Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AF3627

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
20-05-2003
Zaaknummer
515-R-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 18 december 2002

Rekestnummer : 515-R-01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 00-4779

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te [X],

verzoeker, tevens inciden-teel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. H.C. Grootveld,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [X],

verweerder, tevens inciden-teel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E. Grabandt.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 26 juni 2001 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 27 april 2001.

De man heeft op 13 december 2001 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 23 januari 2002 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof een brief met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 5 april 2002 en twee faxen met bijlagen, gedateerd 5 september en 10 september 2002.

Op 11 september 2002 is de zaak mondeling behandeld.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 18 december 1978 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren [een meerderjarig kind, geboren in] 1982,

en de thans nog minderjarige[kinderen, geboren in 1985 en 1987].

Bij beschikking van 24 januari 1997 heeft de rechtbank te Rotterdam onder meer tussen de partijen de echtscheiding uitgespro-ken, (welke echtscheidingsbeschikking op 15 april 1997 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand), en de man ƒ1.500,- per maand alimentatie opgelegd ten behoeve van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen bepaald op ƒ 400,- per kind per maand.

Bij verzoekschrift dat op 25 oktober 2000 bij de rechtbank te Rotterdam is ingekomen heeft de man verzocht, op grond van gewijzigde omstandigheden, de beschikking van 24 januari 1997 te wijzigen in dier voege, dat de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 augustus 2000 wordt bepaald op nihil, althans op een zodanig bedrag als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, en voor het geval de rechtbank een bijdrage vaststelt daarbij te bepalen dat die bijdrage verschuldigd zal zijn gedurende twaalf maanden na 1 augustus 2000.

Bij de bestreden beschikking is bepaald - met wijziging van de beschikking van 24 januari 1997 - dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een alimentatie ten bedrage van ƒ 75,- per maand zal betalen aan en ten behoeve van de vrouw en is het meer of anders verzochte afgewezen.

Thans bedraagt de in 1997 vastgestelde alimentatie voor de vrouw als gevolg van de wettelijke verhogingen ƒ 1.624,77 per maand.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de man.

De man is geboren [in] 1939 en is alleenstaand. Hij was van beroep leraar en is per 1 augustus 2000 met FPU gegaan. Hij ontvangt sindsdien van het ABP een FPU-uitkering. Blijkens zijn aangiftebiljet over het jaar 2001 bedroeg zijn bruto inkomen in dat jaar ƒ € 40.161,-.

De man heeft de volgende maandlasten:

- ƒ 1.365,- hypotheekren-te (gemiddeld over de periode oktober 2000 tot eind 2001;

- ƒ 175,- eigenaarslasten;

- ƒ 222,- premie ziek-te-kosten-ver-zekering, exclusief eigen risico van ƒ 600,- per jaar;

- ƒ 38,- begrafenisverzekering;

en de kinderalimentatie.

Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw is geboren [in] 1949. Zij vormt een één-oudergezin met de jongste twee kinderen van partijen. De oudste dochter heeft enige tijd geleden het ouderlijk huis verlaten en is gaan samenwonen. De vrouw heeft in het verleden zelfstandig werkzaamheden verricht als schoonheidsspecialiste. Ook heeft zij, na de echtscheiding, schoonmaakwerkzaamheden verricht. Haar verdienste bedroeg voor deze laatste werkzaamheden volgens de jaaropgaaf 2000 ƒ 888,- bruto.

Zij heeft de volgende lasten:

- ƒ 974,- huur en enige servicekosten;

- ƒ 52,- premie ziek-te-kosten-ver-zekering,

BEOORDELING

1. In geschil is de door de man te betalen alimentatie voor de vrouw.

2. De vrouw verzoekt:

primair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende te bepalen dat de alimentatie voor de vrouw wordt vastgesteld op ƒ 3.000,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, jaarlijks te verhogen met de wettelijke indexering, ingaande per datum indiening verzoekschrift van de man in eerste instantie, dan wel op het tijdstip dat het hof redelijk voorkomt.

Subsidiair: de hoogte van het door de man te betalen bedrag aan alimentatie aan de vrouw te bepalen, onder de voorwaarden zoals verzocht, doch dit bedrag niet lager te stellen dan de man per 1 januari 2001 aan de vrouw verschuldigd was - te weten ƒ1.624,44 bruto per maand -, ingaande per datum van de bestreden beschikking, dan wel op het tijdstip dat het hof redelijk voorkomt.

Meer subsidiair: te bepalen dat de limitering van het bedrag dat de man maandelijks per eerste van de maand aan alimentatie voor de vrouw verschuldigd is, onder de voorwaarden zoals verzocht, gefaseerd in gaat en wel over een periode van drie jaar totdat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

De man bestrijdt haar beroep.

Het door de vrouw subsidiair verzochte heeft zij ter zitting gewijzigd, zodanig dat het subsidiaire verzoek thans luidt: de hoogte van het door de man te betalen bedrag aan partneralimenta-tie aan de vrouw in goede justitie te bepalen, onder de voorwaarden zoals in het primaire is verzocht, ingaande per datum van de bestreden beschikking danwel op het tijdstip dat uw hof redelijk voorkomt.

3. De man verzoekt in incidenteel appèl de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de ingangsdatum 'heden' en de datum, waarop de gewijzigde alimentatie voor de vrouw van ƒ 75,- bruto per maand ingaat, te stellen op 1 augustus 2000, althans 1 oktober 2000, en te bepalen dat de alimentatie voor de vrouw met ingang van 1 november 2001 op nihil wordt gesteld. In het principaal appèl verzoekt de man de vrouw in haar hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans haar het gevorderde te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het betreft de hoogte van de alimentatie voor de vrouw van ƒ 75,- per maand en de ingangsdatum te stellen op 1 augustus 2000, althans 1 oktober 2000 en voorts te bepalen dat met ingang van 1 november 2001 de alimentatie voor de vrouw op nihil wordt gesteld. De vrouw verzet zich daartegen.

4. In haar verweer tegen het incidenteel appèl verzoekt de vrouw het aanvullend (het hof leest: incidenteel) appèl van de man integraal af te wijzen.

5. De man voert aan dat de vrouw naar zijn mening geen behoefte heeft aan een bijdrage van zijn kant, nu zij verdiencapaciteit heeft, kinderalimentatie en kinderbijslag ontvangt, en heffingskortingen heeft. Daarnaast zou zij nog vermogensrendement kunnen hebben van het vermogen van ruim ƒ 180.000,- dat zij na de echtscheiding in het kader van de boedelverde-ling heeft overgehouden. De vrouw heeft ter zitting bestreden dat zij verdiencapaciteit heeft, zij heeft daarbij gewezen op haar fysieke gesteldheid. Ook heeft zij naar voren gebracht dat de kinderalimentatie en de kinderbijslag de werkelijke kosten van de kinderen niet dekken. Door al deze omstandigheden heeft zij moeten interen op het vermogen dat zij na de echtscheiding heeft gekregen. Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw nauwelijks verdiencapaciteit heeft, en dat zij het met eventuele eigen inkomsten, kinderalimentatie en kinderbijslag niet redt, zodat zij op haar vermogen moet interen. De behoefte van de vrouw aan alimentatie staat voor het hof vast.

6. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op het echtscheidingsconvenant buiten beschouwing heeft gelaten en daarbij ten onrechte heeft overwogen dat de alimentatie voor de vrouw niet bij echtscheidingsconvenant van partijen is overeengekomen doch bij een eerdere beschikking van de rechtbank is vastgesteld. De vrouw wijst er op dat de alimentatie volgens haar is overgenomen in het echtscheidingsconvenant. De man bestrijdt dit. Hij stelt dat de door de rechtbank vastgestelde alimentatie slechts is opgenomen in de considerans van het echtscheidingsconvenant. Het is naar zijn mening niet zo dat de alimentatie expliciet is opgenomen in het convenant. Bovendien is in het convenant geen beding van niet-wijziging opgenomen, zodat, mocht er van worden uitgegaan dat de alimentatie in het convenant is opgenomen, wijziging daarvan zonder meer mogelijk is. Het is het hof gebleken dat de alimentatie voor de vrouw inderdaad is vastgesteld in de echtscheidingsbeschikking, van welke beschikking in de considerans van het convenant gewag wordt gemaakt. Er is geen alimentatiebedrag noch een beding van niet-wijziginging opgenomen in het convenant. Het staat de man dan ook vrij bij wijziging van omstandigheden een wijziging van de alimentatie te verzoeken. Hieronder zal het hof bezien of de door de man aangevoerde wijziging van omstandigheden een wijziging in de alimentatie rechtvaardigt.

7. De eerste wijziging die de man aanvoert heeft betrekking op zijn inkomen. Dat is gedaald op het moment dat hij gebruik is gaan maken van de FPU-regeling. De vrouw is van mening dat de man zelf heeft gekozen voor een vervroegde uittreding, waardoor de financiële consequenties volledig voor zijn rekening dienen te komen. De man wijst er op dat hij goede redenen heeft om gebruik te maken van de FPU-regeling, te weten zijn leeftijd, de zwaarte van het beroep en de nieuwe tweede fase-structuur in het onderwijs. De vrouw heeft geopperd dat de man gebruik had moeten maken van de ziektewet, in zijn omstandigheden. De man vindt dat oneigenlijk gebruik van die wet, en heeft de FPU-regeling benut. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de man, gelet op zijn leeftijd en op de houding van de man zoals deze ter zitting is gebleken, niet langer in het leraarsberoep kon aarden en dat het hem in de loop der tijd zeer moeilijk is gaan vallen zich als leraar te handhaven tussen de 13- tot 19-jarigen van deze generatie. Het hof kan het daarom billijken dat de man heeft gekozen gebruik te maken van de FPU-regeling. De vraag die de vrouw (en ook het hof) zich stelt is, of de financiële gevolgen van deze - op zichzelf te verdedigen - keuze voornamelijk voor rekening van de vrouw moeten komen. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof gelet op de redelijkheid en billijkheid ontkennend te worden beantwoord. In hoeverre dit op de alimentatie voor de vrouw zijn weerslag heeft, komt hierna aan de orde. Eerst zal het hof nog ingaan op een andere wijziging in de omstandigheden van de man.

8. Beide partijen hebben na de echtscheiding in het kader van de boedelverdeling een bedrag van ongeveer ƒ 180.000,- ontvangen. De man heeft, nadat hij een aantal jaren bij zijn zuster heeft ingewoond, een appartement gekocht. Dit appartement is gefinancierd met een zogenaamde beleggingshypotheek. Hij heeft de aankoopprijs van deze woning geheel gefinancierd met een hypothecaire lening, terwijl hij daarnaast een aandelenportefeuille heeft aangeschaft bij Amstgeld voor ƒ 130.000,-, met de bedoeling dat uit de opbrengst daarvan de hypotheekrentelast met maandelijks ƒ680,- kon worden gedrukt. Deze effectenportefeuille is verpand aan de Westland Utrecht Hypotheekbank. De aandelenkoersen zijn evenwel ernstig gedaald, zodat de opbrengst van de aandelen is gezakt onder de "minimale groeilijn". Er wordt dan ook maandelijks geen bedrag meer aan de man uitgekeerd, waarmee hij zijn hypotheeklast kan verminderen. Het hof houdt rekening met deze wijziging van omstandigheden. De man heeft gekozen voor deze hypotheekvorm om zijn lasten te drukken, met als neveneffect dat daardoor zijn draagkrachtruimte groter zou blijven. Het heeft hem niet meegezeten met de aandelenkoersen, doch het hof acht zijn woonlast, ook zonder de stortingen uit de aandelenpot, gelet op de fiscale aftrek die hij nu nog heeft, niet bovenmatig hoog, zodat met zijn woonlast volledig rekening wordt gehouden.

9. De man heeft naar voren gebracht dat hij het overige deel van zijn vermogen heeft opgemaakt aan advocaatkosten en aan herinrichtingskosten, dat laatste voor ƒ30.000,-. Met de advocaatkosten houdt het hof rekening. De herinrichtingskosten acht het hof bovenmatig (over het algemeen wordt uitgegaan van herinrichtingskosten in de orde van grootte van ƒ10.000,-). Het hof gaat dan ook uit van een fictief vermogen van ƒ20.000,- aan de zijde van de man waarop hij een rendement van 4% zou kunnen verwezenlijken.

10. Het hof houdt rekening met de door de man opgevoerde premie ziektekostenverzekering, evenals met het eigen risico van ƒ600,- per jaar. Op de leeftijd van de man lijkt dit, in verhouding tot zijn premie, geen onlogisch bedrag.

11. Met de door de man opgevoerde omgangskosten houdt het hof geen rekening, nu onweersproken door de vrouw is gesteld dat momenteel geen omgang meer plaatsvindt.

12. Met de door de man aangevoerde premie begrafenisverzekering zal het hof geen rekening houden, nu de man vermogen heeft waaruit bij overlijden zijn uitvaart kan worden betaald.

13. Het voorgaande leidt ertoe dat de alimentatie, met inachtneming van hetgeen in de laatste alinea van punt 7 is gesteld, met ingang van 1 november 2000 (nadat de man het verzoekschrift heeft ingediend) gesteld dient te worden op ƒ 850,-, met ingang van 1 november 2001 (wanneer zijn woonlasten met ƒ680,- zijn verhoogd) op ƒ400,- en met ingang van 1 augustus 2002 (de dag dat zijn oudste dochter is gaan samenwonen en niet langer tot zijn last komt) op ƒ1.300,-.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN INCIDENTEEL BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 24 januari 1997 - de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 november 2000 op € 385,71 per maand, met ingang van 1 november 2001 op € 181,51 per maand en met ingang van 1 augustus 2002 op € 589,91 per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Pannekoek-Dubois en Duindam, bijgestaan door mr. Louwinger-Rijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2002.