Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8576

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
405-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 4 september 2002

Rekestnummer : 405-M-02

Rekestnr. rechtbank : 114/2002

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te [X],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E.M.H. Alkemade.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[geïntimeerde 1],

wonende te [Y],

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Jeugdzorg Zeeland,

kantoor houdende te Middelburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

3. de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 13 juni 2002 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te Middelburg van 28 maart 2002.

Van de zijde van de raad is bij het hof een brief met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 5 juli 2002.

Van de zijde van Jeugdzorg is bij het hof een brief met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 17 juli 2002.

Van de zijde van de moeder is bij het hof een brief met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 21 augustus 2002 en een faxbericht met bijlage(n), gedateerd 27 augustus 2002.

Op 28 augustus 2002 is de zaak mondeling behandeld. De vader is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De moeder heeft het ouderlijk gezag over de [in] 1994 g[het kind]n minderjarige [kind], hierna te noemen: [het kind]. [het kind] is geboren uit de relatie tussen de moeder en [de vader], die [het kind] heeft erkend.

Per 4 mei 2001 heeft naamswijziging van [het kind] plaatsgevonden.

Bij verzoekschrift van 11 maart 2002 heeft de raad de kinderrechter in de rechtbank te Middelburg ver-zocht om [het kind] onder toezicht te stellen van Jeugdzorg. De rechtbank heeft bij de bestreden be-schikking het verzoek van de raad toegewezen voor de duur van een jaar.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

2. In zijn op 19 februari 2002 uitgebrachte rapport besluit de raad de kinderrechter te verzoeken om [het kind] onder toezicht te stellen. Aan het besluit ligt ten grondslag de conclusie dat de moeder door haar eigen problematiek (onvoorspelbaarheid) niet in staat is een stabiele opvoedingssituatie voor [het kind] te garanderen. De problemen doen zich al vanaf 1994 voor en vrijwillige hulpverlening heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd omdat de moeder zich niet aan afspraken houdt. Gelet op de ernst van de problematiek acht de raad de noodzakelijk geachte hulpverlening op vrijwillige basis niet mogelijk, reden waarom de raad meent dat een ondertoezichtstelling geïndiceerd is, temeer daar de geestelijke belangen van [het kind] vanwege de onstabiele opvoedingssituatie worden bedreigd en andere middelen ter afwending van het vorenstaande hebben gefaald. De hulpverlening in het kader van de voorgenomen maatregel heeft tot doel een stabiele en veilige opvoedingssituatie voor [het kind] te garanderen. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de [raad] gepersisteerd bij het advies van de raad.

3. De moeder stelt dat de raad ten onrechte af is gegaan op de lezing en informatie van Jeugdzorg, temeer daar de door Jeugdzorg gestelde feiten zijn verdraaid. De moeder is steeds bereid gebleken om hulp te aanvaarden, ook door middel van het tijdelijk onderbrengen van [het kind] in een pleeggezin. De moeder heeft zelf hulp gezocht en is daarin diep teleurgesteld. Tegen een gemaakte afspraak in heeft Jeugdzorg geweigerd om [het kind] te laten terugkeren naar het gezin van de moeder, toen zij al geruime tijd weer thuis was en zeer goed zelf voor [het kind] kon zorgen. Niet mag zonder meer worden aangenomen dat de moeder zich niet aan gemaakte afspraken houdt. Voorts stelt de moeder dat er evenmin sprake is van een onstabiele thuissitutatie. Sinds 2 mei 2000, de dag waarop de moeder [het kind] uit het pleeggezin gehaald heeft, is zowel haar situatie als die van [het kind] sterk verbeterd. De moeder is verhuisd en heeft in [X] een woning betrokken, waarvan de ligging zodanig is dat [het kind] volop in de buurt kan spelen. Sinds enige tijd woont de moeder samen met [haar huidige partner]. Vanwege de positieve ontwikkelingen verzoekt de moeder het hof een hernieuwd onderzoek te gelasten door een deskundige, aangezien de raad in deze partij is en geen onafhankelijk onderzoek kan doen.

4. Uit het verslag van Jeugdzorg komt naar voren dat er enige tijd nodig is geweest om een samenwerkingsrelatie met de moeder en haar huidige partner op te bouwen. Inmiddels is gebleken dat de moeder mee wil werken en ten behoeve van de invulling van de ondertoezichtstelling bereid is tot het geven van informatie. Vast staat dat de moeder en haar partner samen de opvoeding van [het kind] op zich nemen. Er heerst een rustig opvoedingsklimaat waarin structuur en regelmaat centraal staan. Hoe de moeder zich houdt als haar partner niet thuis is, is voor Jeugdzorg nog niet duidelijk. Om een duidelijke en volledige beeldvorming van de kinderen te krijgen is overleg met derden, bijvoorbeeld schoolcontacten, van essentieel belang. De taak van Jeugdzorg zal de komende tijd voornamelijk gericht zijn op ondersteuning van de moeder in de opvoeding van [het kind]. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van [Jeugdzorg] erkend dat er thans een vrij stabiele situatie in het gezin van de moeder bestaat en dat het goed gaat met [het kind]. Omdat de moeder volgens Jeugdzorg echter met tijd en wijle een terugval heeft schaart Jeugdzorg zich achter het advies van de raad.

5. Het hof is van oordeel dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling niet aanwezig zijn. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting maakt het hof op dat de situatie bij de moeder thuis sinds mei 2000 - op een kort incident na - stabiel is en dat het thans goed gaat met [het kind], hetgeen ter zitting door zowel Jeugdzorg als de raad is erkend. [het kind] groeit derhalve niet zodanig op, dat zijn belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd. Sinds mei 2000 heeft de moeder geen ernstige psychische terugval meer gehad en zij gebruikt thans geen medicijnen meer. Bovendien staat vast dat de moeder in het verleden - bij een terugval - altijd vrijwillig hulp heeft gezocht. Het hof gaat er van uit dat de moeder zulks weer zal doen indien zij in de toekomst een dermate ernstige terugval zou krijgen dat hulp noodzakelijk is. Desgevraagd ter zitting hebben zowel de raad als Jeugdzorg aangegeven dat zij middels de ondertoezichtstelling de stabiliteit die er nu is willen continueren, hetgeen door het hof niet wordt gezien als grond of voorwaarde voor handhaving van de ondertoezichtstelling. Naast de vorengenoemde handhaving zijn noch door Jeugdzorg, noch door de raad, feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan de ondertoezichtstelling wel gehandhaafd zou moeten worden. Hoewel hierover tussen de moeder en Jeugdzorg verschil van mening bestaat, is voor het hof niet vast komen te staan dat de moeder [het kind] destijds tegen gemaakte afspraken in heeft weggehaald bij het pleeggezin waar hij verbleef, te minder omdat Jeugdzorg niet zelf betrokken is geweest bij de gemaakte afspraken. Dat de moeder zich niet aan afspraken zou houden heeft Jeugdzorg vernomen van de Jeugdhulpverlening. Gelet hierop ziet het hof evenmin aanleiding om de ondertoezichtstelling te handhaven.

6. Gelet op het bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de raad alsnog afwijzen. Het verzoek van de moeder om een hernieuwd onderzoek te gelasten door een deskundige behoeft naar het oordeel van het hof, gelet op het hiervoor overwogene, geen bespreking meer, zodat het hof dat verzoek zal afwijzen.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-kende:

wijst het inleidende verzoek van de raad alsnog af;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Duindam en Van Montfoort, bijge-staan door Suderée als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 4 september 2002.