Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:728

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
105.000.349-02
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2013:1294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blootstelling gevaarlijke stoffen, werkgeversaansprakelijkheid, art. 7:658 BW, omkeringsregel. Vervolg op LJN:AA8369

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 26 maart 2003

Rolnummer 01/204

Rolnr. rechtbank: 2085/HA ZA 86-7147

Rolnr. Hoge Raad: C98/273HR

HET GERECHTSHOF TE ‘S-GRAVEN HAGE, derde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[appellant] ,

wonende te Gierle, België,

eiser,

hierna te noemen: [appellant] ,

procureur: mr. HC. Grootveld,

tegen

DE NEDERLANDSE UNILEVER BEDRIJVEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

hierna te noemen: Unilever,

procureur: mr. H.J.A. de Knijif

Het geding

Bij arrest van 18 september 2002 is een comparitie van partijen gelast voor overleg met partijen. Deze comparitie is gehouden op 12 november 2002 en is voortgezet op 10 januari 2003. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] stelt dat hij sinds einde 1978 een chronisch ziektebeeld heeft ontwikkeld door het omgaan met stoffen en materialen, met name chemicaliën en oplosmiddelen, die hij bij zijn werkzaamheden in opdracht van Unilever diende te gebruiken. De door [appellant] gestelde gezondheidsschade betreft: rhinitis, neuspoliepen, allergie, asthma, hyperreactiviteït van de luchtwegen en organo psychosyndroom. Hij vordert vergoeding van de door hem hierdoor geleden

schade.

In eerdergenoemd arrest heeft het hof overwogen dat de door [appellant] gestelde gezondheidsschade, alsmede de stelling dat [appellant] bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid schadelijke stoffen bewezen dient te worden. Voorts heeft het hof overwogen dat Unilever dient te bewijzen dat zij de in art. 7:658 eerste lid BW genoemde verplichtingen is nagekomen.

Partijen wensen dit bewijs te leveren door deskundigenbenchten te doen uitbrengen. Partijen hebben zich uitgelaten omtrent de te benoemen deskundigen, de te stellen vragen en de hoogte van het voorschot.

2. Gelet op de aard van de door [appellant] gestelde gezondheidsklachten acht het hof het geraden een longarts, een neuroloog en een kno-arts te benoemen.

Het hof acht het wenselijk dat deze deskundigen, ieder vanuit de eigen expertise, gezamenlijk een schriftelijk rapport uitbrengen ter beantwoording van de hierna geformuleerde vragen. De deskundigen dienen hun antwoorden met redenen te omkleden, onder meer door te verwijzen naar vindplaatsen en relevante literatuur. Het staat deskundigen vrij desgewenst nader expertise in te winnen, bijvoorbeeld van een allergoloog, toxicoloog of psychiater.


A. Lijdt [appellant] thans aan rhinitis, neuspoliepen, allergie, asthma, hyperreactiviteit van de luchtwegen en/of organo psychosyndroom, uitgaande van de medisch algemeen geaccepteerde definitie van en/of criteria voor deze aandoeningen?

B. In hoeverre heeft [appellant] hieraan geleden vanaf 1975 tot heden?


C. Wat zijn de eventuele gevolgen hiervan voor het functioneren van [appellant] op het persoonlijke en professionele vlak?

D. Ervan uitgaande dat [appellant] lijdt of heeft geleden aan één of meer van de onder A genoemde aandoeningen, wat is de ernst van deze aandoeningen vanaf 1975 tot op heden geweest? Hebben deze geleid tot (organische) schade?

E. Ervan uitgaande dat [appellant] lijdt of heeft geleden aan één of meer van de onder A genoemde aandoeningen, wat betekent blootstelling van [appellant] in de periode 1964-1984 aan nikkelzouten en oplosmiddelen in het researchlaboratorium van Unilever in Vlaardingen? Heeft deze blootstelling invloed gehad op het ontstaan en/of de ontwikkeling van de onder A genoemde

aandoeningen? Zo ja, welke invloed?

F. Ervan uitgaande dat [appellant] lijdt of heeft geleden aan één of meer van de onder A genoemde aandoeningen, wat betekent het gegeven dat [appellant] heeft gewerkt in een laboratorium waar de stoffen genoemd in productie 42, overgelegd door [appellant] bij de pleidooien in eerste aanleg, aanwezig waren voor de in A genoemde aandoeningen? Is er een verband en zo ja, welk? Volgt uit de eventuele aanwezigheid thans en/of in het verleden van de onder A genoemde aandoeningen dat [appellant] blootgesteld is geweest aan voor de gezondheid schadelijke stoffen in het research-laboratorium van Unilever?

G. Ervan uitgaande dat [appellant] lijdt of heeft geleden aan één of meet van de onder A genoemde aandoeningen, zouden de onder A genoemde aandoeningen in enigerlei mate ook hebben bestaan indien [appellant] niet aan de in vraag E en F bedoelde stoffen en materialen zou zijn blootgesteld dan

wel zou hebben gewerkt in een laboratorium waar deze stoffen niet voorhanden zijn?

H. Ervan uitgaande dat [appellant] lijdt of heeft geleden aan één of meet van de onder A genoemde aandoeningen, is er thans ten aanzien van de onder A genoemde aandoeningen sprake van een eindtoestand, of verwacht u een verbetering of verergering van de verschijnselen?

I. Ervan uitgaande dat [appellant] lijdt of heeft geleden aan één of meer van de onder A genoemde aandoeningen, wat is de aan de aandoeningen genoemd onder A verbonden blijvende invaliditeit van [appellant] , afgestudeerd aan de TH Delft in de richting Chemische Technologie, uitgedrukt in een percentage volgens de AMA-guide, 5e druk?

J. Geven uw bevindingen u voor het overige nog aanleiding tot het maken van opmerkingen?

3. In eerdergenoemd arrest heeft het hof overwogen dat Unilever dient te bewijzen dat zij de in art. 7:658 eerste lid BW genoemde verplichtingen is nagekomen. Het hof zal één deskundige benoemen ter beantwoording van de hierna geformuleerde vragen. De deskundige dient zijn schriftelijke antwoorden met redenen te omkleden, onder meet door te verwijzen naar vindplaatsen en relevante literatuur. Het staat de deskundige vrij desgewenst nader expertise in te winnen.

  • -

    Heeft Unilever jegens [appellant] in de periode 1964-1984 voldaan aan haar verplichting om ten aanzien van het verrichten van de arbeid door [appellant] ten behoeve van Unilever zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken en zodanige faciliteiten ter beschikking te stelten of aanwezig te hebben als redelijkerwijs noodzakelijk was om te voorkomen dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden ten behoeve van Unilever schade zou lijden in zijn gezondheid?

  • -

    Wilt u zich in ieder geval uitlaten over het nuttigen van eten en drinken in de ruimte 4456 (zie CvR blz 6), de deugdelijkheid van het veiligheidsbeleid en de uitvoering daarvan (zie CvR blz 8 en volgende), de bekendheid van het toepasselijke veiligheidsbeleid bij de sectieleider en groepsleider (zie pleitnota [appellant] blz 14) en het optreden van de bedrijfsgeneeskundige dienst (zie pleitnota [appellant] blz 16), alsmede het functioneren van de airconditioning dan wel luchtverversing en de zuurkasten?

  • -

    Indien u op enig punt zou menen dat Unilever niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichtingen, wordt u verzocht om daaromtrent gemotiveerd te rapporteren onder verwijzing naar het relevante tijdvak, de precieze aard van de tekortkoming en de mate van het daarbij betrokken risico voor gezondheidsschade van [appellant] .

  • -

    Geven uw bevindingen u voor het overige nog aanleiding tot het maken van opmerkingen? Zo ja, welke?

4. Aangezien de te benoemen deskundigen blijkens telefonische mededeling in dezen bereid zijn als deskundige op te treden en te rapporteren, zal het hof als na te melden beslissen.

5. Op de voet van art. 223 Rv (oud), thans 195 Rv dient [appellant] het voorschot ter zake van de te benoemen medische deskundigen en Unilever het voorschot van de deskundige op het gebied van, kort gezegd, de arbeidsomstandigheden te deponeren, welke voorschotten door dit hof zijn bepaald op respectievelijk € 1.200,--, inclusief BTW, voor ieder van de medische deskundigen (derhalve €3.600,-- in totaal) en €7.500,--, inclusief BTW, voor de deskundige op het gebied van de arbeidsomstandigheden.

Beslissing

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

A. beveelt een onderzoek door deskundigen ter beantwoording van de in overweging 2 geformuleerde vragen;

B. benoemt tot deskundigen ter beantwoording van de in overweging 2 geformuleerde vragen:

  • -

    dr. J.J.M. van den Bosch, longarts, p/a Stichting Sint Anthonius Ziekenhuis, Postbus 2500, 3430 EM Nieuwegein,

  • -

    dc. M.M. Veering, neuroloog, Pinksterbloemweg 5, 1861 XN Bergen (NH),

  • -

    dr. J.H. Hulshof, KNO-arts, Rapenburg 45, 2311 GG Leiden;

C. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de inoverweging 3 geformuleerde vragen;

D. benoemt tot deskundige ter beantwoording van de in overweging 3 geformuleerde vragen: drs. R. Visser, verbonden aan TNO-arbeid, p/a Postbus 718, 2130 AS Hoofddorp;

E. bepaalt dat de in B genoemde deskundigen hun werkzaamheden pas behoeven aan te vangen nadat [appellant] een bedrag van € 3.600,-- als voorschot ter griffie van dit hof heeft gedeponeerd door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] van de Gerechten in het Arrondissement Den Haag onder vermelding van “voorschot deskundigen inzake [appellant] /Unilever, rolnummer hof 01/204” en de griffier de deskundigen daarvan op de hoogte heeft gesteld;

F. bepaalt dat de in D genoemde deskundige zijn werkzaamheden pas behoeven aan te vangen nadat Unilever een bedrag van € 7.500,-- als voorschot ter griffie van dit hof heeft gedeponeerd door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] van de Gerechten in het Arrondissement Den Haag onder vermelding van “voorschot deskundigen inzake [appellant] /Unilever, rolnummer hof 01/204” en de griffier de deskundige daarvan op de hoogte heeft gesteld;

G. bepaalt dat de in B en D genoemde deskundigen hun/zijn schriftelijk, gemotiveerd en (door ieder van hen) ondertekende rapport, vergezeld van een declaratie uiterlijk vrijdag 1 juli 2003 aan de civiele griffie van dit hof, Prins Clauslaan 60 te ‘s-Gravenhage (Postbus 20302, 2500 EH) zullen doen toekomen, onder vermelding van: [appellant] /Unilever, rolnummer 01/204”;

H. bepaalt dat ieder van de deskundigen zijn onderzoek zelfstandig zal verrichten en dat hij in zijn rapport zal vermelden op welke wijze hij partijen in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, alsmede of van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt en, zo ja, wat deze opmerkingen en verzoeken inhouden, alsmede wat zijn reactie daarop is;

I. bepaalt dat, indien een partij schriftelijke opmerkingen aan een deskundige doet toekomen, deze partij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij dient te verstrekken;

J. bepaalt dat de griffier een kopie van dit arrest aan ieder van de deskundigen zal zenden;

K. bepaalt dat de procureur van [appellant] aan ieder van de in B genoemde deskundigen een kopie van alle gedingstukken zal zenden;

L. bepaalt dat de procureur van Unilever aan de in D genoemde deskundige een kopie van alle gedingstukken zal zenden;

M. verwijst de zaak naar de rol van donderdag 28 augustus 2003 voor memorie na deskundigenbericht, waarbij eerst [appellant] aan het woord zal zijn.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schellen, Michiels van Kessenich Hoogendam en Schmitz en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2003 in aanwezigheid van de griffier.