Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AF6621

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2002
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
BK-01/00726
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/49.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

21 mei 2002

nummer BK-01/00726

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastindienst, betreffende na te noemen aanslag.

1. Navorderingsaanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 118.049.

1.2. Het tegen de aanslag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 60. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 januari 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Het Hof heeft op 13 februari 2002 mondeling uitspraak gedaan. De voor partijen bestemde afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 27 februari 2002 per aangetekende post verzonden.

2.4. Bij brief, ter griffie ingekomen op 13 maart 2002, heeft belanghebbende het Hof verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 36,30 is tijdig betaald.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar in maatschapverband met zijn echtgenote een administratiekantoor onder de naam B en sinds 1987 een assurantiekantoor onder de naam C. Belanghebbende is voor 75 percent gerechtigd tot de winst van de maatschap en diens echtgenote voor 25 percent. De ontvangsten van het assurantiekantoor bestaan uit provisies voor het afsluiten van verzekeringen, financieringen, hypotheken en spaarsystemen.

3.2. Uit een in april 2000 bij de maatschap ingesteld boekenonderzoek is onder meer het volgende gebleken. Op de balans per 31 december 1997 is onder de post "Nog te betalen schulden" ten bedrage van ƒ 122.103 onder meer een bedrag opgenomen van ƒ 66.647,37. Dit betreft een voorziening in verband met de mogelijkheid van terugbetaling aan de betrokken verzekeraar van ontvangen provisies voor het afsluiten van levensverzekeringen bij verval van de verzekering binnen een bepaalde termijn door afkoop, royering of premievrijmaking. Met ingang van 1997 rekent belanghebbende jaarlijks een vijfde deel van de als voorziening geboekte te ontvangen provisies tot de winst. Tot en met 1996 rekende belanghebbende telkens een derde van de te ontvangen provisies tot de jaarwinst. De Inspecteur heeft deze methode als zijnde niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik niet aanvaard en de voorziening teruggebracht tot ƒ 4.708.

3.3. De maatschap heeft uit eigen middelen een lening verstrekt aan de dochter van belanghebbende ten bedrage van ƒ 20.000 in verband met een betalingsachterstand die de dochter had op haar krediet bij de ING-Bank. Deze lening is niet in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd. Voorts zijn er geen afspraken gemaakt over rentebetaling en aflossing. De dochter heeft uiteindelijk ƒ 15.000 afgelost. Het restant van ƒ 5.000 is als verlies ten laste van de maatschap geboekt. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het hier een privé-aangelegenheid betreft en het verlies niet aanvaard.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende met betrekking tot de afsluitprovisies een voorziening mocht vormen tot het door hem voorgestane bedrag van (afgerond) ƒ 66.647 en voorts of het verlies op de lening aan de dochter ten laste van het resultaat van de maatschap kan worden gebracht. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend doch de Inspecteur ontkennend. De Inspecteur heeft in beroep nader geconcludeerd dat een voorziening tot een bedrag van ƒ 7.250 aanvaardbaar is.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 67.343.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 116.124.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Vaststaat dat het te dezen gaat om provisies ter zake van reeds door belanghebbende verrichte werkzaamheden. Goed koopmansgebruik laat niet toe hetgeen bij het einde van een jaar als provisie ter zake van reeds verrichte werkzaamheden is ontvangen of onder een tijdsbepaling is te vorderen, bij de berekening van de winst buiten aanmerking te laten. Met een voorwaardelijke verplichting tot restitutie van reeds ontvangen of te vorderen provisie kan bij de bepaling van de in een jaar genoten winst rekening worden gehouden door de waarde van het - met inachtneming van de kans op vervulling van de voorwaarde te schatten - bedrag dat te dier zake verschuldigd zal worden in een passiefpost tot uitdrukking te brengen (Hoge Raad 21 april 1982, nr. 20 986, BNB 1982/212).

6.2. De bewijslast ten aanzien van de mogelijkheid van terugvordering van de door belanghebbende reeds ontvangen provisies rust op belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kans op vervulling van de voorwaarde voor het terugbetalen van de ontvangen provisies zo groot is als belanghebbende deze heeft ingeschat. Nu gegevens omtrent de terugbetaling van ontvangen provisies door belanghebbende niet aan diens administratie kunnen worden ontleend, is het Hof van oordeel dat voor de inschatting van het terugbetalingrisico te dezen aansluiting kan worden gezocht bij de door de Inspecteur als "praktische methode" aangeduide methode, waarbij wordt uitgegaan van de volgende - op landelijke ervaringscijfers gebaseerde - veronderstellingen:

a. de terugbetalingsverplichting bij royement neemt jaarlijks af met 20%;

b. de kans dat de provisieomzet leven die in enig jaar is afgesloten, in de komende jaren vijf jaren zal royeren (royementskans) is op grond van landelijke cijfers te stellen op 13,75 percent.

Het Hof heeft geen reden aan die veronderstellingen te twijfelen. De door belanghebbende in het geding gebrachte gegevens van verschillende verzekeraars over de verdientijd van afsluitprovisies acht het Hof niet relevant, nu zij geen inzicht met betrekking tot de onder b bedoelde kans verschaffen.

6.3. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende zijn stelling dat de onderhavige voorziening per 31 december 1997 op ƒ 66.647 dient te worden gesteld tegenover de betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende is mitsdien niet in het van hem te verlangen bewijs geslaagd. Het Hof acht de daartegenover door de Inspecteur gestelde berekening, welke nader uitkomt op een voorziening van ƒ 7.250, alleszins aanvaardbaar en in overeenstemming met goed koopmansgebruik.

6.4. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de in geding zijnde voorziening faalt, nu naar het oordeel van het Hof het enkel gedurende een reeks van jaren door de Inspecteur volgen van belanghebbendes aangifte op dit punt in redelijkheid bij belanghebbende niet de indruk heeft kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur. Daarbij komt dat de in geding zijnde voorziening niet als aparte passiefpost was vermeld op de balans. Ook het in 1982 gehouden boekenonderzoek over het jaar 1984 biedt geen basis voor bedoeld vertrouwen, nu de assurantie- activiteiten eerst in 1987 een aanvang namen. Op het punt van de voorziening is het gelijk mitsdien aan de Inspecteur.

6.5. Met betrekking tot de lening aan de dochter van belanghebbende heeft het volgende te gelden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende lening op een of andere wijze verband hield met het drijven van zijn onderneming. Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende, naar hij ter zitting verklaarde, wel eens een lening aan een zakelijke relatie verstrekte. Veeleer is het verstrekken van de lening, gelet op de familieverhouding tussen betrokkenen, ingegeven door persoonlijke motieven. Het Hof is mitsdien van oordeel dat belanghebbende de grenzen der redelijkheid overschrijdt door de onderhavige lening tot het bedrijfsvermogen te rekenen. Het op de lening geleden verlies kan niet in mindering op het bedrijfsresultaat van de maatschap worden gebracht doch dient te worden aangemerkt als een verlies in de privé-vermogensfeer van belanghebbende. Ook op dit punt is het gelijk aan de Inspecteur.

6.6. Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ten dele gegrond. Overeenkomstig de conclusie van de Inspecteur dient het belastbare inkomen nader te worden vastgesteld op ƒ 116.124.

7. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu belanghebbende hierop geen aanspraak maakt. Wel dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vermindert de navorderingsaanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 116.124,

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 27,33 (ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 21 mei 2002 door mr. Schuurman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Salomons, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 13 februari 2002.

(Salomons) (Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.