Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8167

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
2200113601
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1457
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbele moord, brandstichting; 20 jaar gev. straf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200113601

parketnummer 0975716900

datum uitspraak 26 september 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 7 mei 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 15 januari 2002, 19 maart 2002, 4 juni 2002 en 12 september 2002.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde (medeplegen van moord, meermalen gepleegd) en het onder 3 tenlastegelegde (medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving) vrijgesproken en ter zake van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd) en het onder 2 en 4 tenlastegelegde (medeplegen van brandstichting en verboden wapenbezit) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

1. dat hij op 14 mei 2000 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met een vuurwapen meermalen in het hoofd en/of in het lichaam geschoten van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden;

2. dat hij op 14 mei 2000 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (Ford Sierra Sedan, kenteken AA-00-AA), immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk benzine in die auto uitgesprenkeld en een met een aansteker in brand gestoken stuk papier in die auto gegooid, ten gevolge waarvan die auto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3. dat hij in of omstreeks de maand maart 2000 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet:

- die [slachtoffer 3] bij hen in de auto plaats laten nemen en haar daarin meegevoerd en in die auto een pistool, althans een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp doorgeladen en een pistool, althans vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] gezet en

- die [slachtoffer 3] daarbij dreigend de woorden toegevoegd, dat zij dood zou gaan omdat zij met een andere man was geweest, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking;

4. dat hij op 3 oktober 2000 te 's-Gravenhage wapens van categorie III, te weten

- een hagelgeweer, Remington, type 870 Express, kaliber 12 GA (Riotgun) en

- een hagelgeweer, kaliber 16 GA en

- een kogelgeweer, Winchester, type Ranger, kaliber 30-30 win, en munitie van categorie III, te weten

259 hagelpatronen en 1 patroon met rubberen projectiel van het kaliber 12 voorhanden heeft gehad.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde

7.1. Aan zijn oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord, meermalen gepleegd, legt het hof de volgende overwegingen ten grondslag.

7.2. Het hof gaat hierbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft in de vroege morgenuren van 14 mei 2000 met zijn zoon, de medeverdachte [medeverdachte], en zijn broer [naam] de discotheek "O" verlaten en is met hen in een taxi naar het woonwagenkamp gereden. Vandaar is hij met zijn zoon naar de binnenstad gegaan om de auto van de verdachte, een Ford Sierra, op te halen. Na terugkeer op het kamp zijn beiden wederom naar de "O" gereden. Aldaar heeft de zoon van de verdachte, op verzoek van de verdachte, voor de discotheek aan de latere sl[slachtoffer][sla[slachtoffer], een lift aangeboden en zijn de verdachte en zijn zoon in zijn Ford[slachtoffer][sla[slachtoffer] als passagiers vertrokken. De zoon van de verdachte was de bestuurder van de auto, naast hem op de bijrijdersstoel zat [slachtoffer]. Achterin, achter de zoon van de verdachte, zat [slachtoffer] en achter [slachtoffer] zat de verdachte. Kort nadat zij vertrokken waren, vroeg de verdachte aan zijn zoon om eerst langs het kamp Escamplaan te rijden om een "ding" of "dinkerik" te halen. De zoon van de verdachte is naar het kamp gereden en is een vuurwapen (een Browning FN) uit de woonwagen van de verdachte gaan halen, terwijl de anderen in de auto bleven zitten. Toen de zoon van de verdachte terugkwam heeft hij het vuurwapen niet aan de verdachte overhandigd, maar onder zijn shirt bij zich gehouden. De zoon van de verdachte is weer achter het stuur gaan zitten en heeft de rit vervolgd. Op een zeker moment heeft de verdachte met een in de Ford Sierra verborgen vuurwapen (een Walther) eerst [slachtoffer] en vervolgens [slachtoffer] door het hoofd en/of de nek geschoten. De zoon van de verdachte is vervolgens op diens aanwijzingen met de auto doorgereden naar een parkeergarage, waar hij samen met de verdachte de slachtoffers uit de auto heeft gesleept. Nadat de zoon van de verdachte hem erop had geattendeerd dat één van hen nog bewoog, gaf de verdachte hun beiden nog een schot in het hoofd en/of de nek. De beide slachtoffers zijn ten gevolge van de door de verdachte geloste pistoolschoten overleden. De verdachte en zijn zoon hebben vervolgens de Ford Sierra in brand gestoken. Op aanwijzing van de verdachte heeft de zoon van de verdachte de beide wapens in het water gegooid.

7.3. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is volgens vaste rechtspraak voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (zie HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605 en HR 11 juni 2002, NJB 2002, 104).

7.4. In aanmerking genomen de tijd die is verstreken tussen het ophalen van een vuurwapen uit de woonwagen door de zoon van de verdachte en het besluit van de verdachte om rijdende in de Ford Sierra met behulp van een in de auto verborgen vuurwapen op de beide lifters te schieten, heeft de verdachte voldoende gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van dit besluit. Ook het besluit van de verdachte om, onmiddellijk nadat hij er door zijn zoon op was geattendeerd dat één van de lifters nog leefde, hen nogmaals in het hoofd en/of de nek te schieten wijst op de wil van de verdachte om het reeds tevoren genomen besluit om de beide lifters dood te schieten ook daadwerkelijk uit te voeren.

In het dossier is voorts geen aanknopingspunt te vinden voor een plotseling opgekomen gemoedsbeweging van de verdachte.

Als zodanig beschouwt het hof niet de verklaring van de getuige [getuige], hoofdagente van politie Haaglanden, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 15 januari 2002, dat tijdens een gesprek in de cel van het politiebureau Loosduinen door de verdachte is gesproken over "die nacht" en dat hij toen heeft gezegd: "Ik had dat gevoel, ik weet niet hoe ik het moet omschrijven al eerder gehad. Toen kon ik het wegdrukken door keihard te werken en geen agressie te zoeken". Immers nu de verdachte heeft ontkend met mevrouw [naam] over de nacht van 13 op 14 mei 2000 te hebben gesproken

en voorts ervoor heeft gekozen om het hof geen enkel inzicht te verschaffen in de totstandkoming van het door hem genomen besluit om de beide lifters dood te schieten, leidt het hof uit de hiervoor geschetste omstandigheden af dat bij de verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad.

7.5. Bezien tegen de achtergrond dat de zoon van de verdachte aan zijn verzoek om uit zijn woonwagen een vuurwapen op te halen heeft voldaan, dat de verdachte het woord "ding" (Roma-taal) gebruikte, dat de zoon van de verdachte dit vuurwapen vervolgens onder zijn shirt heeft verborgen en dat de zoon van de verdachte niet heeft gevraagd waarom hij een vuurwapen moest ophalen, heeft de verdachte moeten begrijpen dat het voor zijn zoon duidelijk moet zijn geweest (a) dat de beide lifters niet mochten weten dat hij een vuurwapen ging ophalen en (b) dat het verzoek van de verdachte een strekking had die zeer wel gewelddadig handelen van de verdachte tegen de beide lifters zou kunnen meebrengen. Daarbij is het naar het oordeel van het hof zonder strafrechtelijke betekenis of dat gewelddadige handelen zou (kunnen) bestaan in een beroving of afpersing, die heel goed zou kunnen escaleren, dan wel in een - onmiddellijke - levensberoving.

7.6. Dat de verdachte uiteindelijk niet met het door de zoon van de verdachte opgehaalde wapen, maar met een ander - in de auto verborgen - wapen de lifters heeft doodgeschoten, doet hieraan niet af. Zoals hiervoor overwogen, moet het voor de zoon van de verdachte duidelijk zijn geweest dat het verzoek van de verdachte om een vuurwapen te halen een strekking had die zeer wel gewelddadig handelen van de vader tegen beide lifters zou kunnen meebrengen.

De zoon van de verdachte wist voorts dat de verdachte over meer dan één vuurwapen beschikte. Hij kende ook de plaats waar die vuurwapens in de woonwagen lagen en de plaats waar de verdachte achter in de auto een vuurwapen verborg, namelijk tussen de zitting en de rugleuning van de achterbank. Ook de verdachte moet kennis hebben gedragen van deze wetenschap van zijn zoon.

Het hof wijst er in dit verband nog op dat de verdachte en zijn vader eerder een vergelijkbare werkwijze hebben gevolgd; bij het plegen van het onder 3 primair bewezenverklaarde feit reden de verdachte en zijn zoon eveneens in een auto met een passagier - in dat geval zat de zoon van de verdachte achterin en bestuurde de verdachte de auto - en beschikten zij beiden over een vuurwapen.

7.7. Op het moment dat de zoon van de verdachte voldeed aan het verzoek van de verdachte om naar het kamp te rijden om voor hem een vuurwapen te gaan ophalen, kwam naar 's hofs oordeel een bewuste, zij het stilzwijgende, nauwe en volledige samenwerking tot stand tussen de verdachte en zijn zoon. De zoon van de verdachte bestuurde de auto waarin de verdachte en de beide lifters zaten. De verdachte had de handen vrij om ten aanzien van de beide lifters iedere vorm van geweld te gebruiken.

7.8. Ook nadat de verdachte in de auto op de slachtoffers had geschoten, heeft de zoon van de verdachte zich, terwijl zich daarvoor toch duidelijke mogelijkheden hebben voorgedaan, op geen enkele wijze, zelfs niet in woord of gebaar, gedistantieerd van de afschuwwekkende gedragingen van de verdachte, maar is hij - op aanwijzing van de verdachte - met de auto doorgereden naar de parkeergarage, waar hij samen met hem de slachtoffers uit de auto heeft gesleept, heeft hij de verdachte erop geattendeerd dat één van hen nog bewoog, waarna de verdachte deze beiden nog een schot in het hoofd en/of de nek gaf, hetgeen er zonder meer op wijst dat de verdachte en zijn zoon de stilzwijgende samenwerking actief hebben voortgezet en zelfs de gepleegde ernstige strafbare feiten hebben gecontinueerd.

7.9. Ten slotte hebben de verdachte en zijn zoon gezamenlijk de Ford Sierra in brand gestoken en later de wapens in het water gegooid, teneinde sporen van het misdrijf uit te wissen.

7.10. Hieruit blijkt van een nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en zijn zoon, en wel zodanig dat niet ter zake doet dat de zoon van de verdachte voorafgaand aan of ten tijde van de levensberoving geen uitvoeringshandelingen heeft verricht.

7.11. Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord, meermalen gepleegd.

8. Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde

8.1. De rechtbank heeft de verdachte van het onder 3 primair tenlastelegelegde feit vrijgesproken, overwegende dat zij wel de daarin weergegeven bedreigende handelingen bewezen acht, doch niet dat die handelingen zijn gepleegd met het opzet om het slachtoffer - te weten [slachtoffer] - wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven respectievelijk beroofd te houden.

De advocaat-generaal is tot een zelfde oordeel gekomen.

8.2. Blijkens de door het slachtoffer [slachtoffer] afgelegde verklaringen is zij door de verdachte naar een benzinestation aan de Calandstraat ontboden. In de nabijheid van dat benzinestation is zij in de door de verdachte bestuurde auto gestapt en op de bijrijdersstoel gaan zitten. Een passagier, waarvan haar later bleek dat dit de zoon van de verdachte [medeverdachte] was, ging achterin zitten. De zoon van de verdachte heeft toen een pistool doorgeladen en dit tegen haar achterhoofd gezet. Vervolgens startte de verdachte de auto en reed men weg, naar Kijkduin. Bij het strand aldaar aangekomen heeft de verdachte het slachtoffer geboeid en haar een pistool tegen de slaap gezet.

Overigens werd zij vervolgens gedwongen uit te stappen en moest zij, geboeid, op het strand enige tijd op de knieën zitten. Zij werd daarna losgemaakt. De verdachte heeft haar naar een hotelkamer meegenomen waar zij seks hadden. De verdachte had tegen haar gezegd dat zij niet meer mocht werken. Ongeveer twee weken nadat [slachtoffer] de verdachte had leren kennen, heeft hij gezegd: "jij bent van mij".

8.3. Het feit dat het oogmerk van de verdachte kennelijk erop gericht was om door middel van de bewezenverklaarde bedreigende handelingen het slachtoffer [slachtoffer] ertoe te bewegen voortaan alleen met de verdachte seks te hebben, staat aan een bewezenverklaring van het opzet om het slachtoffer wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven onderscheidenlijk beroofd te houden niet in de weg. Opzet is in ons recht immers kleurloos. Voldoende is dat de wil van de verdachte is gericht op gedragingen die strafbaar blijken te zijn. Bij de verdachte en zijn zoon was duidelijk sprake van de wil om de ten aanzien van [slachtoffer] verrichte bedreigende handelingen met wederrechtelijke vrijheidsberoving gepaard te doen gaan.

8.4. In zoverre komt het hof tot een andersluidend oordeel en acht het hof het onder 3 primair tenlastegelegde bewezen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 bewezenverklaarde levert op:

1 primair: Medeplegen van moord, meermalen gepleegd.

2. Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

3 primair: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven of beroofd houden.

4. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

11.1. De advocaat-generaal mr. [naam] heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

11.2. Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

11.3. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn zoon hebben zich in de vroege morgen uren van 14 mei 2000 schuldig gemaakt aan een dubbele moord, waarbij twee jo[slachtoffer][sla[slachtoffer], om het leven zijn gebracht. Met deze misdrijven is op brute en volstrekt zinloze wijze aan twee jonge mensen hun kostbaarste bezit, het leven, ontnomen en is aan de nabestaanden van de slachtoffers onherstelbaar leed toegebracht. Een dergelijke dubbele moord draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt daarnaast bij de burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

11.4. De verdachte is degene die de schoten in de auto en in de parkeergarage heeft gelost. Hij heeft samen met zijn zoon sporen verwijderd. Daarbij heeft de verdachte zich samen met zijn zoon schuldig gemaakt aan brandstichting van de Ford Sierra, waarbij gevaar voor goederen ontstond. Tevens is de gedragen kleding vernietigd en zijn het moordwapen en het wapen dat de zoon van de verdachte had opgehaald op het kamp in het water gegooid.

In de woning van de verdachte zijn voorts drie geweren en een grote hoeveelheid munitie aangetroffen.

De verdachte heeft tevens samen met zijn zoon [slachtoffer 3] wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd gehouden onder bedreiging van een vuurwapen.

11.5. Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 18 oktober 2000, al meermalen is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, alsook voor overtreding van de Vuurwapenwet, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

11.6. Ondanks zeer uitgebreid en gedetailleerd onderzoek van de politie en ondanks dringende oproepen van de nabestaanden van de slachtoffers aan de verdachte om opheldering te verschaffen omtrent het motief voor de moorden heeft de verdachte ook in hoger beroep geen einde willen maken aan de martelende onzekerheid van de nabestaanden van de slachtoffers dienaangaande en aldus de nabestaanden de gelegenheid onthouden het hun aangedane, onbeschrijflijke leed enigermate te verwerken.

11.7. Een dergelijk proceshouding is te laken omdat de verdachte aldus geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor de door hem gepleegde ernstige misdrijven. Door gebruik te maken van zijn zwijgrecht heeft de verdachte er voorts voor gekozen eventuele strafverzachtende omstandigheden, al dan niet via gedragskundige rapportage, aan het hof te onthouden.

11.8. Een dergelijke proceshouding geeft het hof tevens aanleiding een zwaarder accent te leggen op het speciaal-preventieve effect van de beoogde straf. Bij gebrek aan wetenschap inzake het motief van de verdachte en het ontbreken van enig inzicht in diens geestvermogens en vooral de gebreken daarvan moet het hof, gezien de justitiële documentatie van de verdachte en de gruwelijke wijze waarop de dubbele moord is gepleegd, ervan uitgaan dat de verdachte waar het de veiligheid van personen in het algemeen betreft, een groot gevaar vormt. De duur van de vrijheidsstraf dient derhalve zodanig lang te zijn dat dát gevaar bij zijn invrijheidstelling tot aanvaardbare proporties is teruggebracht, waarbij rekening dient te worden gehouden met de huidige leeftijd van de verdachte, namelijk 53 jaren.

Daarenboven brengt de schokkende ernst van de door de verdachte begane misdrijven zonder meer mee dat aan de verdachte een zeer langdurige vrijheidsstraf dient te worden opgelegd.

11.9. Bij de bepaling van de duur van een vrijheidsstraf komt bij levensdelicten onder meer betekenis toe aan het strafrechtelijke verleden van de dader(s), het aantal slachtoffers, de wijze waarop het slachtoffer of de slachtoffers om het leven zijn gebracht, de relatie tussen de dader(s) enerzijds en het slachtoffer of de slachtoffers anderzijds of juist het ontbreken daarvan, de weerloosheid van het slachtoffer of de slachtoffers, het motief van de dader(s) of het ontbreken daarvan en het gevaar voor herhaling van levensdelicten of andere ernstige geweldsdelicten.

11.10. Het hof overweegt in dit verband dat het, anders dan de advocaat-generaal en ondanks het hiervoor overwogene, geen grond ziet aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Het hof constateert dat in de praktijk van de straftoemeting ook bij de ernstigste misdrijven betekenis toekomt aan het inzicht dat de pleger van die misdrijven vanuit overwegingen van humaniteit in beginsel perspectief moet worden geboden dat hij op enig moment weer in de samenleving zal kunnen terugkeren; het is om die reden dat in ons land de grootste terughoudendheid bij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf wordt betracht. Ook ter zake van levensdelicten dient volgens het hof dit inzicht uitgangspunt te zijn. Er dient, zij het onder omstandigheden op zeer lange termijn, ook voor de plegers van levensdelicten in beginsel perspectief op terugkeer in de samenleving te zijn. Het hof wijst erop dat in dit opzicht het onderscheid tussen de maximale tijdelijke gevangenisstraf en de levenslange gevangenisstraf mede daarin bestaat dat in geval van een tijdelijke gevangenisstraf de rechter bij zijn beslissing het moment van terugkeer van de veroordeelde in de samenleving bepaalt, terwijl bij de levenslange gevangenisstraf die terugkeer alleen door het 'op jaren stellen' middels gratie door Hare Majesteit de Koningin, na ingewonnen advies van de rechter, kan worden bewerkstelligd. Die terugkeer vindt in de regel later plaats dan in geval van oplegging van de maximale tijdelijke gevangenisstraf.

11.11. Volgens het hof is op grond van de processtukken geenszins aannemelijk geworden dat ten aanzien van de verdachte onoorbare verhoormethoden zijn gebezigd. Volgens de pv-coördinator [verbalisant], als getuige gehoord op de terechtzitting van het hof van 15 januari 2002, had de verdachte geen bezwaar tegen een confrontatie met de plaats waarop het delict is begaan. Dat is ook niet verwonderlijk want de verdachte ontkent daar te zijn geweest. De raadsman van de verdachte heeft het hof ook niet om een nader onderzoek verzocht en volstaan met het in zijn pleidooi bijeenvoegen van enkele niet nader gestaafde beweringen die gezamenlijk een schending van het pressieverbod zouden moeten opleveren. De raadsman heeft voorts verzuimd, hoewel hij daartoe gelegenheid heeft gehad toen de hoofdagente van politie [naam] ter terechtzitting van het hof van 15 januari 2002 als getuige is gehoord, haar over de verhoormethoden te ondervragen. Mede gelet op het late stadium waarin dit strafmaatverweer is gevoerd en het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing van de gedane beweringen acht het hof geen noodzaak aanwezig om thans nog om een en ander te onderzoeken. Voor strafvermindering op die grond bestaat dan ook geen aanleiding.

11.12. De stelling van de raadsman van de verdachte dat, gelet op de bewezenverklaring van de rechtbank, medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd, en de appèlmemorie van de officier van justitie, geen hogere straf kan worden opgelegd zonder eenparigheid van stemmen vindt geen steun in het recht.

11.13. Het hof is dan ook - alles overziende - van oordeel dat alleen de maximale tijdelijke gevangenisstraf een passende reactie vormt.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 157, 282 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26(oud) en 55(oud) van de Wet wapens en munitie.

13. Inbeslaggenomen voorwerpen

Het hof stelt vast dat de advocaat-generaal het hof geen inzicht heeft verschaft in de status van de blijkens het dossier inbeslaggenomen voorwerpen en ter dier zake ook

geen beslissing van het hof heeft gevorderd. Bij deze stand van zaken zal het hof een beslissing over die inbeslaggenomen voorwerpen achterwege laten.

14. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

TWINTIG JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door

[namen] in bijzijn van de griffier [naam].

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 september 2002.