Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF5475

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2003
Datum publicatie
10-03-2003
Zaaknummer
2200402502
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 1001101902

datum uitspraak 3 maart 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 september 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 februari 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis, alsmede met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

1. dat hij op 20 februari 2002 te Vlaardingen opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2. dat hij op 20 februari 2002 te Vlaardingen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk F.N. Browning, kaliber 7.65 millimeter voorhanden heeft gehad.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde levert op:

Moord.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, (oud) van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Voorzover de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een beroep heeft gedaan op psychische overmacht wordt dit verweer verworpen.

Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft gehandeld onder een zodanige psychische dwang dat van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij daartegen weerstand zou bieden.

Daarbij komt dat verdachte, direct voorafgaand aan genoemd feit, de confrontatie met [naam] heeft gezocht, zulks terwijl hij die confrontatie had kunnen vermijden, en terwijl hij redelijkerwijs kon voorzien dat het bij die confrontatie tot ernstig geweld tussen hem en [naam] zou kunnen komen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

9. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr Renckens heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, met onttrekking aan het verkeer van het voorwerp onder nummer 1 op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, alsmede met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.519,68, alsmede met oplegging van een schadevergoedings-maatregel tot een bedrag van € 8.519,68, subsidiair 170 dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het reeds geruime tijd voortslepende conflict tussen hemzelf en het slachtoffer, zijn ex-schoonvader, beslecht door met een vuurwapen een aantal kogels op hem af te vuren. Aldus heeft de verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. Door dit feit is de rechtsorde ernstig geschokt en is tevens aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht, waarbij het schrijnend is dat het slachtoffer de vader van de ex-vriendin van de verdachte is en de grootvader van het kind van de verdachte. Anderzijds is in aanmerking genomen dat het conflict betrekking had op de omgang tussen verdachte en zijn dochtertje en dat er de laatste maanden voor het feit een sfeer van ernstige bedreigingen over en weer was ontstaan.

Voorts was de verdachte onbevoegd een vuurwapen voorhanden te hebben. Tegen onbevoegd wapenbezit dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.

Het hof is - al het bovenstaande in aanmerking nemend - van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenis-straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

10. Beslag

Het voorwerp vermeld op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 1, waarvan een kopie aan dit arrest is gevoegd, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot dit voorwerp de onder 1 impliciet primair en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd i[naam]t en met het algemeen belang.

11. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van € 8.519,68.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het -in eerste aanleg toegewezen- bedrag van € 8.519,68.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

12. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.519,68 ten behoeve van het slacht[naam]]

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 (oud) en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 impliciet primair en 2 bewezen-verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp vermeld op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 1.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], tot het gevorderde bedrag van € 8.519,68 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.519,68 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van 170 dagen.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mrs Wurzer, De Groot en Schaar, in bijzijn van de griffier mr Couvret.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 maart 2003.

Mr Schaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen.