Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF4021

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
06-02-2003
Zaaknummer
BK-01/01224
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste enkelvoudige belastingkamer

28 januari 2003

nummer BK-01/01224

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende met betrekking tot de hierna te vermelden voorlopige aanslag.

1. Voorlopige aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is op 17 oktober 2000 voor het jaar 2000 een voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet Zelfstandigen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 41.200.

1.2. De tegen de voorlopige aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak van 15 maart 2001 afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 60. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 5 augustus 2002, gehouden te Den Haag. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof het onderzoek van de zaak heropend en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is sinds begin februari 1997 als militair ambtenaar in de rang van luitenant in dienst bij defensie. Op grond van artikel 90a van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) is hij verzekerd voor geneeskundige verzorging door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst. Hij is daarvoor premie verschuldigd.

3.2. Van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 heeft belanghebbende naast zijn dienstverband bij defensie een onderneming onder de naam 'A' geëxploiteerd. Belanghebbende heeft ter zake van deze werkzaamheden in het jaar 2000 een negatief resultaat behaald.

3.3. Belanghebbende is in het jaar 2000 ter zake van de voor de onderneming verrichte werkzaamheden aan te merken als zelfstandige in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de WAZ).

3.4. Belanghebbende heeft voor het jaar 1999 verzocht om een voorlopige teruggaaf in de inkomstenbelasting, uitgaande van een belastbaar inkomen van ƒ 33.204.

3.5. Aan belanghebbende is een verklaring verzonden dat hij vanaf 1 januari 2000 verplicht is verzekerd ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet), waarbij de Inspecteur is uitgegaan van de op 1 oktober 1999 bij de belastingdienst bekende gegevens. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt.

3.6. Aan belanghebbende is op 17 oktober 2000 voor het jaar 2000 een voorlopige aanslag premie Ziekenfondswet Zelfstandigen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 41.200 (aanslag-nummer 000.000.000.S.00), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van 15 maart 2001 door de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 25 april 2001, ingekomen bij het Hof op 2 mei 2001, beroep ingesteld. Op 21 augustus 2001 heeft de Inspecteur evengenoemde aanslag vernietigd en vervolgens op 27 september 2001 een tweede voorlopige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 30.592 (aanslagnummer 000.000.000.S.01).

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur aan belanghebbende terecht een voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet Zelfstandigen heeft opgelegd, welke vraag de Inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beant-woordt.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Het beroep is tevens gericht tegen de voorlopige aanslag die met aanslagnummer 000.000.000.S.01 op 27 september 2001 is opgelegd. Het bestreden besluit berust niet op een wettelijke grondslag. Het is niet draagkrachtig gemotiveerd. Het besluit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidbeginsel en evenredigheidsbeginsel genomen. Het is in strijd met de bedoeling van de wetgever. Bij de ziekenfondsverzekering als zelfstandige wordt premie betaald over het inkomen dat belanghebbende als militair verdient. Belanghebbende gaat er financieel op achteruit.

Belanghebbende betaalt tweemaal premie voor een ziektekostenverzekering terwijl er maar één keer een aanspraak op verstrekkingen tegenover staat. Artikel 12 van de Wet verhindert dat hij ter zake van zijn verzekering als zelfstandige aanspraak kan doen gelden op vergoeding van ziektekosten. Belanghebbende doet een beroep op de regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 februari 2002,Z/F-2256046, Stcrt. 2002, 48, (hierna: de Regeling) waarbij op verzoek van de verzekerde de uit hoofde van artikel 15a, lid 1, van de Wet verschuldigde premie wordt verminderd tot nihil in het geval van samenloop van de ziektekostenverzekering ingevolge artikel 90a van het AMAR en artikel 3d van de Wet. Aan deze Regeling dient terugwerkende kracht tot het jaar 2000 te worden toegekend.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak en de voorlopige aanslag.

5.2. De conclusie van de Inspecteur strekt tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De Inspecteur heeft op 21 augustus 2001 de eerste voorlopige aanslag (aanslagnummer 000.000.000.S.00) verminderd tot nihil. Op dat moment had belanghebbende reeds bij het Hof beroep ingesteld tegen de afwijzende uitspraak op bezwaar betreffende die voorlopige aanslag. Vervolgens heeft de Inspecteur op 27 september 2001 een nieuwe voorlopige aanslag opgelegd (aanslagnummer 000.000.000.S.01). Laatstgenoemde voorlopige aanslag is een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarvoor geldt dat het op grond van artikel 6:19, lid 1, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, in het kader van het beroep in de beoordeling wordt betrokken. Ten aanzien van de eerste voorlopige aanslag heeft belanghebbende thans geen belang meer.

6.2. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 461, waarbij de zelfstandigen in het ziekenfonds zijn opgenomen (Kamerstukken II, 1998/9, 26 553, nr. 3, blz. 3 en nr. 5, blzz. 2 en 6), is de ziekenfondsverzekering, ook voor zelfstandigen, een verzekering van rechtswege. De omstandigheid dat, naar belanghebbende stelt, een verklaring ingevolge artikel 3d van de Wet is verstrekt op 9 november 1999, op welk moment dit artikel en de aanverwante artikelen nog niet in werking waren, doet niet eraan af dat na de inwerkingtreding van deze artikelen met ingang van 1 januari 2000 van rechtswege sprake kan zijn van een verzekering.

6.3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende aan de in artikel 3, lid 1, van de Wet gestelde voorwaarden (verzekerd zijn ingevolge artikel 1, lid 1, van de WAZ en een inkomen dat niet meer bedraagt dan ƒ 41.200) voldoet. De tekst en de parlementaire geschiedenis van de Wet, noch de tekst en de toe-lichting van de ministeriële regeling geven dan enig aanknopingspunt om belanghebbende niet als verplicht verzekerde en premieplichtige voor de ziekenfondsverzekering aan te merken.

6.4. Ingevolge artikel 3d, lid 4, van de Wet wordt voor de toepassing van lid 1 en lid 3 van dat artikel onder inkomen verstaan: het inkomen bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen (Kamerstukken II, 1998/9, nr. 26 553, nr. 5, blz. 10) het belastbare inkomen tot maatstaf te nemen teneinde te bepalen of de zelfstandige is verzekerd voor de Wet en niet de winst uit onderneming, aangezien eerstgenoemd begrip de draagkracht van de betrokkenen het best weergeeft. Een dergelijke keuze is voorbehouden aan de wetgever. Het is de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid hiervan te beoordelen. De grief van belanghebbende dat hij er door de invoering van artikel 3d van de Wet financieel op achteruitgaat, stuit op het in 6.2 overwogene af. Bovendien is door de wetgever uitdrukkelijk onderkend dat bepaalde groepen van zelfstandigen er financieel op achteruit zullen gaan en is zulks door de wetgever uitdrukkelijk aanvaard (ididem, nr. 3, blz. 8/9 en nr. 5, blz. 17 t/m 19).

6.5. Het Hof heeft bij brief van 15 augustus 2002 partijen in de gelegenheid gesteld in te gaan op de Regeling. Het is in dat stadium van het geding (nacorrespondentie) niet meer mogelijk geheel nieuwe standpunten aan te dragen die geen betrekking hebben op deze Regeling. Het Hof laat daarom de in dat stadium ingenomen stellingen van de gemachtigde van belanghebbende omtrent het ondernemerschap van belanghebbende en het onverbindend zijn van de zogenoemde startersregeling in de Regeling tijdvak en inkomen buiten beschouwing.

6.6. Belanghebbende is militair in werkelijke dienst en is verzekerd voor geneeskundige verzorging aan hem verleend door of vanwege de voor hem aangewezen geneeskundige dienst ingevolge artikel 90a van het AMAR.

6.7. In artikel 12 van de Wet is bepaald dat een verzekerde aan de in de Wet geregelde verzekering geen aanspraak kan ontlenen indien en voorzover hij ingevolge een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen regeling recht heeft op geneeskundige behandeling of vergoeding van de kosten. In het Besluit voorrang hebbende regelingen ziekenfondsverzekering (hierna: Besluit) is geregeld dat een ziekenfondsverzekerde geen aanspraak heeft op de in de Wet geregelde verzekering indien en voorzover hij recht heeft op geneeskundige behandeling volgens het AMAR. Op verzoek van de verzekerde vermindert de Inspecteur na controle ingevolge de Regeling de uit hoofde van artikel 15a, lid 1, van de Wet verschuldigde premie tot nihil in het geval van samenloop van de ziektekostenverzekering ingevolge artikel 90a van het AMAR en artikel 3d van de Wet. In artikel 2 van de Regeling is vermeld dat deze terugwerkt tot en met

1 januari 2002.

Blijkens de toelichting op de Regeling verloopt de procedure inzake het hiervoor vermelde verzoek overeenkomstig de voor de heffing en invordering van de inkomstenbelasting geldende regels, zoals reeds neergelegd in artikel 15a, lid 3, van de Wet.

Het Hof heeft, gelet op deze toelichting, in het onderwerpe-lijke geding niet de bevoegdheid reeds een beslissing te geven op het verzoek. Het is aan de Inspecteur om eerst op dat verzoek te beslissen in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking.

6.8. Op grond van het vorenoverwogene is het gelijk te dezen aan de Inspecteur.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 28 januari 2003 door

mr. Van Walderveen. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Postema.

W.g. Postema, Van Walderveen.

Aangetekend aan

partijen verzonden: 28 januari 2003.

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.