Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AF3632

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
20-05-2003
Zaaknummer
1054-R-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2003, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 18 december 2002

Rekestnummer : 1054-R-01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 00-5631

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [X],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M. Ferwerda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [X],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E. Grabandt.

PROCESVERLOOP

De man is op 19 december 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 19 oktober 2001.

De vrouw heeft op 25 juni 2002 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brieven van 7 januari 2002 en 21 oktober 2002.

Van de zijde van de vrouw is op 22 oktober 2002 een brief (met bijlagen) ingekomen, gedateerd 18 oktober 2002.

Op 25 oktober 2002 heeft de man een aanvullend beroepschrift ingediend.

Op 1 november 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door mr. M.J.R.M. Pompen, advocaat te 's-Hertogenbosch. Als deskundigen zijn gehoord: [een] registeraccountant, voor de man en [een] belastingadviseur, voor de vrouw, nadat dezen volgens de wet daartoe de belofte, respectievelijk de eed hadden afgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn [in] 1979 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dat huwelijk is op 7 mei 1982 een zoon geboren.

Bij uitvoerbaar verklaarde beschikking voorlopige voorzieningen van 15 november 2000 heeft de rechtbank te Rotterdam onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 november 2000 bepaald op ƒ 8.000,- per maand, waarbij de wijziging die genoemde bijdrage ingevolge de wettelijke indexering over het jaar 2001 kan of zal ondergaan geheel is uitgesloten.

Bij verzoekschrift heeft de vrouw bij de rechtbank te Rotterdam een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft (onder meer) verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een alimentatie dient te betalen van ƒ 13.700,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, alsmede - bij wijze van voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 827 lid 1 sub b Rv. - te bepalen, dat de executiekosten door de man worden gedragen, indien en voor zover deze door hem worden veroorzaakt. De man heeft verweer gevoerd tegen de nevenverzoeken betreffende de alimentatie voor de vrouw.

Bij de bestreden beschikking van 19 oktober 2001 heeft rechtbank tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. Bij die uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking is onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op ƒ 11.000,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De man verzoekt in deze beroepsprocedure de alimentatie voor de vrouw te bepalen op ten hoogste ƒ4835,- per maand.

De echtscheidingsbeschikking is op 5 februari 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Omdat de echtscheidingsbeschikking voor wat betreft de alimentatie geëxecuteerd dreigde te worden heeft de man op 28 februari 2002 het hof verzocht primair bij wijze van voorlopige voorziening de alimentatie voor de vrouw te bepalen op ƒ4835,- per maand en subsidiair de uitvoerbaarheid bij voorraad van de echtscheidingsbeschikking voor wat betreft de alimentatieveroordeling te schorsen.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 10 april 2002 heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot (wijziging van de) voorlopige voorzieningen en voor de duur van het geding in hoger beroep in de onderhavige procedure de uitvoerbaarverklaring van de bij de bestreden beschikking opgelegde alimentatie van ƒ11.000,- per maand geschorst. De man heeft steeds ƒ8000,- per maand betaald.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de man

De man is geboren [in] 1955 en woont samen met een partner, hun beider kind, de zoon van partijen en een dochter van de partner. De man heeft een autobergingsbedrijf, een eenmansbedrijf. Het bedrijf behoort tot de door echtscheiding ontbonden gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd. De scheiding en deling heeft nog niet plaatsgevonden. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt een gemiddelde winst uit onderneming van ƒ340.749,- over de jaren 1997-2000. De privé-opnamen bedroegen in de jaren 1997-1999 gemiddeld ƒ206.786,-. Partijen zijn in maart 2000 gescheiden gaan wonen. In 2000 stegen de privé-opnamen tot ƒ520.854,-, waarvan een bedrag van ƒ209.000,- ten behoeve van de aanpassing van de door de man en zijn huidige gezin bewoonde woning op zijn bedrijfsterrein.

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw is geboren [in] 1952. Zij heeft meegewerkt in het bedrijf van de man. Zij heeft momenteel geen inkomsten uit arbeid. Zij heeft onder meer de volgende maandlasten:

- € 544,-/ƒ 1.199,- huur en enige servicekosten; vanaf 1 juli 2002 bedraagt de huur €558,80 per maand;

- € 120,-/ƒ 264,- premie ziek-te-kosten-ver-zekering, exclusief een eigen risico van ƒ600,- per jaar;

- € 17,-/ƒ 37,- premie begrafenisverzekering

- €113,-/ƒ250,- advocaatkosten.

BEOORDELING

1. In geschil is uitsluitend de behoefte van de vrouw aan alimentatie. De draagkracht van de man is niet in het geding.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarbij bepaalde alimentatie voor de vrouw te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de alimentatie met terugwerkende kracht tot de datum van de bestreden beschikking (19 oktober 2001), dan wel tot de datum van indiening van het onderhavige verzoekschrift (19 december 2001), vast te stellen op ƒ 4.835,- per maand, althans op zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren. Voorts verzoekt de man het hof te bepalen dat, mocht de vrouw als gevolg van de door het hof te geven beschikking over de afgelopen periode te veel alimentatie hebben ontvangen, dit bedrag zal dienen te worden verrekend bij de boedelscheiding, in die zin dat de teveel betaalde alimentatie in mindering zal komen op het de vrouw toekomende deel, na verdeling van de huwelijksgemeenschap.

3. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de stelling van de man heeft gepasseerd dat partijen tijdens hun huwelijk van niet meer hebben geleefd dan van ƒ5000,- per maand omdat dit bedrag niet te rijmen zou zijn met de in de jaarstukken genoemde privé-uitgaven. Onder verwijzing naar het in opdracht van de man opgestelde deskundigenrapport van de accountant [van de man] stelt de man dat het gezin van partijen, bestaande uit partijen en hun zoon de laatste vier jaar van het huwelijk tot hun feitelijk uiteengaan in maart 2000 hebben geleefd van gemiddeld ƒ5702,- per maand. Dat bedrag is gebaseerd op de gemiddelde privé-opnamen na aftrek van de betaalde inkomstenbelasting, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en WAZ-premies.

Tevens werd van dat bedrag de huur betaald van afgerond ƒ 1200,- per maand. De man rekent dit bedrag om tot een huwelijksgerelateerde behoefte van ƒ2250,- netto per maand voor de vrouw alleen, exclusief de huur, en ƒ4.835,- bruto per maand inclusief de huur. Voorts stelt de man dat de vrouw mede door eigen inkomsten uit arbeid in haar behoefte aan levensonderhoud kan voorzien.

4. De vrouw bestrijdt het verzoek van de man. Maatgevend acht zij de privé-onttrekkingen van de man aan het bedrijf die over de jaren 1997 tot en met 1999 gemiddeld ƒ206.786,- per jaar bedroegen. Bovendien stelt zij dat de man ten onrechte de bedragen die gedurende het huwelijk van partijen zijn gespaard en zijn geïnvesteerd in het bedrijf buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de vrouw moeten die bedragen mede in aanmerking worden genomen gezien haar behoefte aan pensioenopbouw.

5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de noodzaak tot pensioenopbouw bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw mede in aanmerking genomen heeft. Hij stelt dat de vrouw haar pensioenvoorziening kan regelen na de uitkering wegens scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Hij heeft echter nog geen bedrag genoemd, waarop de vrouw aanspraak zal kunnen maken.

6. De behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de stelling van de man dat partijen leefden van ongeveer ƒ5000,- per maand niet valt te rijmen met de bedrijfsresultaten en de privé-opnamen zoals die uit de jaarstukken blijken. Ook het hof gaat uit van een gemiddelde bedrijfswinst over de jaren 1997-1999 van ruim ƒ340.000,- per jaar en van privé-opnamen van ruim ƒ206.000,- per jaar.

De kosten van investeringen en reserveringen voor de toekomst verlagen de huwelijkswelstand niet, c.q. verlagen de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw niet, omdat een en ander immers vermogensvorming betreft die deel uitmaakte van de huwelijkswelstand. Dit vermogen dient mede om een oudedagsvoorziening te financieren. De man heeft gesteld dat de vrouw haar oudedagsvoorziening kan financieren uit het vormogen dat zij krijgt uit de boedelscheiding. Nu echter niet duidelijk is welk bedrag de vrouw uit de boedelscheiding krijgt en het ter zitting niet mogelijk is gebleken partijen te bewegen tot een afspraak omtrent de scheiding en deling, waarmee het hof bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw rekening had kunnen houden, is het hof van oordeel dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw de noodzaak van een pensioenvoorziening in volle omvang in aanmerking genomen dient te worden. In dit licht bezien acht het hof het door de vrouw overgelegde overzicht van haar behoefte niet bovenmatig of onredelijk.

7. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de behoefte van de vrouw in overeenstemming is met het bedrag van de door de rechtbank vastgestelde (bruto) alimentatie.

8. Het hof gaat er daarbij voorshands van uit dat de vrouw gezien haar gebrek aan opleiding (geen diploma's) en haar leeftijd geen inkomsten van enige betekenis kan verwerven.

9. Het hof acht geen termen aanwezig om de ingangsdatum op een andere datum vast te stellen dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 5 februari 2002.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, wordt vastgesteld op € 4.991,58,- (ƒ 11.000,-) per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, De Bruijn-Lückers, en Duindam, bijgestaan door mr. Arnbak-d'Aulnis de Bourouill als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2002.