Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AF8745

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
20-05-2003
Zaaknummer
94-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 16 april 2003

Rekestnummer : 94-H-02

Rekestnr. rechtbank : 00.7752

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te Wassenaar,

verzoekster, tevens inciden-teel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M. Bruins,

tegen

[verweerder],

wonende te Wassenaar,

verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 4 februari 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 december 2001.

De man heeft op 6 februari 2002 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De vrouw heeft op 21 maart 2002 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brieven van 21 februari 2002 en 29 november 2002.

Van de zijde van de man zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief 25 november 2002. Voorts is van de zijde van de man bij het hof een faxbericht met bijlagen ingekomen op 29 november 2002.

Op 6 december 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: namens de vrouw mr. L.M. Bruins, advocate te 's-Gravenhage en de man, bijgestaan door mr. L.J.H. Gijbels, advocate te Rotterdam. De vrouw is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 28 september 1979, onder huwelijkse voorwaarden houdende "koude uitsluiting", met elkaar gehuwd. Zij hebben samen geen nog minderjarige kinderen.

Op 7 december 2000 heeft de man bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding ingediend. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank terzake het verzoek tot echtscheiding. Voorts heeft de vrouw zelfstandig verzocht te bepalen dat de man een alimentatie ten behoeve van de vrouw dient te betalen van ƒ 25.000,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte bijdrage.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen de partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken.

Bij die beschikking heeft de rechtbank verder de behandeling ten aanzien van de alimentatie ten behoeve van de vrouw pro forma aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een makelaar in te schakelen, dan wel ieder voor zich een makelaar te verzoeken de echtelijke woning te taxeren en nadere financiële gegevens van de nieuwe partner van de man over te leggen - waarop de vrouw binnen een periode van drie weken na 1 februari 2002 een reactie kan geven -, en zo mogelijk in onderling overleg tot overeenstemming te komen.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. Nadat de vrouw op 4 februari 2002 hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking waarvan beroep voor zover het betreft de echtscheiding, heeft de man in zijn verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel beroep ingesteld tegen die beschikking, zulks na afloop van de appèltermijn. Het hof heeft bij beschikking van 6 december 2002 de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding op de grond dat indien eenmaal door de eerste rechter de echtscheiding is uitgesproken, het hoger beroep slechts op grond van door de echtgenoot die het instelt aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden gebezigd, teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken.

2. Aangezien de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in het principaal hoger beroep voor zover het betreft de echtscheiding, dient het hof ambtshalve te bezien of de man in casu in zijn incidenteel appèl ontvankelijk is nu dit laatstgenoemde appèl is ingesteld na afloop van de appèltermijn. Het te dezen op grond van artikel VII lid 2 van de Wet van 14 december 2001, Stb. 2001, 580 toepasselijke artikel 429n lid 4 Rv(oud) biedt aan de wederpartij van degene die tegen een beschikking in appèl is gekomen, de mogelijkheid om na afloop van de appèltermijn alsnog van diens kant hoger beroep tegen die uitspraak in te stellen, welke mogelijkheid in zoverre aan beperking onderhevig is dat zich gevallen kunnen voordoen waarin aan de ontvankelijkheid van zodanig appèl in de weg staat dat het als eerste ingestelde hoger beroep geen effect kan sorteren. Te denken valt aan evidente gevallen van niet-ontvankelijkheid zoals het geval waarin het principaal appèl te laat is ingediend en het geval dat het appèlrekest nietig is. Dit leidt tot de vraag of de niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep tegen de echtscheiding een zodanige evidente grond is dat de man in zijn incidenteel appèl op grond van de niet-ontvankelijkheid in het principaal appèl, eveneens - ambtshalve - niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof is van oordeel dat de man, ook nu het principaal appèl enkel de echtscheiding zelf betreft, in zijn incidenteel hoger beroep ontvankelijk is. Aan dat oordeel ligt ten grondslag dat het niet steeds met voldoende mate van zekerheid vast te stellen is dat een tegen de echtscheiding

ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk is, ook niet als het appèl enkel de echtscheiding betreft. De rechtsonzekerheid die daardoor ontstaat is ongewenst. De hoofdregel dient daarom te worden gehandhaafd dat het incidenteel appèl als een zelfstandig appèl dient te worden beschouwd en - in beginsel - dus steeds ontvankelijk is, ook als het principale appèl niet ontvankelijk is.

3. De man heeft incidenteel appèl ingesteld tegen dat deel van de beschikking van 3 december 2001 dat betrekking heeft op de door die rechtbank ten nemen beslissing inzake de door de vrouw verzochte bijdrage in haar levensonderhoud ten laste van de man. Het gaat hier om een tussenbeschikking, zoals ook tussen partijen in confesso is. De man stelt dat hij in dat appèl ontvankelijk is - in weerwil van het bepaalde van artikel 429n lid 3 Rv(oud) - omdat door de vrouw principaal appèl is ingesteld tegen de deelbeschikking.

4. Het hof is van oordeel dat de man in zijn hoger beroep tegen de deelbeschikking niet ontvankelijk moet worden verklaard. Aan die beslissing ligt het navolgende ten grondslag. In de bestreden beschikking wordt een tweetal beslissingen gegeven die elk betrekking hebben op een verschillend verzoek, te weten het verzoek tot echtscheiding en het verzoek tot verstrekking door de man van levensonderhoud aan de vrouw. In dat geval is geen sprake van een zodanige samenhang tussen beide onderdelen, dat doorbreking van het verbod tot het instellen van hoger beroep tegen een tussenbeschikking geboden is. Daarbij is voorts van belang dat zich in een geval als het onderhavige niet het gevaar van tegenstrijdige beslissingen zal kunnen verwezenlijken. Gesplitste afdoening van de beide onderdelen kan onder omstandigheden zelfs wenselijk zijn.

5. Nu het hof in zijn beschikking van 6 december 2002 de vrouw in haar hoger beroep inzake de echtscheiding niet-ontvankelijk heeft verklaard, dient het hof te beslissen inzake het zelfstandig verzoek van de vrouw inzake - kort gezegd - het gebruik van de woning en inboedel aan de [adres], in eigendom toebehorende aan de man. De schrapping van het tot 1 april 1995 geldende tweede lid van artikel 827 Rv had blijkens de wetsgeschiedenis ten doel de mogelijkheid te openen dat verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen in de zin van dit artikel ook eerst in de loop van de procedure, en zelfs in hoger beroep gedaan zouden kunnen worden. Een beslissing op de voet van artikel 1:165 lid 1 BW is een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1, aanhef en sub d Rv. De vrouw is mitsdien ontvankelijk daarin.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE HOGER BEROEP

6. Met een beroep op artikel 1:165 BW verzoekt de vrouw te bepalen dat zij na ontbinding van het huwelijk bevoegd is de bewoning van de [adres] voort te zetten en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

7. De vrouw bewoont momenteel een woning aan de [adres], welke woning uitsluitend in eigendom toebehoort aan de man. De vrouw bewoont deze woning tezamen met de inmiddels meerderjarige zoon van partijen. De vrouw heeft uiteengezet dat, gezien de verhoudingen van partijen en de redenen waarom door partijen voor 'koude uitsluiting' is gekozen, de man op grond van de redelijkheid en billijkheid geen beroep zou mogen doen op de koude uitsluiting in de huwelijkse voorwaarden voor zover dat beroep zal resulteren in een situatie dat de vrouw geen enkel vermogen dan wel vermogensbestanddeel toebedeeld zal krijgen. De vrouw acht dit resultaat onredelijk en onbillijk, nu partijen gezamenlijk ten opzichte van derden de risico's die het zakendoen met zich brengen, wensen te beperken. Partijen

hadden aanvankelijk - reeds ten tijde van hun samenwoning voor het huwelijk - een eenmanszaak en later Sprint Elektronica B.V. Ten tijde van hun huwelijkssluiting hadden zij inmiddels drie B.V.'s, alle op het gebied van de elektronica. De vrouw is van mening dat alleen vanwege de mogelijkheden die hun huwelijkse voorwaarden boden via diverse fiscale constructies en door haar inzet, de man de overstap heeft kunnen maken naar het bedrijfsleven waar hij - aanvankelijk in Duitsland - een riant salaris heeft verdiend, en zijn vermogen - dat zeer aanzienlijk is - heeft kunnen opbouwen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het redelijk en billijk is dat aan haar de woning aan de [adres] wordt toegescheiden, redenen waarom zij in ieder geval voorlopig nog in die woning wil blijven wonen. Zij voert aan dat zij geen alternatief voor huisvesting heeft, zolang haar alimentatie nog niet is vastgesteld.

8. De man heeft het verzoek van de vrouw gemotiveerd weersproken. Hij heeft verzocht het verzoek van de vrouw tot voortgezet gebruik van de woning aan de [adres] af te wijzen. Partijen hebben op 1 januari 2000 de samenleving verbroken. Teneinde de vrouw in staat te stellen andere huisvesting te vinden, heeft de man ingestemd met tijdelijke bewoning door de vrouw van voornoemde woning. De vrouw bewoont de woning inmiddels twee jaar. Het hof gaat er vanuit dat - zoals de man reeds eerder heeft gesteld - hij nog steeds de aan deze woning verbonden lasten, inclusief financieringslasten voldoet, terwijl de vrouw de man geen gebruiksvergoeding betaalt. De man wenst de woning zo spoedig mogelijk te verkopen.

9. Niet aan de orde zijn de vermogensrechtelijke gevolgen van de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden, maar uitsluitend het voortgezet gebruik van de woning aan de [adres]. Gezien het feit dat de vrouw al vanaf het jaar 2000 in de woning aan de [adres] verblijft, heeft zij - naar het oordeel van het hof - voldoende tijd gehad om naar alternatieve woonruimte om te zien. Het hof acht het derhalve niet redelijk en billijk dat de vrouw het voortgezet gebruik van de woning en tot de behorende inboedel daarvan behorende zaken verkrijgt.

10. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van alimentatie ten behoeve van de vrouw;

wijst het verzoek van de vrouw tot voortgezet gebruik van de woning aan de [adres] en het gebruik van de bij deze woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Van der Burght, bijge-staan door

mr. Visser als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 16 april 2003.