Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8189

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
2200024202
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer 1009004001

datum uitspraak 28 juni 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 10 december 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 juni 2002.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het sub-sidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenis-straf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en over-tuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep is het niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft ge-handeld met voorbedachten rade. De verdachte heeft naar het oordeel van het hof - alvorens hij naar het huis van zijn schoonouders ging - geen kalm beraad en rustig overleg gehad over de daarna door hem gepleegde misdrijven.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

subsidiair: dat hij op 29 mei 2001 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk personen genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen,

- met een vuurwapen op [slachtoffer 3] heeft geschoten en

- met een vuurwapen op een deur en een raam van een woning heeft geschoten waarvan hij wist dat zich daarachter (voornoemde) personen bevonden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft de opmerkingen van de raadsman betreffende de gemoedstoestand van de verdachte niet opgevat als een beroep op een schulduitsluitingsgrond, maar begrepen als gericht tegen het aan de verdachte tenlastegelegde "kalm beraad en rustig overleg".

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. [naam] heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van poging tot doodslag. De verdachte is, na een ruzie met zijn zwangere echtgenote, vroeg in de avond naar het huis van zijn schoonouders gegaan. De verdachte wist dat er zich, naast zijn echtgenote, andere personen in het huis bevonden. Toen de verdachte bij het huis aankwam, had hij via zijn mobiele telefoon nog contact met zijn vrouw die hem juist op dat moment mededeelde dat de relatie - hun huwelijk - als beëindigd moest worden beschouwd. Direct in aansluiting hierop heeft de verdachte met een vuurwapen 6 maal geschoten, waarvan 4 kogels door de voordeur zijn gegaan, één door het keukenraam en één gericht op zijn schoonvader die, na de eerste vijf schoten en een daarop volgende stilte, voorzichtig naar buiten keek om de hoek van de voordeur. Als gevolg van deze schietpartij zijn enige familieleden van zijn echtgenote ernstig tot zeer ernstig gewond geraakt en hebben zij blijvend ernstig letsel en mogelijk blijvende psychische schade aan deze schietpartij overgehouden. Het leven van de slachtoffers is door deze daad van de verdachte volkomen overhoop gehaald. Dit soort grove geweldsdelicten draagt daarenboven een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt bij de burgers - en met name buurtbewoners - angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de eerste rechter opgelegde straf.

Het is op deze grond dat het hof de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de eerste rechter is opgelegd.

11. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige str[naam]s hebben zich 5 benadeelde partijen gevoegd - te weten[naam] - en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden im-materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde.

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot

de in eerste aanleg toegewezen bedragen, te weten:

Benadeelde partij Vordering

- [naam] ƒ 25.000,- (€ 11.344,51)

- [namen] 2 x ƒ 10.000,- (2 x € 4.537,80)

[naam] ƒ 5.000,- (€ 2.268,90)

[naam] ƒ 5.000,- (€ 2.268,90)

- [naam] ƒ 7.500,- (€ 3.403,35)

De verdachte heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde.

De vorderingen van de benadeelde partijen zullen derhalve tot de bovenstaande bedragen worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partijen in verband met hun vordering.

12. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de bovengenoemde bedragen ten behoeve van de slachtoffers.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

NEGEN (9) JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe tot de volgende bedragen.

- [naam] ƒ 25.000,- (€ 11.344,51)

[namen] 2 x ƒ 10.000,- (2 x € 4.537,80)

[naam] ƒ 5.000,- (€ 2.268,90)

[naam] ƒ 5.000,- (€ 2.268,90)

- [naam] ƒ 7.500,- (€ 3.403,35)

Veroordeelt de verdachte om deze bedragen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partijen. Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in verband met hun vorderingen hebben gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van in totaal € 28.361,26 ten behoeve van de slachtoffers, ieder voor het hem als benadeelde partij toegewezen bedrag, welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van ZESTIG (60) DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 28.361,26 ten behoeve van de slachtoffers, de ver-oordeling tot betaling aan de benadeelde partijen van het bedrag van € 28.361,26 komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partijen de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mrs. [namen], in bijzijn van de griffier mr. Rutten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 juni 2002.