer 3] gelikt en/of betast en/of zich laten aftrekken door die [slachtoffer 3] en/of zijn penis door die [slachtoffer 3] laten betasten en/of zichzelf in de aanwezigheid van die [slachtoffer 3] afgetrokken;

4.

dat hij meermalen in de periode van 1 november 1986 tot en met 1 december 1989 te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude, telkens met [slachtoffer 4], geboren op [datum] 1982, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit het betasten van de vagina en het steken van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 4].

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 en 2 subsidiair: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

3 subsidiair : ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

4 : met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen, die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Strack heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met verpleging van overheidswege, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als vermeld in zijn vordering en oplegging van schadevergoedings-maatregelen.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft ontucht gepleegd met vier minderjarige meisjes. Drie van die meisjes heeft hij leren kennen in zijn dierenwinkel. Het vierde slachtoffer was het dochtertje van zijn zuster.

Hij heeft daarbij prioriteit gegeven aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens onder voorbijgaan aan de

kwetsbaarheid van deze kinderen.

Met betrekking tot deze door verdachte gepleegde zedendelicten kan als feit van algemene bekendheid worden aangenomen, dat met name jeugdige slachtoffers van dit soort delicten -zoals in het onderhavige geval- vaak nog lang ernstige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hun is overkomen.

Dit klemt des te meer als met slachtoffers -zoals in de onderhavige zaak- reeds op zeer jonge leeftijd gedurende een lange periode ontuchtige handelingen worden gepleegd, waarbij de verdachte er niet voor is teruggedeinsd om bij het onder 4 bewezenverklaarde feit op grove wijze misbruik te maken van de tussen hem en zijn nichtje aanwezige vertrouwensrelatie.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, een aantal malen tot voorwaardelijke vrijheidsstraffen is veroordeeld, terzake van soortgelijke misdrijven als de thans bewezenverklaarde. De verdachte heeft feit 4 gepleegd terwijl de proeftijd terzake van één van die veroordelingen nog niet was afgelopen en de verdachte deelnam aan een nazorgtraject na een ambulante daderbehandeling in verband met dat zedendelict.

Het hof is, gelet op de bewezenverklaarde feiten en de recidive, van oordeel dat -naast na te vermelden maatregel- een vrijheidsstraf van aanmerkelijke duur dient te worden opgelegd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van de uitgebrachte rapporten die het hof aanmerkt als adviezen als bedoeld in artikel 37, tweede lid, jo. 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht:

1. Het op 8 november 2001 omtrent de verdachte uitgebrachte rapport van dr. [naam], psychiater.

Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als conclusie en advies:

Bij psychiatrisch onderzoek blijken geen aanwijzingen voor psychopathologie in engere zin, wel komen uit het onderzoek duidelijke aanwijzingen naar voren voor pedofilie van het niet exclusieve type en voor cluster B en cluster C persoonlijkheidstrekken, met name afhankelijke en ontwijkende trekken en gebreken in de gewetensfuncties en de empathische vermogens.

Deze trekken zijn niet zodanig ernstig en uitgebreid dat van een persoonlijkheidsstoornis kan worden gesproken. Wel hebben deze trekken waarschijnlijk de controle op zijn pedofiele impulsen beperkt. Dientengevolge kan hij licht verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

De kans op herhaling is aanzienlijk verhoogd en kan het best worden verlaagd door de maatregel van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, inhoudende dat betrokkene verplicht wordt tot een liefst langdurige dagbehandeling, na een vrijheidsstraf, gevolgd door een zo frequent en intensief mogelijke poliklinische controle.

2. Het op 12 december 2001 omtrent de verdachte uitgebrachte rapport van [naam], gezondheidszorgpsycholoog, neuropsycholoog INS.

Het rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als conclusie en advies:

De persoonlijkheid wordt gekenmerkt door ontwijkende, narcistische en antisociale trekken, echter in onvoldoende mate om tot de diagnose persoonlijkheidsstoornis te komen. Er is sprake van pedofilie. Naar psychologische optiek beschouwd, wordt betrokkene enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Aangezien er een verhoogd risico op recidive is, wordt geadviseerd om aan betrokkene de maatregel tbs met voorwaarden op te leggen. De ervaring die door de Reclassering met betrokkene is opgedaan en het verhoogde recidiverisico is juist voor de Reclassering reden om geen verantwoording te nemen voor de uitvoering van een zodanige maatregel.

3. Het op 6 maart 2002 omtrent de verdachte uitgebrachte rapport van [naam] psychiater.

Het rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als conclusie en advies:

Een curieuze man, die met een schil van redelijkheid en rationaliteit een binnenwereld bedekt met daarin kinderlijke belevingen en een aan die leeftijd aangepast normbesef. De seksuele drang stijgt boven zijn verstandelijke beheersingstechnieken uit.

Psychotherapie, in welke vorm ook, zal zijn rationele weerstand alleen maar vergroten. Hij zal dientengevolge aangepast schijngedrag gaan vertonen, hetgeen de therapeut en gemeenschap in slaap sust, maar hij zal door de psychotherapie niet veranderen.

Een gewone gevangenisstraf sluit het meest bij zijn wereld van rationaliteit aan. Zo merkt hij het bestaan van een extern normbesef. Alleen op deze manier zal de kans op recidive positief kunnen worden beïnvloed.

4. Het op 28 februari 2002 omtrent de verdachte uitgebrachte rapport van [naam], psycholoog en seksuoloog.

Het rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als conclusie en advies:

Er is een lichte tendens tot de ontwijkende persoonlijkheids-stoornis. De symptomen zijn te licht om van een stoornis te kunnen spreken. Wel voldoet betrokkene aan de criteria voor pedophilia, wat inhoudt dat de erotische-seksuele aantrekkingskracht van pre-puberale meisjes sterk en duurzaam is. Tevens is er sprake van een lichte vorm van dissociatie en geheugenleemtes ten aanzien van zijn seksuele contacten. Dit is waarschijnlijk een symptoom van zijn -zeer langdurige- dubbelleven. In perioden van stress kunnen de fantasieën over meisjes leiden tot feitelijke (het hof begrijpt: lichamelijke) contacten met hen. Ondanks de therapie die betrokkene heeft gehad, maakt hij niet de indruk emotioneel inzicht te hebben in zichzelf of in de mogelijke motieven of gevoelens van de meisjes.

Uit psychologisch oogpunt verdient een onvoorwaardelijke straf aanbeveling. Een maatregel die een of andere vorm van behandeling inhoudt is niet adequaat. Betrokkene moet zelf hulp zoeken voor zijn emotionele onvermogen.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 mei 2002 afgelegde verklaring van de getuige-deskundige prof. dr. [naam], voorzover - kort samengevat - inhoudende, dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, het recidive-risico zeer hoog is, de eerder door de verdachte ondergane daderbehandeling incompleet is geweest en dat therapie het recidivegevaar kan verminderen. De pedofiele problematiek is gecompliceerd en moeilijk, en behoeft inmiddels zeer intensieve behandeling in een TBS-kliniek; daarna zal levenslange ambulante behandeling noodzakelijk zijn.

5. Het op 11 december 2001 omtrent de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport opgemaakt door

[naam], reclasseringswerker.

Het rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als conclusie en advies:

Aan een eventuele TBS met voorwaarden kan de reclassering niet mee werken. Zij heeft te weinig middelen om de verdachte goed en gecontroleerd te kunnen volgen.

Daarbij heeft zij ernstige twijfels over het feit dat de verdachte zich zal houden aan gemaakte (behandel)-afspraken. Om diezelfde reden kan de reclassering ook geen verantwoordelijkheid dragen voor een eventueel verplicht reclasseringscontact met een bijzondere voorwaarde.

Mocht de zaak wettig en overtuigend bewezen worden geacht dan willen wij u verzoeken om gelet op het grote recidivegevaar een maximale vrijheidsstraf op te leggen.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2003 afgelegde verklaringen van de getuigen-deskundige [naam] en [naam] voorzover

- kort samengevat - inhoudende, dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd is.

Voornoemde rapporteurs hebben allen geconstateerd dat de seksuele voorkeur van de verdachte uitgaat naar

pre-puberale meisjes en dat de drang om aan deze voorkeur toe te geven sterk en duurzaam is. Voorts constateren verschillende rapporteurs dat de verdachte zich op emotioneel niveau onvoldoende heeft ontwikkeld.

Dr. [naam] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2003 als getuige-deskundige verklaard dat in de psychiatrie en psychologie de term 'stoornis' slechts gebezigd wordt indien een persoon onvoldoende gedragsalternatieven vertoont.

Het hof is van oordeel dat de verdachte lijdt aan een stoornis in de zin van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, zich uitend in een sterke seksuele drang naar pre-puberale meisjes en een gebrekkige emotionele ontwikkeling. Dat deze stoornis niet in de lijst van medisch omschreven stoornissen voorkomt, maakt dit niet anders.

Naar het oordeel van het hof heeft de Reclassering zich in dit geval terecht op het standpunt gesteld dat zij de intensieve begeleiding die nodig is om recidive te voorkomen, niet kan bieden.

Op grond van de hierboven weergegeven conclusies, welke het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Door de rapporteurs is een hoge kans op recidive geconstateerd. Het hof is dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van een langdurige straf vereist, mede gelet op het advies van deskundigen dat zo'n straf de neiging tot terugval zal afremmen. Omdat de overgang naar de samenleving vervolgens moet worden begeleid en de verdachte belangrijke onderdelen van de therapie bij het ABJ heeft gemist, acht het hof aansluitend een terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk om de door dit missen ontstane leemte alsnog aan te pakken.

Nu de verdachte ten tijde van de nazorg van de door hem ondergane behandeling bij het ABJ te Leiden weer is gerecidiveerd wordt aangenomen dat het gevaar voor herhaling van de bewezenverklaarde feiten als door de verdachte begaan, tot een verpleging van overheidswege van de verdachte noopt.

Alles afwegend komt het hof tot de conclusie, dat de na te noemen straf en maatregel passend en geboden zijn.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de

advocaat-generaal is gevorderd.

12. Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben zich met betrekking tot het onder 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde de volgende benadeelde partijen gevoegd met daarbij vermeld de ingediende vorderingen tot vergoeding van geleden schade en de door de rechtbank toegewezen bedragen.

Benadeelde partij Vordering Rechtbank

(tll 2)[naam] € 500,- € 500,-

(tll 3)[naam] € 3.872,33 € 1.510,16

(tll 4)[naam] € 2.300,- € 1.500,-.

In hoger beroep is de vordering van [naam] aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag en zijn de vorderingen van [naam] en [naam] aan de orde tot de - in eerste aanleg toegewezen - gevorderde bedragen.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [naam] immateriële schade tot een bedrag van € 500,- heeft geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 2 subsidiair bewezenverklaarde.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [naam] aangetoond dat materiële schade tot een bedrag van € 10,16 is geleden alsmede immateriële schade en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 3 subsidiair bewezenverklaarde.

Het hof stelt het bedrag van de materiële schade op € 10,16 en de immateriële schade naar billijkheid vast op € 1.500,-.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij

zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [naam] aangetoond dat immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde.

Het hof stelt het bedrag van deze schade naar billijheid vast op € 1.500,-.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij

zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding zullen worden toegewezen tot de gevorderde bedragen.

Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen [naam], [naam] en [naam] tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt.

Bovendien ziet het hof aanleiding tot het opleggen van een verplichting tot betaling van een bedrag van in totaal € 3.510,16 aan de Staat ten behoeve van voornoemde slachtoffers, ieder voor het hem als benadeelde partij toegewezen bedrag.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 63, 247 (oud), 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1,

2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe tot de volgende bedragen.

(tll 2)[naam] € 500,-

(tll 3)[naam] € 1.510,16

(tll 4)[naam] € 1.500,-.

Verklaart de benadeelde partijen [naam] en [naam] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte om deze bedragen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partijen. Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in verband met hun vorderingen hebben gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van

in totaal € 3.510,16 ten behoeve van de slachtoffers, ieder voor het hem als benadeelde partij toegewezen

bedrag, welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van

ZEVENTIG DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 3.510,16 ten behoeve van de slachtoffers, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen van het bedrag van in totaal € 3.510,16 komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partijen de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koning, Silvis en Mos-Verstraten, in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 februari 2003.