Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE7611

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
366-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 31 juli 2002

Rekestnummer : 366-H-02

Rekestnr. rechtbank : JE RK 02-312

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [Y], docht tha[X]vende [te X],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

procureur mr. E.J.P. Nolet.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [Y],

hierna te noemen: de moeder,

2. de Stichting Jeugdzorg Den Haag/Zuid-Holland Noord,

kantoor houdende te [Y],

hierna te noemen: Jeugdzorg,

3. de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP

De minderjarige is op 31 mei 2002 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 5 maart 2002.

Jeugdzorg heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de minderjarige is bij het hof een brief met bijlage ingekomen, gedateerd 27 juni 2002.

Van de zijde van Jeugdzorg is bij het hof een brief ingekomen, gedateerd 26 juni 2002 en een brief met bijlagen van 27 juni 2002.

Van de zijde van de raad is bij het hof een brief ingekomen, gedateerd 19 juni 2002, met als bijlage het rapport van de raad van 24 juli 2000. Bij deze brief heeft de raad laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 3 juli 2002 is de zaak mondeling behandeld. De verdere mondelinge behandeling is aangehouden met het verzoek aan Jeugdzorg onderzoek te doen naar mogelijke alternatieven voor de plaatsing van de minderjarige. Op 24 juli 2002 is de mondelinge behandeling voortgezet. Jeugdzorg heef haar bevindingen neergelegd in een brief die ter terechtzitting is overgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende vast.

De moeder heeft het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind:

[geboren in] 1987.

Op 24 juli 2000 is een rapport van de raad verschenen.

Op 22 augustus 2000 is de minderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van 21 augustus 2001 is verlengd van 22 augustus 2001 tot 22 augustus 2002.

Op 30 augustus 2001 heeft Jeugdzorg de kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gesloten inrichting.

Bij beschikking van 4 september 2001 heeft de kinderrechter in de recht-bank te 's-Gravenhage het verzoek van Jeugdzorg toegewezen voor de periode van 4 september 2001 tot 4 maart 2002.

Bij verzoekschrift dat op 12 februari 2002 bij de kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage is ingekomen heeft Jeugdzorg een machtiging uithuis-plaatsing verzocht voor plaat-sing van de minderjarige in een gesloten inrichting voor de duur van 6 maanden, dan wel voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Bij de bestreden beschikking heeft de kinder-rech-ter Jeugdzorg ge-machtigd de minderjarige uit huis te plaat-sen in een gesloten inrichting, ingaande op 5 maart 2002 tot 22 augustus 2002, zijnde de datum waarop de ondertoezichtstelling afloopt.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige in een gesloten inrichting.

2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van Jeugdzorg tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

3. De minderjarige had zich aanvankelijk niet tegen plaatsing in een gesloten inrichting verzet, omdat hij hoopte dat hij op die manier daadwerkelijk adequate steun en hulp zou krijgen om de bij hem geconstateerde ernstige gedragsproblemen op te lossen. De werkelijkheid geeft echter een heel ander beeld. De minderjarige is thans van mening dat hij ten onrechte in een gesloten inrichting verblijft, omdat de plaatsing niet voldoet aan de randvoorwaarden en zijn doel voorbij schiet. Hij wordt hetzelfde behandeld als de jeugdige delinquenten, heeft nauwelijks vrijheden en zit nagenoeg de hele dag op zijn kamer waar niets gebeurd. Hulpverlening blijft ook uit waardoor hij zijn verblijf in [X] des temeer ervaart als een straf. Hij zou nooit hebben ingestemd met een verblijf in een gesloten inrichting als hij van te voren op de hoogte was geweest van de feitelijke gang van zaken aldaar. Wat er de afgelopen tijd met hem is gebeurd heeft heel veel indruk op hem gemaakt. Zijn plaatsing in [X] heeft hij als een shock ervaren en beschouwt hij als een soort keerpunt in zijn leven. Door dit bij hem opgetreden 'schrikeffect' is hij rustiger geworden en heeft hij zijn driftbuien steeds meer onder controle. Het gaat beter met hem, maar de door hem zo gewenste hulpverlening heeft hij nog steeds niet gekregen. Hij zit thans niet op zijn plaats en wenst terug te keren naar huis, naar zijn moeder. Ter terechtzitting heeft hij wel gezegd dat hij bij volledige terugkeer bang is dat hij weer terugvalt in zijn oude gedragspatroon, met de daarbij behorende driftbuien. Om die reden acht hij het het meest in zijn belang dat hij wordt overgeplaatst naar een plek waar hij meer thuishoort en waar hij wel begeleiding krijgt. Tijdens beide mondelinge behandelingen heeft hij nogmaals benadrukt dat het voor hem absolute noodzaak is te vertrekken uit [X], omdat een verblijf in deze 'gevangenis' op geen enkele manier een bijdrage levert aan de oplossing van zijn problemen.

4. Jeugdzorg beaamt dat [X] geen juiste plek is voor de minderjarige, maar was wegens diverse wachtlijsten genoodzaakt voor deze oplossing te kiezen. Crisisopvang in afwachting van een persoonlijkheidsonderzoek had naar de mening van Jeugdzorg voorrang boven thuis wonen, omdat de situatie thuis uit de hand was gelopen en de moeder had aangegeven het niet meer aan te kunnen. Bovendien heeft de minderjarige wegens negatief gedrag [B] moeten verlaten en liep eerdere vrijwillige hulpverlening op niets uit, omdat de minderjarige en zijn moeder ieder contact met Jeugdzorg afhielden. Voorts was uithuisplaatsing noodzakelijk voor de minderjarige om weer volgens een bepaalde structuur te leven, hetgeen van belang is voor het persoonlijkheidsonderzoek. Uit onderzoek naar mogelijke alternatieven voor de plaatsing van de minderjarige bleek dat plaatsing in [B] geen optie is. Er is een wachtlijst van een half jaar en zowel [B] als het Centraal Orgaan Zorgtoewijzing Haaglanden betwijfelen of plaatsing van de minderjarige op [B] haalbaar is. In Cadier en Keer zijn wel plaatsen beschikbaar en daar zou de minderjarige ook goed tussen passen, maar voor plaatsing aldaar is een persoonlijkheidsonderzoek vereist, hetgeen nog ontbreekt. Dit persoonlijkheidsonderzoek is pas eind september klaar. Jeugdzorg betreurt het dat dit onderzoek niet op kortere termijn kan worden afgerond. Ook andere voorzieningen geven aan zonder persoonlijkheidsonderzoek geen behandeling op te kunnen starten. Jeugdzorg is dan ook tot de conclusie gekomen dat er op dit moment geen geschikte alternatieven zijn.

5. De moeder wil graag dat de minderjarige weer bij haar komt wonen. Zij is ook wel van mening dat hulpverlening noodzakelijk is, maar dat krijgt de minderjarige nu ook niet dus kan hij naar haar mening net zo goed weer thuis komen wonen. De moeder kan het weer aan en ziet dat de minderjarige veel is veranderd. Hij had volgens haar nooit verwacht dat het allemaal zo ver zou komen, waardoor hij heel erg geschrokken is. Hij heeft er van geleerd en dat geeft haar vertrouwen voor de toekomst.

6. Het hof acht het op dit moment niet in het belang van de minderjarige om hem naar huis te laten gaan. Weliswaar gaat het inmiddels beter met hem, echter gezien de ernst van de gedragsproblematiek zoals weergegeven in het hulpverleningsplan en het raadsrapport bestaat het gevaar dat hij bij terugplaatsing terugvalt in zijn oude gedragspatroon. De minderjarige heeft zelf ook die vrees geuit. Hij geeft zelf aan dat hij hulpverlening nodig heeft, hetgeen het hof als zeer positief ervaart. De stap om de minderjarige naar huis te laten gaan is thans nog te groot en brengt te veel risico's met zich mee. Uithuisplaatsing verdient op dit moment nog de voorkeur boven thuis wonen. Het hof is echter wel van oordeel dat een gesloten inrichting als de [X] niet de juiste plek is voor de minderjarige, zeker niet nu er alternatieven zijn, en dat overplaatsing in zijn belang is. Het persoonlijkheidsonderzoek kan door een andere instantie op veel kortere termijn worden gerealiseerd dan nu het geval is, zodat overplaatsing mogelijk wordt. Zo heeft Cadier en Keer al aangegeven dat er plaatsen vrij zijn en de minderjarige daar goed zou passen. Ook andere instellingen gaan dan tot de mogelijkheden behoren. Aangezien het hof het onaanvaardbaar acht dat de minderjarige in de gevangenis zit, terwijl er alternatieven zijn, gaat het hof er van uit dat de minderjarige voor 20 augustus 2002 - de datum van de zitting bij de rechtbank waarin de verlenging van de machtiging gesloten plaatsing aan de orde is - is overgeplaatst naar een instelling waar thans kennelijk plaats is en waar het Ministerie van Justitie toestemming voor moet geven of naar een andere instelling waar de minderjarige op zijn plek is.

7. Het bovenstaande leidt ertoe dat de besteden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van den Wildenberg en Dusamos, bijge-staan door mr. Groenleer als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 31 juli 2002.