Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AI1320

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2002
Datum publicatie
21-08-2003
Zaaknummer
BK-01/01139
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten woon-werkverkeer. Gelijkheidsbeginsel. Vanwege niet voldoen aan de normvergoeding aan werkgever geen beroep op Hoge Raad 4 maart 1992, nr. 28 104, BNB 1992/168. Nu geen reisafstand resteert geen recht op aftrek kosten woon-werkverkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/21.2.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede enkelvoudige belastingkamer

13 februari 2002

nummer BK-01/01139

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 januari 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen namens de Inspecteur A. Van de zijde van belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. Hij is door de griffier bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging, verzonden op 21 december 2001 aan het adres a-straat 1 te Z, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Tijdens een telefonisch onderhoud van 31 januari 2002 met de griffier heeft belanghebbende verklaard de oproep in ontvangst te hebben genomen.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. De werkgever van belanghebbende heeft aan deze ten behoeve van het woon-werkverkeer een openbaar vervoerkaart verstrekt. Terzake daarvan heeft de werkgever een bedrag van (12 x ƒ 54) ƒ 648 op het door belanghebbende over 1998 genoten salaris ingehouden.

2. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 56.008. Belanghebbende heeft in zijn aangifte onder andere een bedrag van ƒ 2.530 ter zake van kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait) op zijn inkomen in mindering gebracht.

3. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de geclaimde aftrek gecorrigeerd en de aanslag, met inaanmerkingneming van eveneens niet in aftrek toegelaten buitengewone lasten van ƒ 5.400, vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 63.938. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen gehandhaafd en de heffingsrente tot nihil teruggebracht.

4. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de kosten van woon-werkverkeer heeft gecorrigeerd. Het antwoord van belanghebbende luidt ontkennend, dat van de Inspecteur bevestigend.

5. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling) juncto de artikelen 36, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden voor belanghebbende de kosten van woon-werkverkeer, gelet op de afstand woning-werk, gesteld op ƒ 1.500 per jaar. Aangezien belanghebbende niet een bijdrage van ten minste 70 percent van ƒ 1.500 is ƒ 1.050 voor de verkregen openbaar vervoerkaart heeft gedaan, kan niet op grond van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 4 maart 1992, nr. 28 104, BNB 1992/168 een inbreuk op de bepaling van artikel 1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling worden gemaakt, zodat tot de reisafstand niet wordt gerekend de afstand waarover vervoer vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt. Nu geen reisafstand in de zin van laatstgenoemde bepaling resteert, heeft belanghebbende geen recht op aftrek van de kosten van woon-werkverkeer. Bijgevolg heeft de Inspecteur de correctie terecht toegepast.

6. Naar 's Hofs oordeel verkeert belanghebbende niet in dezelfde situatie als een belastingplichtige die geen (openbaar) vervoer vanwege de werkgever geniet. In zoverre wordt het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur een begunstigend beleid heeft gevoerd voor gevallen als het zijne dan wel dat de Inspecteur in vergelijkbare gevallen uit het oogmerk van begunstiging geen correctie heeft toegepast, heeft hij geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de juistheid van die stellingen blijkt.

7. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 13 februari 2002 door mr. Vonk en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lader.

(Lader)

(Vonk)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.

nummer BK-01/01139 blz. 3/3