Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE5795

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
1046-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 17 juli 2002

Rekestnummer : 1046-H-01

Rekestnr. rechtbank : 01-3128

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M.J. Verheul-Duijverman,

tegen

Domenico DI LELLA,

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M.Y. van der Bijl.

PROCESVERLOOP

De vrouw is [in] 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te [Y] [in] 2001.

De man heeft op 22 maart 2002 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft geen verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof brieven met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 28 januari 2002, 18 maart 2002, 10 juni 2002 en een faxbericht met bijlage, gedateerd 12 juni 2002.

Op 14 juni 2002 is de zaak mondeling behandeld.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn [in] 1967 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen [in] 2001 heeft de rechtbank te [Y] de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige alimentatie bepaald op ƒ 1.000,- per maand.

Bij het inleidende verzoekschrift dat de vrouw [in] 2001 bij de rechtbank te [Y] heeft ingediend heeft zij verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om tussen de partijen de echtscheiding uit te spreken en de door de man aan haar te betalen alimentatie te bepalen op ƒ 1.250,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij de bestreden beschikking is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitge-sproken, welke op 16 januari 2002 is ingeschreven, en is het alimentatieverzoek van de vrouw afgewezen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover haar alimentatieverzoek is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende, haar verzoek om de door de man aan haar te betalen alimentatie te bepalen op ƒ 1.250,- per maand alsnog toe te wijzen. De man bestrijdt haar beroep.

2. In incidenteel appel verzoekt de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking aan te vullen, in die zin dat deze uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Voorts verzoekt de man te bepalen dat de vrouw al hetgeen hij aan haar sedert 16 januari 2002 heeft voldaan ingevolge de beschikking voorlopige voorzieningen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem dient terug te betalen. Tot slot verzoekt de man, in aanvulling op de bestreden beschikking, ingevolge de verrekening van de huwelijkse voorwaarden, te bepalen dat de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem ƒ 2.464,- (€ 1.118,11) dient te betalen.

Alimentatie vrouw

3. Hoewel de vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man van ƒ 1.250,-

(€ 567,23) per maand, heeft zij die behoefte naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt. Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft de vrouw (ondanks een verzoek daartoe) een behoefteberekening overgelegd. Hoewel vast staat dat de vrouw per 1 september 2001 haar uren heeft uitgebreid van 7 uur per week naar 13,7 uur per week, is het hof van oordeel dat de vrouw, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt en haar werkervaring, minstens 20 uur per week moet kunnen werken. Gelet op de leeftijd van de vrouw en de zwaarte van haar werkzaamheden acht het hof het in aanmerking nemen van een verdiencapaciteit op basis van een 40-urige werkweek niet redelijk. Op basis van een 20 urige werkweek acht het hof het redelijk om de verdiencapaciteit van de vrouw te stellen op circa € 1020,- netto per maand, inclusief vakantiegeld. De door de vrouw gestelde medische beperkingen heeft zij - middels de aan het hof overgelegde stukken - niet aannemelijk gemaakt. Voorts betrekt het hof - conform de rechtbank - een rendement van 4% over een vermogen van circa ƒ 68.000,- (€ 30.857,05) en ƒ 300,- (€ 136,13) per jaar aan dividend bij het inkomen van de vrouw. Tussen de partijen is in confesso dat de vrouw in het kader van de verdeling uit de overwaarde van de echtelijke woning circa € 58.000,- van de man zal ontvangen. De maandelijkse huur van de vrouw bedraagt ƒ 688,- (€ 312,20) per maand. Van andere maandelijkse lasten is het hof niet gebleken. De door de vrouw gestelde behoefte kan - zoals zij heeft gedaan - naar het oordeel van het hof niet worden gerelateerd aan de welstand ten tijde van het huwelijk, te minder nu uit de aan het hof overgelegde stukken is gebleken dat de man over de jaren 1997 tot en met 2000 een belastbaar inkomen had van respectievelijk ƒ 70.295,-, ƒ 75.366,-, ƒ 77.034,- en ƒ 83.514,-.

Uit dit alles volgt dat de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, moet worden bekrachtigd. Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat de man in beginsel onderhoudsplichtig is jegens de vrouw. Dat de vrouw in het verleden schenkingen van haar moeder heeft gekregen en wellicht in de toekomst nog schenkingen krijgt ontslaat de man niet van zijn onderhoudsplicht.

Verrekening huwelijkse voorwaarden

4. Vast staat dat de man belastingaanslagen over 1999 en 2000 heeft betaald, respectievelijk

ƒ 1.045,- en ƒ 1.419,-, die de vrouw op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden had moeten voldoen. Omdat de vrouw zulks ter zitting heeft erkend en het hof er van uit gaat dat zij haar aldaar gedane toezegging - om de belastingaanslagen in de verdeling te betrekken - gestand zal doen, behoeft de grief van de man naar het oordeel van het hof in zoverre geen bespreking meer.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

5. De man verzoekt de bestreden beschikking, houdende de afwijzing van het alimentatie- verzoek van de vrouw, aan te vullen met de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man stelt dat hij, als gevolg van het ontbreken van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gehouden is de voorlopige voorzieningen te blijven voldoen totdat de afwijzende beslissing in kracht van gewijsde gaat.

6. Het hof is van oordeel dat de man in zoverre geen belang heeft bij zijn verzoek omdat - zoals de man zelf reeds in zijn incidentele beroep heeft aangegeven - de beschikking voorlopige voorzieningen onverkort van kracht blijft totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 BW, indien dit verzoek is gedaan, bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat. Gelet op het vorenstaande dient de man naar het oordeel van het hof in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard.

Terugbetaling voorlopige voorzieningen

7. Indien de man meent dat hij recht heeft op terugbetaling van de door hem vanaf 16 januari 2002 aan de vrouw betaalde voorlopige voorzieningen, dient hij daarvoor naar het oordeel van het hof een andere procedure te entameren. Het hof zal de man derhalve in zoverre in zijn beroep niet ontvankelijk verklaren.

8. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek om de bestreden beschikking, houdende de afwijzing van het alimentatieverzoek van de vrouw, aan te vullen met de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en in zijn verzoek om te bepalen dat de vrouw al hetgeen hij sedert 16 januari 2002 aan haar heeft voldaan ingevolge de beschikking voorlopige voorzieningen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem dient terug te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zo-ver het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Labohm en Mulder, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 17 juli 2002.

Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer.