Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:729

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2003
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
2200355102
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 139 Sr.

Wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen.

Geldboete € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200355102

parketnummer 0909044502

datum uitspraak 10 april 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 juli 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [dag] 1962 te [plaats],

adres: [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 27 maart 2003.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3 Procesgang

3.1

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, waarvan € 150,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.2

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4 Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5 Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

6 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8 Gevoerde verweren

8.1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van deze terechtzitting gehechte pleitnotities het verweer gevoerd –zakelijk weergegeven- dat de toepassing van artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht niet tot een veroordeling kan leiden omdat niet is gebleken dat de vordering aan de verdachte om zich te verwijderen is gedaan door een ambtenaar. Naar de mening van de raadsman moet dit leiden tot vrijspraak van de verdachte.

8.2

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht is niet slechts hij die ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet. Evenmin wordt het begrip ambtenaar begrensd door het bepaalde in artikel 84 van het Wetboek van Strafrecht. Anders dan door de verdediging betoogd geeft dit artikel geen definitie van het (strafrechtelijke) begrip ambtenaar, maar veeleer voorbeelden (niet uitputtend) van personen die ook als ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht moeten worden beschouwd.

Bevoegde ambtenaar in de zin van voormeld artikel 139 is onder meer degene die, daartoe aangewezen door het bevoegde gezag, bezoekers de toegang tot of het verblijf in een lokaliteit kan ontzeggen. In dit geval was de beveiligingsbeambte daartoe bevoegd verklaard door het hoofd facilitaire dienst van de TU Delft. Een schriftelijk mandaat was niet nodig.

De door de raadsman verdedigde opvatting dat het zou moeten gaan om iemand, die een ambtseed heeft afgelegd, vindt evenmin steun in het recht.

8.3

De raadsman heeft overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van deze terechtzitting gehechte pleitnotities voorts het verweer gevoerd –zakelijk weergegeven- dat er geen sprake was van een wederrechtelijk vertoeven van de verdachte in de bibliotheek van de TU Delft. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat eerst nadat het tot een debat was gekomen aan de verdachte ter plekke een brief is getoond inhoudende dat aan de verdachte een ontzegging zal worden verleend en dat de verdachte geen toegang meer krijgt tot het gebouw, hetgeen duidt op een handeling welke in de toekomst nog verricht zou moeten worden.

8.4

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe dat wat er ook zij van de door de raadsman aangehaalde brief, uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt dat de daartoe bevoegde beveiligingsbeambte [naam] de verdachte diverse malen kenbaar heeft gemaakt dat hij niet welkom was en dat hij het gebouw diende te verlaten, doch dat de verdachte hieraan niet voldeed. Door hieraan geen gevolg te geven, bevond de verdachte zich zonder toestemming en derhalve wederrechtelijk in de bibliotheek. Het hof overweegt –hoewel ten overvloede- voorts dat op grond van de enkele mededeling van de bevoegde ambtenaar dat de verdachte op dàt moment niet naar binnen mocht de verdachte er redelijkerwijs van uit kon en moest gaan dat de ontzegging reeds op dat moment gold en er niet gewacht behoefde te worden op enig nader besluit aangaande de ontzegging, nu immers de betrokken brief geen melding maakte van enige nadere schriftelijke mededeling, die nog zou (moeten) volgen.

9 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen.

10 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11 Strafmotivering

11.1

De advocaat-generaal mr. Bonsel heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, waarvan € 150,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

11.2

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

11.3

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is de toegang tot de bibliotheek van de Technische Universiteit Delft ontzegd, omdat hij hinder veroorzaakte in de vorm van een onaangename lichaamsgeur als gevolg van het uittrekken van zijn schoenen. Aan die ontzegging waren al een eerdere verwijdering uit het gebouw en veel gepraat om de verdachte tot ander gedrag te brengen vooraf gegaan. Hij heeft geweigerd gehoor te geven aan de herhaalde vordering om het gebouw te verlaten. Daarmee heeft hij het belang van een ongestoord bezoek aan de bibliotheek door derden geschonden. Voorts heeft hij het recht van de eigenaar c.q. beheerder genegeerd om in voormeld belang een dergelijke ordemaatregel te nemen.

11.4

Een deels voorwaardelijke geldboete, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, zou in beginsel een passende straf zijn. De verdachte heeft zich enkele weken eerder wel laten verwijderen. Zijn weigering in het onderhavige geval lijkt vooral te zijn ingegeven door de discussie die hij meende te moeten voeren over de betekenis van een ter plaatse aan hem overhandigde brief. Het hof houdt het er dan ook voorshands voor dat het ging om een incident.

Teneinde enerzijds recht te doen aan het incidentele karakter van dit gebeuren en anderzijds de verdachte duidelijk te maken dat het dan ook bij één incident moet blijven zal het hof een geheel voorwaardelijke geldboete opleggen.

11.5

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 139 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van TWEEHONDERDENVIJFTIG EURO (€ 250,00), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van VIJF DAGEN.

Beveelt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Verheij, Van Bellen en Fleers, in bijzijn van de griffier mr. Van den Haak.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2003.

Mr. Fleers is buiten staat dit arrest te ondertekenen.