Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8554

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2002
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
695-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 14 augustus 2002

Rekestnummer : 695-H-01

Rekestnr. rechtbank : 98-7404

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te [X],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. C.C. Nwosu,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende]

wonende te [X],

hierna te noemen: de man.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 28 augustus 2001 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 juli 2001 van de rechtbank te 's-Gravenhage.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof brieven met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 15 oktober 2001, 14 januari 2002 en 11 februari 2002.

Op 13 februari 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, de man, [door een] tolk in de Somalische taal en de Advocaat-Generaal mr. A.J.M. Kaptein.

Na voornoemde zitting zijn volgens de aldaar gemaakte afspraken van de zijde van de vrouw bij brief van 8 maart 2002 de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 6 maart 2002, waaruit blijkt dat [het jongste kind] heeft gedeeld in de naturalisatie van de vrouw, waardoor ook zij de Nederlandse nationaliteit bezit, en waaruit blijkt dat de vrouw op 5 december 1996 in het bezit was van een verblijfsvergunning zonder beperking;

- een brief van de procureur van de vrouw van 13 februari 2002 gericht aan de IND, waarin om de hiervoor omschreven informatie is verzocht.

Op 19 juni 2002 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de vrouw en [door een] tolk in de Somalische taal. De man is, hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen. De vrouw heeft ter terechtzitting meegedeeld dat zij in de geboorteakte van [het jongste kind] ook wil laten opnemen dat de man de vader is.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende vast.

Op 25 november 1998 heeft de vrouw de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht de geboortegegevens van de hierna te noemen [het k[het jongste kind] vast te stellen, in verband met het opmaken van een vervangende akte van geboorte.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de geboortegegevens afgewezen.

Ten aanzien van de vrouw en de kinderen

De vrouw is [in] 1969 geboren in Marka (Somalië). Op 5 december 1996 had de vrouw een verblijfsvergunning zonder beperkingen.

Bij Koninklijk Besluit van 3 april 1998 is zij tot Nederlander genaturaliseerd. De voor- en geslachtsnaam van de vrouw (en drie van haar kinderen) zijn bij dat KB bepaald, zoals in de kop van deze beschikking is opgenomen. Haar [drie minderjarig[het jongste kind]nderen], zijn met de vrouw meegenaturaliseerd tot Nederlander.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Aan de orde is de vaststelling van de geboortegegevens van [het jongste kind].

2. De vrouw verzoekt het hof alsnog de geboortegegevens van [het jongste kind] vast te stellen in verband met het opmaken van een vervangende akte van geboorte. Ter terechtzitting heeft de vrouw verzocht om, in het geval haar verzoek zal worden gehonoreerd, te bepalen dat de geslachtsnaam van [het jongste kind] "Ismail" zal luiden.

3. Zij meent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om de benodigde gegevens van [het jongste kind] vast te kunnen stellen. Ook stelt zij dat de rechtbank ten onrechte haar aanbod, om door middel van bloedonderzoek de afstamming van [het jongste kind] te bewijzen, heeft gepasseerd.

4. De vrouw stelt de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep relevante, feiten en omstandigheden ten aanzien van de geboorte van [het jongste kind]: Medio 1996 verbleef de vrouw in Nederland, terwijl de man - met wie zij stelt gehuwd te zijn naar Islamitisch recht - nog in Afrika verbleef. In die periode vernam de vrouw dat de man mogelijk zou zijn gehuwd met een andere vrouw die in Italië verbleef. Op enig moment is de man naar Nederland gekomen. Kort daarna vertrok hij naar Italië. De vrouw, die toen hoogzwanger was, is de man achterna gereisd, om hem om opheldering te vragen. In Italië verbleef de vrouw bij vrouwelijke kennissen, die daar illegaal verbleven op het adres Via Klenno 50 (fonetisch weergegeven) te Florence. De man bleek nabij voornoemd adres te [N.]blijven bij de he[K.]] en [N.]]. Op 5 december 1996 is de vrouw, in bijzijn van haar twee vrouwelijke kennissen en een vrouwelijke Somalische arts bevallen van [het jongste kind]. De namen van twee van die vrouwen zijn [KA.] en [F]. Tijdens de bevalling waren de man en de heren [K.] en [N.] elders in het huis aanwezig waar de vrouw beviel. De vrouw heeft van de geboorte geen aangifte gedaan in Italië, omdat zij bang was haar kennissen, die illegaal in Italië verbleven, te verraden. Deze kennissen hebben verder geen medewerking willen of kunnen verlenen in de voorliggende zaak.

5. De vrouw heeft, naast een verklaring van de man dat zij op 5 december 1996 in Florence is bevallen van zijn dochter [het jongste kind], verklaringen overgelegd van [K.] en van [N.], beide gedagtekend 22 juni 1998. De beide heren verklaren dat de vrouw op 5 december 1996 in Florence is bevallen van [het jongste kind]. Beiden verklaren dat zij de vrouw enkele dagen vóór alsook enkele dagen na de bevalling hebben bezocht. Beiden verklaren ook dat zij vlakbij het huis wonen waar de vrouw van [het jongste kind] zou zijn bevallen.

6. Overgelegd is een verklaring van het waarnemend hoofd van de afdeling Consulair-Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waaruit blijkt dat de vrouw, nu zij niet in een kliniek is bevallen, slechts via de civiele rechtbank te Florence (naar het hof aanneemt in een soortgelijke procedure als de onderhavige) kan verzoeken om de formatie van een geboorteakte.

7. Het hof overweegt als volgt.

Indien komt vast te staan dat [het jongste kind] inderdaad het biologische kind is van de vrouw en de man, dan ziet het hof in de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden ten aanzien van de geboorte van [het jongste kind], welke feiten en omstandigheden worden gestaafd door de verklaringen van de man, [K.] en [N.] - welke verklaringen het hof alsdan aannemelijk zal achten - voldoende aanwijzingen om de geboortegegevens van [het jongste kind] te kunnen vaststellen. De volgende feiten en omstandigheden weegt het hof bij voornoemd oordeel mee:

- Het is aannemelijk dat de vrouw of anderen geen aangifte hebben willen doen van de geboorte van [het jongste kind], omdat de vrouw in Florence verbleef bij kennissen die illegaal in Italië verbleven en die kennissen bang waren voor ontdekking van hun illegaliteit.

- Aangezien de vrouw niet in een kliniek is bevallen, kan zij niet alsnog buiten rechte achteraf in Italië een geboorteakte van [het jongste kind] laten opmaken.

- Bij het Koninklijk Besluit van 3 april 1998, waarbij aan de vrouw het Nederlanderschap is verleend, wordt [het jongste kind] genoemd als dochter van de vrouw.

- Het is niet onwaarschijnlijk dat de vrouw met de fonetisch weergegeven straatnaam Via Klenno heeft bedoeld de "Via Galeno" te Florence.

- De getuige [K.] woonde op of omstreeks de beweerdelijke geboortedatum van [het jongste kind] op het adres Via Claudio Monteverdi te Florence. Deze straat is gelegen vlak bij de straat Via Galeno. Hij verklaarde dat hij vlakbij het geboortehuis van [het jongste kind] woonde.

8. Het hof zal de vrouw dan ook toelaten om de afstamming van [het jongste kind] te bewijzen door middel van DNA-onderzoek en het hof zal daartoe een deskundige aanwijzen. In afwachting van de resultaten van dat onderzoek zal het hof de zaak pro forma aanhouden tot 28 december 2002. De man en de vrouw zullen - nadat het hof het onderzoeksrapport zal hebben ontvangen - gelegenheid krijgen om te reageren op dat rapport. Een nadere mondelinge behandeling zal in principe niet meer plaatsvinden; de zaak zal verder op de stukken kunnen worden afgedaan.

9. Wanneer uit het DNA-onderzoek zal blijken dat de vrouw en de man de biologische ouders zijn van [het jongste kind], acht het hof het aannemelijk dat [het jongste kind] [in] 1996 te Florence is geboren en zal het hof zulks vaststellen. Gelet op de verklaring van de vrouw, die door de man wordt onderschreven, zal het hof alsdan het tijdstip van de geboorte bepalen op 12.05 uur.

De gegevens van de moeder van [het jongste kind] zal het hof dan eveneens kunnen vaststellen, omdat deze blijken uit de overgelegde Kennisgeving Naturalisatie van 8 april 1998 (waaruit ook blijkt dat de naam en geslachtsnaam van [het jongste kind] bij Koninklijk Besluit zijn vastgesteld). De gegevens van de vader zal het hof niet vaststellen, omdat het hof daaromtrent onvoldoende aanwijzingen heeft gezien. Een afdoend bewijsstuk waaruit die identiteit van de man zou kunnen blijken is immers niet overgelegd.

10. De vrouw verzoekt, in het geval de geboortegegevens van [het jongste kind] door dit hof zullen worden vastgesteld, de geslachtsnaam van [het jongste kind] vast te stellen als zijnde "Ismail". Het hof zal, in het geval dat het hof zal overgaan tot vaststelling van de geboortegegevens, dit verzoek van de vrouw afwijzen om de volgende reden.

Uit de overgelegde Kennisgeving Naturalisatie van 8 april 1998 blijkt dat bij het Naturalisatiebesluit van 3 april 1998 de naam en de geslachtsnaam van [het jongste kind] zijn vastgesteld. Sinds de naturalisatie is de geslachtsnaam van [het jongste kind] derhalve gewijzigd in "Esmail" (artikel 4 lid 2 Wet Conflictenrecht Namen in samenhang met artikel 12 Rijkswet op het Nederlanderschap). Het staat het hof niet vrij om in het kader van deze procedure een andere geslachtsnaam vast te stellen dan die bij het Naturalisatiebesluit is vastgesteld.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

laat de vrouw toe een DNA-onderzoek te doen verrichten ter beantwoording van de vraag of de vrouw en de man de biologische ouders van [het jongste kind] kunnen zijn en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid zij de biologische ouders zijn;

benoemt tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijd uit te voeren mevrouw dr. G.G. de Lange, hoofd van de afdeling Immunogenetica van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst te Amsterdam (www.clb.nl);

verzoekt deze deskundige het resultaat van het onderzoek uiterlijk medio december 2002 aan de griffie van dit hof te doen toekomen;

verstaat dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en dat van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken in dit schriftelijk bericht melding wordt gemaakt;

bepaalt dat de vrouw de kosten van dit onderzoek zal dragen;

houdt in afwachting van genoemd deskundigenbericht iedere verdere beslissing aan tot de zitting van 28 december 2002 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Dusamos en Labohm, bijgestaan door mr. Oostveen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2002.