Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AF2033

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
17-12-2002
Zaaknummer
109002
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 109002

parketnummer: 0900743002

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage, raadkamer voor economische strafzaken, gegeven op het hoger beroep van

[verdachte B.V.]

tegen de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage, raadkamer voor economische strafzaken, d.d. 19 augustus 2002 tot gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek tot opheffing/wijziging van de voorlopige maatregel ex artikel 28 van de Wet op de economische delicten d.d. 20 juni 2002 (verder: de voorlopige maatregel).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek in de raadkamer in eerste aanleg en het onderzoek in de raadkamer in hoger beroep van dit hof van 22 november 2002.

Voorlopige maatregel

De vennootschap wordt ervan verdacht dat:

zij te Berkel en Rodenrijs en/of te Den Hoorn, Schipluiden, althans in Nederland, op een of meer tijdstip(pen ) in of omstreeks de periode van 29 januari 2002 tot en met heden (telkens) al dan niet opzettelijk, een of meer bestrijdingsmiddel(en) in de zin van artikel 1 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, aangeduid als [naam] Bakkenreiniger en/of Primafleur Alstroemeria en/of Primafleur Roos en/of Primafleur Anjer voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd en/of heeft verkocht, zulks terwijl van dit/deze bestrijdingsmiddel(en) (telkens) niet bleek, dat het/zij ingevolge voornoemde Wet toegelaten was/waren, aangezien op de verpakking(en) van voornoemde bestrijdingsmiddel(en) (telkens) niet de naam van een toegelaten bestrijdingsmiddel en het nummer van toelating was/waren vermeld.

De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft op grond van artikel 28 van de Wet economische delicten aan de besloten vennootschap een voorlopige maatregel opgelegd, inhoudende het bevel, dat de verdachte, nadat de aangetroffen niet-toegelaten middelen in de vestiging Berkel en Rodenrijs zijn overgebracht naar de vestiging te Den Hoorn, Schipluiden, zich aldaar onthoudt van:

1) het afgeven en/of afleveren en/of verkopen van [naam] Bakkenreiniger en/of Primafleur Alstroemeria en/of Primafleur Roos en/of Primafleur Anjer aan (een) ander(en);

2) het buiten de vestiging (laten) brengen van [naam] Bakkenreiniger en/of Primafleur Alstroemeria en/of Primafleur Roos en/of Primafleur Anjer.

De beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft het verzoek tot opheffing van de voorlopige maatregel ten aanzien van het middel [naam] Bakkenreiniger afgewezen en heeft de voorlopige maatregel ten aanzien van de middelen Primafleur Alstroemeria, Primafleur Roos en Primafleur Anjer opgeheven.

Namens de vennootschap is tegen de beschikking hoger beroep ingesteld. Namens de vennootschap is ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, dat het hoger beroep niet is gericht tegen de in de beschikking genomen beslissing ten aanzien van de middelen Primafleur Alstroemeria, Primafleur Roos en Primafleur Anjer.

Beoordeling

Het hof overweegt ten aanzien van het hoger beroep als volgt.

Oogmerk van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 was/is het regelen van de handel en het gebruik van bestrijdingsmiddelen, zowel uit een oogpunt van deugdelijkheid voor het doel waarvoor ze bestemd zijn, als uit een oogpunt van het voorkomen en/of beperken van ongewenste neveneffecten op mens en milieu. Met het oog daarop is de handel in bestrijdingsmiddelen verboden als deze niet zijn toegelaten.

Bij de toelating wordt getoetst zowel of het bestrijdingsmiddel werkzaam is voor het opgegeven doel, als of het geen ongewenste neveneffecten heeft (zie de toelatingscriteria in artikel 3).

Ingevolge artikel 1, onder f en h, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 worden onder bestrijdingsmiddelen in de zin van die wet verstaan, voorzover hier van belang, niet-landbouwbestrijdingsmiddelen, bestaande uit een werkzame stof of een preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd om te worden gebruikt bij het bestrijden of afweren van organismen in of op materialen, apparaten en gebruiksvoorwerpen.

Een medewerker van de vennootschap die door de rechtbank in raadkamer als getuige is gehoord, heeft verklaard dat het product Bakkenreiniger de stof zilverthiosulfaat bevat en dat die stof de werking heeft dat het water minder snel vervuilt en hygiënischer blijft. Blijkens het procesdossier heeft het onderzoeksinstituut het Rikilt de aanwezigheid van het bestanddeel zilver van deze stof aangetoond. Op grond hiervan is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat Bakkenreiniger een werkzame stof in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bevat.

De vraag of Bakkenreiniger moet worden beschouwd als een niet-landbouw-bestrijdingsmiddel, bestemd om te worden gebruikt bij het bestrijden of afweren van organismen in of op materialen, apparaten of gebruiksvoorwerpen, dient blijkens de memorie van toelichting op het voorstel van de Bestrijdingsmiddelenwet 1992 (blz. 7) te worden beantwoord aan de hand van de aan Bakkenreiniger gegeven bestemming, zoals deze uit het gebruik als zodanig, dan wel uit de wijze van presentatie in het verkeer blijkt. Ook stoffen welke normaal voor verschillende andere doeleinden dienen, maar op bepaalde momenten ook als bestrijdingsmiddel worden gebruikt, zullen dan in zoverre onder het regime van de wet vallen.

De raadsman van de vennootschap heeft aangevoerd dat uit de benaming van het product als Bakkenreiniger moet worden afgeleid dat het product moet worden beschouwd als een reinigingsmiddel; daarbij heeft de raadsman aangesloten bij de betekenis van reinigen in het normale spraakgebruik, zoals weergegeven in Van Dale.

Het hof verwerpt deze stelling.

De bestemming van het product dient niet uitsluitend op grond van de eraan gegeven benaming te worden vastgesteld, maar op grond van de totale presentatie van het product. Voor zover van belang luidt het etiket van Bakkenreiniger als volgt: "Bakkenreiniger. Bakken eerst reinigen met een Boxyl-oplossing om organische vervuiling tegen te gaan. Daarna bakken behandelen met de bakkenreiniger 20 ml per 10 liter leidingwater. Bakkenreiniger houdt uw bakken ongeveer 5 dagen schoon. ... ". Het hof begrijpt deze presentatie aldus dat , nadat door toepassing van een Boxyl-oplossing de in een bak aanwezige organismen zijn gedood, door de toepassing van Bakkenreiniger gedurende 5 dagen organismen in of op de bak worden afgeweerd. Het hof is van oordeel dat Bakkenreiniger gelet op deze presentatie moet worden beschouwd als een bestrijdingsmiddel als bedoeld in artikel 1, onder h, ter tweede, vijfde streepje, van de wet.

De raadsman heeft vervolgens aangevoerd dat Bakkenreiniger veeleer een meststof lijkt als bedoeld in de Meststoffenwet, met name omdat het product wordt toegevoegd aan water. Ook deze stelling verwerpt het hof. Blijkens de boven weergegeven passage uit de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 kan een product dat normaal voor verschillende andere doeleinden dient, onder omstandigheden tevens een bestrijdingsmiddel zijn. Meststoffen zijn van de toepassing van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 ingevolge artikel 1 van die wet slechts uitgezonderd voor zover daaraan (tevens) de bestemming wordt gegeven van gewasbeschermingsmiddel, bestemd om te worden gebruikt om levensprocessen van planten te beïnvloeden (artikel 1, onder g, ten tweede). Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Nu de Bakkenreiniger blijkens het proces-verbaal van de AID in een magazijn van de vennootschap in handelsverpakkingen en handelshoeveelheden is aangetroffen en niet is gebleken dat op de verpakking van dit bestrijdingsmiddel een toelatingsnummer en/of naam van een toegelaten bestrijdingsmiddel was vermeld zoals vereist in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, bestaan er naar het oordeel van het hof ernstige bezwaren tegen de vennootschap als verdachte.

Voorts was naar het oordeel van het hof gelet op de aan de orde zijnde belangen onmiddellijk ingrijpen vereist en rechtvaardigen deze belangen nog steeds het handhaven van de voorlopige maatregel. Het betrokken bestrijdingsmiddel is immers niet overeenkomstig de bedoeling van de wetgever door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op zijn werkzaamheid en zijn neveneffecten getoetst, zodat enerzijds de gebruikers het risico lopen dat het gepretendeerde effect niet optreedt en dat anderzijds door het gebruik ongewenste neveneffecten als bedoeld in de wet optreden. In het licht hiervan deelt het hof niet het standpunt van de raadsman dat de voorlopige maatregel slechts de economische belangen van de concurrent van de vennootschap dient. Het hof heeft bij zijn oordeel mede in aanmerking genomen dat het aandeel uit de verkoop van Bakkenreiniger in de totale omzet van de vennootschap niet zodanig groot is dat te verwachten is dat deze door handhaving van de voorlopige maatregel ernstige en onomkeerbare schade zou kunnen ondervinden.

Dat de vennootschap, zoals door haar raadsman nog is aangevoerd, voor het betrokken product marktaandeel zal verliezen ten opzichte van producten van een concurrent is voor het hof geen reden om tot opheffing van de voorlopige maatregel te besluiten, temeer niet nu die producten wel een toelating als bestrijdingsmiddel hebben verkregen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de voorlopige maatregel uitsluitend is opgelegd op basis van gegevens van een directe concurrent en dat dat, gelet op het ingrijpende karakter van de voorlopige maatregel ontoelaatbaar is. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de raadkamer van de rechtbank heeft de officier van justitie aldaar verklaard dat zij de voorlopige maatregel heeft opgelegd op grond van een schriftelijke klacht van een concurrent, een rapport van een laboratorium en een CIE-rapport en dat zij niet wist dat het laboratorium een laboratorium van de betreffende concurrent was. Naar het oordeel van het hof dient de rechtmatigheid van de beslissing van de officier van justitie te worden beoordeeld naar hetgeen zij wist of had behoren te weten op het tijdstip van het nemen van de maatregel. Gelet daarop was het opleggen van de maatregel naar het oordeel van het hof niet ontoelaatbaar.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat het optreden van de AID willekeurig is, aangezien er op grote schaal reinigingsmiddelen worden gebruikt die zilver bevatten en er in de bloementeelt chloorbleekloog en chloortabletten worden gebruikt terwijl daartegen niet wordt opgetreden. Nu niet aannemelijk is geworden dat deze middelen gelet op hun presentatie als bestrijdingsmiddelen moeten worden aangemerkt, leidt ook deze stelling het hof niet tot het oordeel dat de voorlopige maatregel dient te worden opgeheven.

Subsidiair heeft de raadsman nog verzocht dat het hof de voorlopige maatregel aldus zal wijzigen dat uitvoer van Bakkenreiniger wordt toegelaten mits wordt voldaan aan artikel 2, onder b, van het Besluit uitvoer bestrijdingsmiddelen. Het hof is van oordeel dat zodanige uitzondering in de voorlopige maatregel niet op haar plaats is, nu te vrezen valt dat daardoor de controleerbaarheid van de maatregel in ernstige mate wordt aangetast. Dat neemt niet weg dat, ingeval de vennootschap terzake een overeenkomst zou kunnen sluiten, zij op grond daarvan aan de officier van justitie met betrekking tot de in die overeenkomst bedoelde hoeveelheid aanpassing van de maatregel zou kunnen verzoeken.

Beslissing

De raadkamer bevestigt met verbetering van gronden de beslissing van de raadkamer van de rechtbank ten aanzien van het middel [naam] Bakkenreiniger.

Deze beschikking is gegeven door mrs Reinking, Van den Berg en Van Bellen, in tegenwoordigheid van de griffier Van der Mark. Zij is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 december 2002.