Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AO7073

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
345-H-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AS9035
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AS9035
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Status huwelijk en verbetering geboorte-akte niet door man erkend kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 15 mei 2002

Rekestnummer : 345-H-01

Rekestnr. rechtbank : 00-4850

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [x],

verzoeker in hoger beroep, tevens optredende als wettelijk vertegenwoordigster van haar [minderjarige][kind],

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.G.S.N. Asselbergs,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

zetelend te 's-Gravenhage,

verweerder in hoger beroep,

in persoon vertegenwoordigd door de heer H. Kokken,

hierna te noemen: de ambtenaar,

2. [benadeelde partij],

wonende te [x] (Japan),

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 25 april 2001 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 februari 2001.

De gemeente heeft op 4 september 2001 een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal heeft op 10 september 2001 schriftelijk geconcludeerd.

Van de zijde van vrouw zijn bij het hof brieven met bijlagen ingekomen gedateerd 9 mei 2001 en 18 juni 2001.

Op 19 september 2001 is de zaak mondeling behandeld. Aldaar zijn verschenen: de vrouw vergezeld door haar procureur en de heren J.C. Jansen Verplanke en H. Kokken namens de gemeente. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen , niet verschenen of vertegenwoordigd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende vast.

Tussen de man en de vrouw is op [datum] door de Imam M. Charaf in [x] (België) een huwelijk voltrokken. Zij hebben samengewoond. Op [geboortedatum] is uit de vrouw een meisje geboren. De man is de biologische vader van dit kind. De vrouw heeft op 20 juni 1997 de samenwoning verbroken met medeneming van het kind.

Volgens de op 6 februari 1995 door de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage opgemaakte geboorteakte luiden de voornamen v[kind] [achternaam], verder te noemen [kind]. Op haar geboorteakte staat geen geslachtsnaam vermeld. Op de akte staat als geslachtsnaam van de vader vermeld: [achternaam vader]. De man heeft aangifte gedaan van de geboorte van [kind]. Hij heeft haar naar Nederlands recht niet erkend. [kind] staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Leiden onder de ge[kind]s[achternaam]. Een voornaam staat in die administratie niet vermeld.

Op 9 augustus 2000 heeft de vrouw haar inleidende verzoek bij de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend. Zij verzocht de rechtbank, na wijziging bij aanvullend verzoekschrift en ter zitting, om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten dat de geboorteakte van [kind] als volgt wordt verbeterd:

- verwijdering van de vermelding dat [achternaam vader] de vader is,

- vermelding van de geslachtsnaam [achternaam],

- verwijdering van de voornamen [achternaam],

met veroordeling van de ambtenaar in de kosten van de procedure, gemachtigde-salaris daarin begrepen.

De ambtenaar heeft verweer gevoerd en de Officier van Justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het inleidende verzoek van de vrouw. De man is in eerste aanleg niet verschenen of vertegenwoordigd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen, onder compensatie van de proceskosten.

Op 12 maart 2001 heeft de Directeur van het Islamitisch Cultureel Centrum in [x] (België) een kennisgeving afgegeven, waaruit blijkt dat het tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk op 27 september 1993 is gelegaliseerd door de ambassade van Saoudi-Arabië te [x].

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw heeft zowel de Nederlandse als de Saoudi-Arabische nationaliteit. Zij staat en stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geregistreerd met de vermelding "geen huwelijk of geregistreerd partnerschap". Op 5 november 1990 is door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Delft op de geboorteakte van de vrouw de kantmelding geplaatst dat zij de geslachtsnaam [achternaam] voert, in overeenstemming met het recht van Saoudi-Arabië. Die kantmelding is inmiddels doorgehaald.

Ten aanzien van de man

De man heeft de Saoudi-Arabische nationaliteit. Ten tijde van de aangifte van de geboorte van [kind] was hij werkzaam als diplomaat bij de ambassade van Saoudi-Arabië in Nederland en stond hij derhalve niet geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Toentertijd stond de man bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken geregistreerd als gehuwd met de vrouw. Bij de aangifte van de geboorte heeft de man verklaard dat het tussen hem en de vrouw gesloten huwelijk is geregistreerd in Saoudi-Arabië.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de status van het huwelijk en de juistheid van de geboorteakte van [kind].

2. De vrouw verzoekt in hoger beroep:

- een verklaring voor recht te geven dat tussen de man en de vrouw geen huwelijk is gesloten, althans dat het tussen hen gesloten (religieuze) huwelijk non-existent is en dat niet gebleken is van enig ander (rechtsgeldig) huwelijk, subsidiair, het op [datum] in België tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk nietig te verklaren,

- een verklaring voor recht te geven dat er tussen de man en [kind] geen familierechtelijke relatie bestaat en dat [kind] derhalve de geslachtsnaam van de vrouw heeft, al dan niet met opdracht aan de ambtenaar om als geslachtsnaam van [kind] "Ruttink" te vermelden.

- de v[kind]e[achternaam] te wijzigen in [kind], althans de ambtenaar opdracht te geven de voornamen [achternaam] te verwijderen, omdat deze voornamen de achternaam is van de man,

met veroordeling van de ambtenaar in de proceskosten. Ter zitting heeft de vrouw haar subsidiaire verzoek tot nietig verklaring van het huwelijk gewijzigd in het verzoek dat het hof bepaalt dat het huwelijk naar Belgisch recht non-existent is.

2. De ambtenaar verzet zich tegen de verzoeken van de vrouw. De advocaat-generaal heeft schriftelijk geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3. Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of er naar Belgisch recht een huwelijk tot stand is gekomen. De vrouw heeft verklaard dat zij op [datum] een naar Saoudisch recht geldig huwelijk met de man heeft gesloten, dat dit enkel tot stand is gekomen door de huwelijksvoltrekking ten overstaan van de Imam, waarvan twee aktes zijn opgemaakt, te weten een Arabische en een Franse akte. De plechtigheid zou volgens de vrouw in de ambtswoning van de ambassadeur van Saoudi-Arabië hebben plaatsgevonden. Bij de stukken bevindt zich een kopie van een Arabische huwelijksakte, vergezeld van een Nederlandse vertaling van die akte alsmede een kopie van een franse huwelijksakte. Zowel uit de Nederlandse vertaling als uit de franse akte blijkt dat die akte(n) op [datum] zijn opgemaakt en onder nummer N 93023 is/ zijn opgenomen in het huwelijksregister van het Islamitisch Cultureel Centrum in België. Het hof is van oordeel dat de huwelijksvoltrekking ten overstaan van de Imam niet als een diplomatiek danwel consulair huwelijk is te beschouwen. De Imam, die blijkens de beide aktes toentertijd directeur van het Islamitisch Cultureel Centrum te België was, was immers geen diplomatiek danwel consulair ambtenaar. Hoewel de vrouw ter zitting heeft verklaard dat er voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking ten overstaan van de Imam geen burgerlijk huwelijk is gesloten, heeft zij wel verklaard dat zij ook een standaard formulier heeft getekend. De vrouw wordt verzocht alsnog een kopie van dit door haar ondertekende formulier in het geding te brengen. Haar stelling dat er geen burgerlijk huwelijk is ingeschreven in de Belgische registers van de burgerlijke stand heeft de vrouw niet met bewijsstukken onderbouwd. Zij wordt daartoe alsnog in de gelegenheid gesteld. Uit beide in het geding gebrachte akten valt af te leiden dat er, voorafgaand aan het religieuze huwelijk, wel een burgerlijk huwelijk/ civiel huwelijkscontract gesloten is, waarvan volgens de franse akte door de Saoudische ambassade een akte is afgegeven met kennelijk hetzelfde nummer als dat van de reeds overgelegde Franse en Arabische akten. Het hof heeft hieromtrent behoefte aan nadere inlichtingen. De vrouw wordt verzocht, indien zij daar zelf niet over beschikt, bij de Saoudische ambassade in België dan wel bij het Islamitisch Cultureel Centrum te België of op andere wijze een kopie van dit burgerlijk huwelijk/ civiel huwelijkscontract op te vragen en alsnog in het geding te brengen dan wel correspondentie met genoemde instanties over te leggen waaruit blijkt dat een dergelijk burgerlijk huwelijk/ civiel huwelijkscontract niet is gesloten alsmede over te leggen stukken waaruit het antwoord van de ambassade blijkt op de vraag of er voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking door de Imam tussen de man en de vrouw een huwelijk is gesloten ten over staan van een diplomatiek of consulair ambtenaar die volgens het recht van Saoudi-Arabië de bevoegdheid heeft om huwelijken te sluiten.

4. Op grond van het voorgaande dient als volgt te worden beslist.

VOORLOPIGE BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

houdt de zaak aan tot de pro forma zitting van zaterdag 31 augustus 2002;

verzoekt de vrouw vóór laatstgenoemde pro forma datum de stukken als genoemd in r.o. 3 over te leggen en in kopie aan de ambtenaar van de burgerlijke stand toe te zenden, desgewenst met een toelichting, waarop de ambtenaar in de gelegenheid wordt gesteld schriftelijk te reageren uiterlijk vóór 15 september 2002;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Duindam en Jansen, bijge-staan door mr. Oostveen als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 15 mei 2002.

Bij afwezigheid van de voorzitter

ondertekend door de oudste

raadsheer.