Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AF8127

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
BK-02/01428
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

18 december 2002

nummer BK-02/01428

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.305.463, zonder toepassing van het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op een deel groot ƒ 888.602.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak is hij niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. Namens het hoofd van de eenheid Ondernemingen Q (de competente eenheid na competentiewijziging op 11 juni 2001) is een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 6 november 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was van 1982 tot begin 1999 in loondienst, uiteindelijk als directeur, werkzaam bij A B.V. te R. A is een onderdeel van B Plc., gevestigd in het Verenigd Koninkrijk.

3.2. Op 23 maart 1999 heeft A belanghebbende deelname aan de aandelenoptieregeling van B aangeboden. Belanghebbende heeft vervolgens deelgenomen aan de aandelenoptieregeling.

3.3. In het jaar 1998 werd een gedeelte van de opties onvoorwaardelijk. Belanghebbende heeft op dat moment dat gedeelte van zijn opties uitgeoefend. Het voordeel uit dien hoofde bedroeg in 1998 ƒ 888.602. Het optievoordeel is verwerkt in de loonadministratie van A; hierbij is het tabeltarief toegepast.

3.4. Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.305.463 en heeft verzocht om toepassing van het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet op het optievoordeel ad ƒ 888.602.

3.5. Bij de aanslagregeling is het belastbare inkomen conform de aangifte vastgesteld. De dagtekening van de aanslag was

26 september 2000. Het verzoek om toepassing van het bijzondere tarief is niet gehonoreerd.

3.6. De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft op 17 oktober 2000 een bezwaarschrift tegen de aanslag ingediend. Op 22 december 2000 heeft deze dit bezwaarschrift ingetrokken.

3.7. Met dagtekening 3 maart 2001 heeft belanghebbende opnieuw, nu zelf, een bezwaarschrift ingediend. Met dagtekening 20 april 2001 heeft de eenheid P het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaar van belanghebbende tegen het niet toepassen van het bijzondere tarief is door de eenheid aangemerkt als een verzoek om de aanslag ambtshalve te herzien. In de uitspraak op het bezwaar is tevens het ambtshalve oordeel van de eenheid opgenomen met betrekking tot dit verzoek.

3.8. Vervolgens heeft tussen belanghebbende en de Inspecteur uitvoerig telefonisch contact, correspondentie en op 8 februari 2002 een gesprek op de eenheid plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat het eerste bezwaar was ingetrokken en dat zou worden bezien of de aanslag ambtshalve kon worden herzien. Dit is in een brief van de Inspecteur met dagtekening 13 februari 2002 nog een aan belanghebbende medegedeeld. De aanslag is uiteindelijk gehand- haafd.

3.9. Het beroepschrift van belanghebbende is gedateerd 20 maart 2002. Bij binnenkomst van het beroepschrift ter griffie van het Hof heeft de griffier daarop een stempelafdruk geplaatst met de datum 21 maart 2002.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is primair in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep, subsi- diair of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar, meer subsidiair of het optievoordeel is te kwalificeren als inkomsten bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wet, zodat dientengevolge op het optievoordeel moet worden berekend aan de hand van artikel 15 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1964. Belanghebbende beantwoordt alle vragen bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak waarvan beroep, ontvankelijkverklaring van het bezwaar en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.305.463, waarvan een deel groot ƒ 888.602 is belast naar het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet en meest subsi-diair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen waarbij het optievoordeel is berekend aan de hand van artikel 15 van de Uitvoeringsregeling.

5.2. De Inspecteur heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in het beroep en sub- sidiair tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De termijn voor indiening van een beroepschrift bedraagt zes weken. Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn ter griffie is ontvangen. Bij verzen-ding per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Nu het Hof geen reden heeft om aan te nemen dat de dag van dagtekening van de uitspraak is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan, is de termijn in dit geval aangevangen met ingang van de dag na die van de dagtekening van de uit-spraak, te weten 20 april 2001, zodat de termijn voor het instellen van beroep eindigde met 1 juni 2001.

6.2. Nu het beroepschrift niet binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen, is het beroepschrift reeds daarom niet tijdig ingediend. Van omstandigheden op grond waarvan redelij-kerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in ver-zuim is geweest, is niet gebleken. Belanghebbende kan dus niet in het beroep worden ontvangen.

6.3. De onder 3.8. genoemde brief van de Inspecteur van 13 fe-bruari 2002 is geen voor beroep vatbare beschikking, zodat het beroep, ook indien belanghebbende heeft bedoeld zijn beroep hiertegen te richten, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6.4. Ten overvloede overweegt het Hof dat, indien belanghebbende wel in het beroep zou worden ontvangen, hem dit niet kan baten, nu het onder 3.7. vermelde (tweede) bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend. De Inspecteur heeft belanghebbende dan ook terecht niet-ontvankelijk in dat bezwaar verklaard.

6.5. Nu belanghebbende niet in zijn beroep kan worden ontvangen behoeven de subsidiaire stellingen van belanghebbende geen behandeling.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze uitspraak is vastgesteld op 18 december 2002 door mrs. Schuurman, Vonk en Visser. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Vink.

(Vink) (Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.