Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8162

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2002
Datum publicatie
01-10-2002
Zaaknummer
97/328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 8 augustus 2002

Rolnummer: 97/328 KG

Rolnummer rechtbank: 96/768

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer,

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

appellant (verder te noemen: de Staat),

procureur: mr. M. Dijkstra,

tegen

de stichting STICHTING THEMIS,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde (verder te noemen: Themis),

procureur: mr. Y. Polko.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 20 november 1997 wordt naar dit tussenarrest verwezen. Nadien, op 18 december 1997, heeft de Staat een akte houdende uitlating genomen. Ter rolzitting van 23 augustus 2001 is op verzoek van de Staat akte van niet-dienen verleend tegen Themis. Vervolgens heeft de Staat zijn stukken andermaal gefourneerd ter fine van arrest.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Bij het tussenarrest werd Themis verzocht de bij haar stelling betreffende de verspreiding van het blad "Filmnet" sub 5 van haar memorie van antwoord genoemde productie - daar aangeduid als "productie 4 (overgelegd ter zitting van 20-2-1997)" - in het geding te brengen, omdat het hof deze toen niet bij de gefourneerde stukken had aangetroffen, en werd de Staat in de gelegenheid gesteld zich nog uit te laten over het beroep van Themis op het gelijkheidsbeginsel, alsmede om aan te geven hoeveel tijd gedetineerden per week minimaal mogen doorbrengen in de bibliotheek van de inrichting met op dit punt de minste faciliteiten, hetgeen de Staat bij akte houdende uitlating heeft gedaan. Themis heeft na het tussenarrest geen proceshandelingen meer verricht. De genoemde productie heeft het hof thans echter wèl in het andermaal gefourneerde procesdossier van de Staat aangetroffen. Het betreft hier kennelijk de faxbrief d.d. 3 september 1996, die betrekking heeft op de verspreiding van "Filmnet-gidsen" en die zich, voorzien van het nummer 4, deel uitmaakt van een bundel van 1 tot en met 10 genummerde stukken.

2. Het hof komt thans toe aan een verdere beoordeling van het hoger beroep van de Staat.

3. De Staat heeft vier grieven tegen het vonnis aangevoerd. Grief I strekt ten betoge dat de Staat, anders dan uit de overwegingen van de president zou zijn af te leiden, niet weigert het blad The-misTake te verspreiden. Met grief II komt de Staat op tegen de overweging van de president dat met de door Themis beoogde wijze van verspreiding wordt voorkomen dat haar blad een economische dood sterft en voert de Staat aan dat hij niet verantwoordelijk is voor een rendabele exploitatie van Themis en/of het door haar uitgegeven blad. Grief III keert zich tegen de overweging van de president dat het blad The-misTake zich van andere tijdschriften onderscheidt doordat het specifiek op gedetineerden is toegesneden en dat dit onderscheid een gunstiger behandeling dàn, respectievelijk een uitzondering òp de binnen penitentiaire inrichtingen gebruikelijke wijze van verspreiding rechtvaardigt. Voorts strekt deze grief, blijkens de daarop gegeven toelichting, ten betoge dat de weigering van de Staat om verdergaande medewerking aan verspreiding van The-mis Take te verlenen dan aan Themis aangeboden geen schending van artikel 10 EVRM oplevert. Met grief IV beoogt de Staat het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

4. De grieven, die zich tegen nauw met elkaar verweven - op elkaar voortbouwende - overwegingen van de president richten, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt het volgende.

5. Het hof neemt tot uitgangspunt dat, zoals de Staat gesteld heeft en door Themis niet voldoende gemotiveerd weersproken is, van bij de inrichtingen bezorgde, niet op naam geadresseerde tijdschriften, brochures en andere bladen, een aantal exemplaren in de bibliotheek van de inrichting wordt neergelegd, dat gedetineerden in de meeste inrichtingen een uur per week en in de (weinige) andere inrichtingen een half uur per week in de bibliotheek mogen doorbrengen, dat tijdschriften uit de bibliotheek mogen worden meegenomen naar de cel, alsmede dat tijdschriften waarop gedetineerden zich hebben geabonneerd aan de desbetreffende gedetineerden in hun cel worden uitgereikt. Voorts neemt het hof tot uitgangspunt dat, naar de Staat eveneens onweersproken heeft gesteld, deze gang van zaken in overeenstemming is met de (inmiddels overigens vervallen) Gevangenismaatregel en het huishoudelijk reglement van de huizen van bewaring. De Staat heeft zich bereid verklaard ervoor te zorgen dat in de inrichtingen waarbij The-misTake wordt bezorgd ook van dit tijdschrift een aantal exemplaren in de bibliotheken wordt neergelegd en voorts dat ook dit tijdschrift aan die gedetineerden, die er een abonnement op nemen, in hun cel wordt uitgereikt.

6. Gezien deze omstandigheden is duidelijk dat de Staat niet iedere medewerking aan de verspreiding van The-mis Take onder de gedetineerden heeft geweigerd. Voor het lot van het hoger beroep is dit echter niet doorslaggevend. Waar het ten deze om gaat is immers of de Staat gehouden was om het tijdschrift van Themis aan alle gedetineerden te doen uitreiken althans om verdergaande medewerking aan de verspreiding van het tijdschrift onder de gedetineerden te verlenen dan op de bovengenoemde wijze, waartoe de Staat zich zelf gehouden achtte en bereid heeft verklaard. De Staat leest het vonnis immers zelf aldus dat daarbij de vordering van Themis, volgens de Staat ten onrechte, werd toegewezen en is om die reden in hoger beroep gekomen.

7. Naar 's hofs voorlopig oordeel zijn het aan artikel 7 Grondwet gerelateerde verspreidingsrecht en de in artikel 10 EVRM verankerde rechten van Themis genoegzaam gewaarborgd met de voormelde, door de Staat aan Themis aangeboden wijze van verspreiding van The-mis Take. Dat dit niet het geval zou zijn is door Themis niet aannemelijk gemaakt en door de president ook niet overwogen.

8. Zo heeft Themis niet gesteld en heeft de president niet overwogen dat en waarom de tijdsduur dat gedetineerden in de bibliotheek mogen doorbrengen te kort is en/of dat het aantal exemplaren van het blad, dat de Staat bereid is daar neer te leggen, te gering is om te waarborgen dat alle gedetineerden er kennis van kunnen nemen en/of dat het blad zijn doelgroep zal bereiken. Aan de enkele, door Themis bij memorie van antwoord geformuleerde, kennelijk retorische vraag "Wat is er eenvoudiger is dan (…) een grote stapel op een voor iedere gedetineerde goed bereikbare plek te leggen?", gevolgd door de stelling dat de Staat zelfs niet bereid is aan deze zeer eenvoudige oplossing mee te werken, gaat het hof voorbij. Indien Themis met deze vraag cq. stelling, die door haar in ander verband werden opgeworpen, al (mede) bedoeld zou hebben dat "een aantal exemplaren" onvoldoende en/of dat de bibliotheek niet voor iedere gedetineerde goed bereikbaar zou zijn, dan heeft zij verzuimd dit toe te lichten en aannemelijk te maken.

9. Naar aanleiding van de grieven 2 en 3 wordt voorts overwogen dat onder de in rov. 7 genoemde omstandigheden noch het eventuele feit dat met uitreiking van het blad aan iedere gedetineerde, als door Themis voorgestaan en in rov. 3.5 van de president kennelijk bedoeld, voorkomen zou worden dat het blad een economische dood zou sterven, noch het eventuele feit dat The-mis Take zich zodanig van andere bladen onderscheidt dat een gunstiger behandeling ervan "gerechtvaardigd" is, voor de Staat de verplichting meebrengt om voor de bedoelde wijze van verspreiding zorg te dragen. Dat geldt eens te meer nu tegenover deze eventuele omstandigheden de door de Staat ook in hoger beroep genoemde en genoegzaam aannemelijk gemaakte extra personele belasting staat die van de voorgestane verspreiding het gevolg zou zijn.

10. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep doel treft, tenzij het door Themis nog gedane en door de president - die de vordering immers, doch gezien het voorgaande ten onrechte, op andere gronden toewijsbaar achtte - niet behandelde beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel zou slagen. Dit is evenwel niet het geval.

11. Anders dan Themis lijkt aan te nemen heeft de Staat niet gesteld dat slechts bladen die op naam geadresseerd bij de inrichting worden bezorgd aan de desbetreffende gedetineerden in hun cel wordt uitgereikt. De Staat heeft gesteld dat bladen, waarop een gedetineerde zich heeft geabonneerd, in zijn cel worden bezorgd. De Staat heeft zich bereid verklaard dat ook met The-mis Take te doen.

12. Dat het in de inleidende dagvaarding genoemde blad De Strijdkreet wel aan iedere gedetineerde werd verstrekt, ongeacht het ontbreken van abonnementen op dit blad, is door de Staat gemotiveerd betwist en niet aannemelijk geworden.

13. Wat betreft het blad Filmnet van Canal+ heeft de Staat onweersproken gesteld dat iedere gedetineerde de keuze heeft zich al dan niet op de zender van Canal+ en daarmee tevens op het blad Filmnet, zijnde het programmablad van die zender, te abonneren, dat deze abonnementen door tussenkomst van de inrichting tot stand komen en dat ook dit blad slechts aan de abonnees wordt uitgereikt. Strijd met het gelijkheidsbeginsel is er dus niet, nu de gedetineerde die het blad Filmnet in zijn cel krijgt uitgereikt daarop een abonnement heeft genomen terwijl de Staat bereid is ook The-mis Take aan de gedetineerden die zich daarop abonneren uit te reiken.

14. Of het abonnement op Filmnet feitelijk aan de gedetineerden wordt opgedrongen, doordat zij slechts de keuze hebben uit géén televisie in hun cel dan wel een televisie met de zender Canal+, hetgeen in overleg met Gedetineerdencommissies aldus geregeld is, regardeert Themis niet en is voor haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de wijze van verspreiding van Filmnet en The-mis Take niet van belang.

15. Aan de stelling bij memorie van antwoord dat Themis iedere gedetineerde een gratis abonnement aanbiedt gaat het hof voorbij, nu niet blijkt van een aanvaarding van dit aanbod door één of meer of alle gedetineerden.

16. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing, waarbij Themis als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in beide instanties wordt veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en, opnieuw rechtdoende,

wijst de gevorderde voorziening af;

veroordeelt Themis in de kosten van de procedure in beide instanties en begroot deze kosten, voor zover aan de zijde van de Staat gevallen, voor de eerste aanleg op

€ 149,75 voor verschotten en op € 699,-- voor salaris procureur en voor het hoger beroep tot op deze uitspraak op € 263,-- voor verschotten en op € 772,-- voor salaris van de procureur;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door de mrs. Vrij, De Groot en Boele en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2002 in bijzijn van de griffier.