Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE5316

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2002
Datum publicatie
15-07-2002
Zaaknummer
01/1372
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 20 juni 2002

Rolnr. : 01/1372 KG

Rolnr. rb. : KG 01/1262

HET GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant, hierna: [appellant],

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

- - t e g e n - -

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Justitie, Officier van Justitie in het arrondissement Leeuwarden),

geïntimeerde, hierna: de Staat,

procureur: mr. M.J. Borgers.

Het geding

Bij exploit van 12 december 2001 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis d.d. 28 november 2001, door de president van de rechtbank te 's-Gravenhage in kort geding tussen partijen gewezen.

[appellant] heeft bij conclusie van eis in hoger beroep geconcludeerd conform voormeld exploit waarin een aantal klachten tegen het bestreden vonnis zijn opgenomen.

De Staat heeft bij memorie van antwoord (met producties) de klachten bestreden.

Partijen hebben hun standpunten op 6 mei 2002 voor het hof doen bepleiten, [appellant] bij monde van mr. G.A. Versteegh, advocaat te Groningen, en de Staat door zijn procureur.

Beide raadslieden bedienden zich van - overgelegde - pleitnota's. Door of namens partijen zijn inlichtingen verstrekt. De raadsvrouwe van [appellant] legde nog een productie over.

Ten slotte hebben partijen onder overlegging der stukken arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Niet is opgekomen tegen paragraaf 1 "De feiten" van het aangevallen vonnis, zodat het hof daarvan uitgaat.

2. Centraal in deze zaak staat de vraag of de Staat (het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) gehouden is tot aanvaarding van een minnelijke schuldsaneringsregeling - een daartoe strekkend voorstel van de Groningse Kredietbank (GKB), gedaan namens [appellant], heeft de Staat op 2 mei 2001 afgewezen -, waardoor aan [appellant] op grond van de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften ter zake van zeven snelheidsovertredingen, gepleegd in een periode van ongeveer twee jaar, opgelegde boetes tot een totaalbedrag van inclusief verhoging ƒ 1.143,75 voor niet meer dan 29,45% worden voldaan. De president heeft deze vraag ten nadele van [appellant] beantwoord en diens op bevestigende beantwoording daarvan gegronde vordering afgewezen. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

3. Het hof stelt voorop bij de beantwoording van de onder 2 vermelde vraag, dat een crediteur in beginsel aanspraak heeft op volledige betaling van zijn vordering en niet behoeft mee te werken aan een buitengerechtelijke schuldsanering van zijn debiteur waarbij slechts gedeeltelijke betaling plaatsvindt. Een uitzondering op deze regel moet slechts worden gemaakt als het niet verlenen van medewerking aan die schuldsanering moet worden aangemerkt als misbruik van recht, een onrechtmatige daad jegens de debiteur of handelen in strijdt met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Partijen verschillen erover of hier sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Staat (CJIB) dient mee te werken aan deze buitengerechtelijke schuldsanering van [appellant], wiens totale schuldenlast, op te nemen in de sanering, bij ƒ 40.000,= bedraagt.

4. Naar het oordeel van het hof is de Staat (CJIB) niet te beschouwen als een gewone crediteur zoals de andere schuldeisers van [appellant]. Het CJIB is ter ondersteuning van het OM, dat naar voorshands aannemelijk is verplicht is onherroepelijk opgelegde sancties ingevolge de onder 2 genoemde wet (WAHV) te executeren (evenals strafrechtelijke sancties), belast met de inning van de op grond van de WAHV opgelegde boetes. Vaststaat dat de WAHV en het op basis daarvan gevoerde incassobeleid geen ruimte laat voor kwijtschelding van boetes (behoudens als het om procenten gaat), terwijl zelfs het verlenen van uitstel en het treffen van betalingsregelingen niet of nauwelijks mogelijk is. De achtergrond van een en ander is het punitief karakter van de WAHV-sancties te handhaven en het voorkómen van een toevloed van verzoeken om kwijtschelding e.d.

5. Ter rechtvaardiging van zijn opstelling beroept de Staat zich met name op het onder 4 gesteld. Daarnaast ontleent de Staat nog enkele, lichtere, argumenten aan de inhoud van het saneringsvoorstel, al dan niet vergeleken met toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) zoals opgenomen in de art. 284 e.v. FW, voor zijn weigering aan een buitengerechtelijke schuldsanering mee te werken. [appellant] betwist de juistheid van die argumenten, maar een onderzoek daarvan kan achterwege blijven nu belangenafweging - het belang van de Staat als omschreven onder 4 en het na te noemen belang van [appellant] tegen elkaar afgezet - ook in hoger beroep ten nadele van [appellant] uitvalt. Bij pleidooi heeft de aldaar aanwezige [appellant] immers als enige reden voor zijn voorkeur voor een buitengerechtelijke schuldsanering naar voren gebracht, dat hij ertegen opziet, dat bij toepassing van de WSNP, in het kader waarvan - zoals zijn advocaat ook toegaf - een dwangakkoord kan worden gerealiseerd, binnen zijn verklaring bij de gemeente [X] bekend zou worden dat hij in een schuldsaneringssituatie verkeert. Deze reden is van onvoldoende gewicht om de Staat te dwingen buiten zulk een met waarborgen omklede wettelijke regeling om van een belangrijk deel van zijn aanspraken af te zien.

6. Gelet op het slot van rov. 5 kan niet worden gezegd, dat de Staat met zijn opstelling in strijd met het evenredigheidsbeginsel handelt. De gestelde schending van andere beginselen van behoorlijk bestuur door de Staat is niet nader toegelicht, zodat aan het beroep daarop voorbij wordt gegaan.

7. De grieven slagen niet en de vraag onder 2 wordt ontkennend beantwoord. Bekrachtiging moet volgen en de kosten van het hoger beroep komen voor rekening van [appellant].

Beslissing

het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- verwijst [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op € 230,= aan verschotten en op

€ 2.315,= voor salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vrij, Looten en Mendlik, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.:

Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest getekend door de oudste raadsheer.