Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF3464

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
2200268902
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200268902

parketnummer 1009127501

datum uitspraak 28 januari 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 25 oktober 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 januari 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld, dat het hoger beroep niet gericht is tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Uit het ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep gehouden onderzoek zijn de navolgende - voor de bewijsvraag relevante - feiten en omstandigheden naar voren gekomen:

1. op en rond 17 oktober 2001 bestond wereldwijde onrust naar aanleiding van het feit dat zich in de Verenigde Staten van Amerika - kort na de terroristische aanslagen op onder meer het World Trade Center d.d. 11 september 2001 - diverse gevallen van miltvuurbesmetting voordeden, sommige met fatale afloop, welke besmetting vermoedelijk opzettelijk was veroorzaakt middels de via brieven en pakketten verspreide Anthrax-bacterie;

2. op eerstgenoemde datum heeft verdachte een op de centrale computer voor externe mail bij het bedrijf Petrol Systems & Services te Ridderkerk ingekomen e-mailbericht, afkomstig van de aan dat bedrijf verbonden veiligheidsfunctionaris B., met een daarbij gevoegd bestand met informatie over Anthrax, ter kennisgeving doorgezonden naar het interne mailadres van elke bij Petrol Systems & Services werkzame medewerker;

3. bedoeld e-mailbericht - in de aanhef B. als afzender en Petrol Systems & Services als ontvanger vermeldende - is aldus onder meer ontvangen door de vestigingsleider Van der Z., welke kort daarna van de inhoud van dat bericht en het daarbij behorende bestand kennis heeft genomen;

4. verdachte heeft het e-mailbericht vanaf de centrale computer - en mitsdien met vorenbedoelde aanhef - tevens geprint, als ook het bestand, houdende informatie over Anthrax;

5. verdachte heeft daarop een ongefrankeerde envelop geadresseerd aan "Petrol Systems & Services, ter attentie van de vestigingsleider";

6. de daarbij door verdachte gebezigde term "vestigingsleider" is een slechts intern binnen Petrol Systems & Services gebruikte functie-aanduiding van eerder genoemde Van der Z., welke aanduiding buiten dat bedrijf niet wordt gehanteerd;

7. na de envelop op de hiervoor omschreven wijze te hebben geadresseerd, heeft verdachte het geprinte exemplaar van het e-mailbericht met bijbehorend bestand in die envelop gestopt en daaraan vervolgens de inhoud van twee staafjes melkpoeder toegevoegd;

8. het lag in de bedoeling van verdachte om met deze envelop, bij wijze van "aanschouwelijke grap", het kantoor van Van der Z. binnen te lopen, uit de envelop het melkpoeder - dat voor Anthrax moest doorgaan - te laten lekken en daarbij tegen Van der Z. te zeggen: "Sterk, we hebben net een mailtje binnen en kijk eens wat ik binnenkrijg" of woorden van een dergelijke strekking;

9. toen bleek dat Van der Z. in bespreking was, heeft verdachte de envelop met plakband dichtgeplakt en onbeheerd achtergelaten tegen een plint in de nabijheid van de deur van het kantoor van Van der Z.;

10. verdachte heeft vervolgens zijn collega's Br. en Ten O. over de door hem met Van der Z. uit te halen "grap" ingelicht;

11. Na afloop van de bespreking heeft Van der Z. de aan hem gerichte envelop opgepakt en geconstateerd dat bij het oprapen een wit poeder van de envelop af dwarrelde en dat in de envelop datzelfde witte poeder en het hem bekende e-mailbericht van B., met informatie over Anthrax, zat;

12. Van der Z. was op dat moment geschrokken en boos en heeft zich daarop met de envelop met inhoud tot het hoofd van de administratie De G. gewend, waarna Van der Z. een zakje met melkpoeder op een schoteltje heeft gedaan en beiden die melkpoeder hebben vergeleken met het witte poeder in de envelop;

13. beiden zijn vervolgens tot de conclusie gekomen dat het melkpoeder veel op het in de envelop aanwezige poeder leek;

14. Van der Z. dacht daarop aan een "zieke grap" maar 100 % zeker was hij niet;

15. veiligheidshalve heeft Van der Z. de envelop toch naar het politiebureau te Ridderkerk gebracht, zonder daaraan binnen zijn bedrijf verdere ruchtbaarheid te geven;

16. bij het in het politiebureau aanwezige publiek en dienstdoende personeel is vrees voor besmetting met het Anthrax-virus ontstaan, waarop de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen, de technische recherche is ingeschakeld en de zogeheten procedure "GBO Noble Eagle" in werking is gesteld, via welke procedure diverse instanties van het aantreffen van een envelop, mogelijk bevattende Anthrax, bij Petrol Systems & Services op de hoogte zijn gebracht.

De vraag of bij Van der Z., die de envelop naar het politiebureau heeft gebracht, sprake is geweest van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord. Het wettig en overtuigend bewijs, dat Van der Z. zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld dan wel dat de handelwijze van de verdachte van dien aard is en onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat iemand in de positie van Van der Z. zich bedreigd heeft kunnen voelen, is niet geleverd. Uit de door Van der Z. gedane aangifte en aanvullende aangifte blijkt dat hij in eerste instantie schrok en boos was, vervolgens al snel dacht dat hij met een "zieke grap" te maken had en de envelop slechts naar het politiebureau heeft gebracht om het zekere voor het onzekere te nemen en geen onnodige paniek onder de medewerkers van Petrol Systems & Services te veroorzaken. Uit die aangifte en aanvullende aangifte - mede bezien in relatie tot met name de onder de punten 3, 5, 6 en 11 beschreven omstandigheden - vloeit evenmin voort dat door de handelwijze van de verdachte ook bij een ander redelijk denkend mens in de positie van Van der Z. op enig moment de - voor een bewezenverklaring van het op voormeld wetsartikel gebaseerde tenlastelegging vereiste - vrees zou kunnen ontstaan voor een min of meer ernstige inbreuk op zijn persoonlijke veiligheid. De omstandigheden waaronder de envelop tegen een plint in de nabijheid van de deur van het kantoor van Van der Z. is achtergelaten wijzen daarvoor immers te zeer in de richting van een, zij het buitengewoon misplaatste, grap.

Waar het de medewerkers van Petrol Systems & Services betreft, kan vooreerst worden vastgesteld dat, buiten de met name in de tenlastelegging genoemde Van der Z., slechts Br., Ten O. en De G. van het bestaan van meerbedoelde envelop met inhoud op de hoogte zijn geweest. Dat Br. en Ten O. zich door de handelwijze van verdachte op enigerlei wijze bedreigd hebben gevoeld, is niet gebleken en ligt - gezien de onder punt 10 weergegeven omstandigheid - ook niet in de rede. Noch is er bewijs voorhanden dat De G. - die het in de envelop aanwezige poeder als eerste als melkpoeder meende te herkennen en bij Van der Z. de idee heeft doen postvatten dat laatstgenoemde wel eens het slachtoffer van een "zieke grap" kon zijn - zich bedreigd heeft gevoeld dan wel onder die omstandigheid redelijkerwijze bedreigd heeft kunnen voelen.

Het antwoord op de vraag, of medewerkers van de politie, (overige) in het politiebureau te Ridderkerk aanwezige personen, medewerkers van GBO Noble Eagle en/of medewerkers van de technische recherche zich door de handelwijze op de nader in de tenlastelegging omschreven wijze bedreigd hebben gevoeld en ook redelijkerwijze konden voelen, kan in het midden blijven, aangezien - zo dat antwoord al bevestigend zou luiden - een dergelijk gevolg naar het oordeel van het hof in een dermate ver verwijderd verband tot de handelwijze van verdachte staat dat hij dat gevolg in redelijkheid niet kon en behoefde te voorzien en derhalve niet voldaan is aan de voorwaarde dat hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat één of meer van deze personen zich bedreigd zouden voelen.

Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en verdachte daarvan mitsdien moet worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlaste-gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.P. von Brucken Fock, L.A.J.M. van Dijk en P.J. van der Flier,

in bijzijn van de griffier mr. Berkepeis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 januari 2003.