Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE4967

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2002
Datum publicatie
05-07-2002
Zaaknummer
2200030701
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200030701

parketnummer 0992015700

datum uitspraak 24 juni 2002

verstek

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 2 oktober 2000 in de strafzaak tegen de verdachte:

naam verdachte,

geboren op datum te plaats.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 maart 2002 en 11 juni 2002.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

3.1

In eerste aanleg is de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken, met afwijzing van de vordering van de benadeelde partij L.J. de B..

3.2

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Verstekverlening en machtigingsvereiste

4.1

De verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 2 oktober 2000 als woonadres opgegeven: 's-Gravenhage, Van H.straat nr 85. De aanzegging hoger beroep is de verdachte op 18 december 2000 in het Paleis van Justitie te 's-Gravenhage in persoon uitgereikt.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de postbesteller op 8 februari 2002 de appèldagvaarding, tegen de terechtzitting van 26 maart 2002, niet kunnen uitreiken omdat op het adres Van H.straat 85 te 's-Gravenhage niemand werd aangetroffen en heeft hij ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten. De akte van uitreiking is vervolgens op 1 maart 2002 terug-gezonden aan het ressortsparket 's-Gravenhage.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de postbesteller op 8 februari 2002 de appèldagvaarding, tegen eerder genoemde terechtzitting, niet kunnen uitreiken omdat op het adres U.weg nr. 37 te Z. niemand werd aangetroffen en heeft hij ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten. De akte van uitreiking is vervolgens op 18 februari 2002 teruggezonden aan het ressortsparket 's-Gravenhage. Blijkens de aan de akte van uitreiking gehechte mededeling van de afdeling bevolking van de gemeente Z. was de verdachte op 8 februari 2002 en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres U.weg 37 te Zeist ingeschreven. De appèldagvaarding is vervolgens op 21 februari 2002 als gewone brief verzonden naar het adres U.weg 37 te Z.. De brief kwam op 27 februari 2002 retour, omdat de verdachte daar toen niet meer verbleef. De verdachte was op 21 februari 2002 niet gedetineerd.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de hoofdagent van politie G. van B. op 22 maart 2002 de appèldagvaarding op het adres Van H.straat 85 te Den Haag niet uitgereikt omdat volgens mededeling van de degene die zich op dat adres bevond de verdachte daar toen niet woonde.

De ouders van de verdachte zijn op 7 februari 2002 per aangetekend schrijven opgeroepen om de terechtzitting van 26 maart 2002 bij te wonen.

4.2

Het hof heeft ter terechtzitting van 26 maart 2002 het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 11 juni 2002 te 9.30 uur, de oproeping van de verdachte bevolen en tevens diens medebrenging gelast.

Het is het hof ambtshalve bekend dat het adres U.weg 37 te Z. het adres is waar de justitiële jeugdinrichting "Eikenstein" is gevestigd. Blijkens het GBA-overzicht d.d. 7 februari 2002 stond de verdachte voor de inschrijving op het adres U.weg 37 te Z. ingeschreven op het adres Van H.straat 85 te 's-Gravenhage. Ook het voorlichtingsrapport strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 november 2001 vermeldt als adres van de verdachte en zijn ouders Van H.straat 85 te 's-Gravenhage.

De ouders van de verdachte zijn op 19 april 2002 per brief opgeroepen om de terechtzitting van 11 juni 2002 bij te wonen.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de postbesteller op 24 april 2002 de oproeping voor de terechtzitting van 11 juni 2002 niet kunnen uitreiken omdat op het adres Van H.straat 85 te 's-Gravenhage niemand werd aangetroffen en heeft hij ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten. De akte van uitreiking is vervolgens op 3 mei 2002 teruggezonden aan het ressortsparket 's-Gravenhage. Blijkens aantekening op het GBA-overzicht d.d. 7 mei 2002 is aan de griffie door deze inrichting telefonisch meegedeeld dat de verdachte op 7 mei 2002 daar niet meer verbleef.

Blijkens de aan de akte van uitreiking gehechte mededeling van de afdeling bevolking van de gemeente Z. was de verdachte op 24 april 2002 en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres U.weg 37 te Z. ingeschreven. De oproeping voor de terechtzitting van 11 juni 2002 is op 7 mei 2002 als gewone brief verzonden naar het adres Van H.straat 85 's-Gravenhage. De verdachte was toen niet gedetineerd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2002 medegedeeld dat de verdachte niet reageert op door hem naar het adres Van H.straat 85 te 's-Gravenhage gestuurde brieven en dat hij geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen.

Blijkens een faxbericht van de Politie Haaglanden is de politie op 11 juni 2002 ter uitvoering van het bevel tot medebrenging binnengetreden in de woning gelegen aan de Van H.straat 85 te 's-Gravenhage. De verdachte is toen niet in de woning aangetroffen. Wel is de vader van de verdachte in de woning aangetroffen. Verdachte zou zich mogelijk bij zijn broer M. bevinden. Vader wist het adres niet precies, het zou in de buurt van het Hobbemaplein zijn.

Op grond van het vorenstaande is het hof tot het oordeel gekomen dat thans geen reëel perspectief bestaat dat de verdachte binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting van het hof zal verschijnen en heeft het hof tegen de verdachte verstek verleend.

Het verzoek van de raadsman van de verdachte om de zaak ten tweeden male aan te houden heeft het hof dan ook afgewezen.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. In de onderhavige zaak is de aanzegging hoger beroep aan de verdachte op 18 december 2000 in persoon uitgereikt. Vanaf dat moment mocht redelijkerwijs van de verdachte worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen zou nemen om te voorkomen dat de appèldagvaarding en de oproeping op een nadere terechtzitting te verschijnen hem niet zouden bereiken en dat de inhoud daarvan niet te zijner kennis zou komen.

Uit het feit dat de verdachte er niet voor heeft zorg gedragen dat de appèldagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 hem konden bereiken en hij aldus kennis kon nemen van de inhoud van die stukken en dat hij voor zijn raadsman - die hem ook in eerste aanleg heeft bijgestaan en uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 heeft ontvangen - bereikbaar was opdat hij ook langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte zou hebben kunnen komen (zie ook HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 r.o. 3.34), moet worden afgeleid dat de verdachte geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De raadsman van de verdachte heeft vervolgens verzocht het woord te mogen voeren, welk verzoek het hof heeft opgevat als een verzoek om de verdachte te mogen verdedigen, hoewel de raadsman meedeelde daartoe niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd. Als argumenten heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte minderjarig is en dat hij door de voorzitter van dit hof aan de verdachte is toegevoegd.

4.3

Het hof overweegt omtrent dit verzoek als volgt.

In zijn arrest van 23 april 2002 (zaaknummer 03678/00) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

"3.1. Krachtens artikel 415 Sv zijn de artikelen 279 en 331 Sv op het geding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing.

Artikel 279 Sv luidt:

"1. De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in (...).

2. De behandeling van de zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak."

Artikel 331 Sv luidt, voorzover nu van belang:

"1. Elke bevoegdheid van de verdachte die bij deze Titel is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van artikel 279, eerste lid, tot verdediging van de afwezige verdachte is toegelaten.

2. (...)."

3.2. Opmerking verdient dat de wet niet alleen in artikel 279 Sv en artikel 331 Sv een machtiging eist indien de verdachte zijn raadsman voor hem wenst te doen optreden. Gewezen kan worden op de artikelen 450, eerste lid, en 452, eerste lid, Sv betreffende het aanwenden van rechtsmiddelen en het indienen van schrifturen door een advocaat. Het machtigingsvereiste steunt op de gedachte dat de verdachte, alvorens een machtiging te verstrekken, een keuze maakt, onder meer wat betreft de aard en de omvang van de handelingen die zijn raadsman namens hem dient te verrichten. Dit betekent dat de verdachte gehouden kan worden aan hetgeen de raadsman ingevolge de verstrekte machtiging namens hem heeft gedaan en nagelaten.

Tegen deze achtergrond bezien moet strikt de hand worden gehouden aan het in artikel 279 Sv neergelegde machtigingsvereiste. Een strikte toepassing van artikel 279 Sv zal in de regel niet in strijd zijn met de eisen die voortvloeien uit artikel 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder c, EVRM. Laatstgenoemd verdragsvoorschrift brengt immers mee dat de verdachte het recht heeft om zich bij zijn verdediging te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze of door een toegevoegde advocaat, doch verzet er zich niet tegen dat die keuze onderscheidenlijk zijn instemming met het optreden van de hem toegevoegde advocaat dient te berusten op een daartoe door de verdachte verleende machtiging.

Daarom moet het in artikel 279 Sv besloten liggende stelsel aldus worden verstaan:

(1) dat de raadsman die

(a) de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat,

(b) ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, alle hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, dus met inbegrip van de bevoegdheden bedoeld in artikel 331, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering; in deze gevallen geldt de behandeling van de zaak als een procedure op tegenspraak;

(2) dat de raadsman die ter terechtzitting niet uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld; bij gebreke van een zodanige machtiging geldt de behandeling van de zaak als een procedure bij verstek.

Niet uitgesloten is dat op grond van voormelde verdragsvoorschriften in uitzonderlijke gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77).

3.3. De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren met inachtneming van de beperkingen zoals hiervoor onder 3.2 sub 2 overwogen. Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen nog meer aan te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijk systeem."

4.4

Het Hof merkt allereerst op dat de Hoge Raad in genoemd arrest geen onderscheid maakt tussen meer- en minderjarigen. Het hof neemt derhalve aan dat de door de Hoge Raad ontwikkelde jurisprudentie inzake het machtigingsvereiste ook toepassing dient te vinden ingeval de verdachte minderjarig is en dit enkele feit geen uitzonderlijk geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.2. laatste zinsnede oplevert.

4.5

Ook het op 20 november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 46 en Trb. 1990, 170), dat op 8 maart 1995 voor Nederland in werking is getreden, biedt geen steun voor een andersluidende opvatting. Ingevolge artikel 40, tweede lid, sub b iii van het Verdrag heeft "every child alleged as or accused of having infringed the penal law at least the following guarantees:

...

(iii) To have the matter determined without delay by a competent, independent and impartial authority or judicial body in a fair hearing according to law, in the presence of legal or other apppropriate assistance (..).

Deze verdragsbepaling biedt in het licht van het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM, in dit opzicht geen bijzondere bescherming aan minderjarigen.

4.6

Artikel 3, eerste lid, van het Verdrag, dat luidt: "In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration" is te algemeen geformuleerd om uit dat verdragsartikel alleen de bevoegdheid van de raadsman van een minderjarige verdachte om de verdediging te voeren af te leiden, indien die raadsman daartoe door die minderjarige zelf niet uitdrukkelijk is gemachtigd.

4.7

De verdachte heeft inmiddels de leeftijd van 16 jaren bereikt. Artikel 503, eerste lid, Sv vindt derhalve geen toepassing.

In de onderhavige zaak is de aanzegging hoger beroep aan de verdachte op 18 december 2000 in persoon uitgereikt. Op dat moment was de verdachte dus ervan op de hoogte dat de zaak in hoger beroep opnieuw zou worden behandeld en dat hij voor die behandeling zou worden opgeroepen.

Uit het feit dat de verdachte er niet voor heeft zorg gedragen dat hij voor zijn raadsman - die hem ook in eerste aanleg heeft bijgestaan - bereikbaar was, moet worden afgeleid dat hij vrijwillig ervan heeft afgezien om zijn raadsman uitdrukkelijk te machtigen namens hem de verdediging te voeren.

4.8

In een last tot toevoeging ligt niet de bevoegdheid van de raadsman besloten om de afwezige verdachte te verdedigen, ingeval de verdachte hem niet uitdrukkelijk heeft gemachtigd die verdediging te voeren.

4.9

Het verzoek van de raadsman van de verdachte om namens de verdachte de verdediging te mogen voeren -waartoe ook wordt gerekend de ondervraging van getuigen- wordt derhalve afgewezen.

5. Verzoek tot hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

5.1

Op 20 juni 2002, na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2002, kwam ter griffie van het hof een faxbericht, gericht aan de voorzitter, binnen met de volgende inhoud:

"In voorgemelde zaak is het onderzoek ter terechtzitting inmiddels gesloten. Het verzoek tot schorsing van de behandeling om verdachte op een nadere terechtzitting te laten verschijnen is afgewezen omdat er geen zicht op was dat verdachte op korte termijn zou verschijnen.

Inmiddels heeft verdachte contact met mij opgenomen en bij mij gegevens achtergelaten waar hij te bereiken is. Hij heeft zich ook bereid verklaard en zelfs de wens te kennen gegeven in zijn aanwezigheid te willen worden berecht.

Nu ik ervoor kan zorgen dat verdachte op korte termijn op een nadere terechtzitting kan verschijnen en ook aannemelijk is dat hij zal verschijnen, verzoek ik u hierbij om heropening van het onderzoek. Een oproeping van de verdachte om te verschijnen op een nadere terechtzitting kan aan mij worden verzonden. Ik zal er dan voor zorgen dat verdachte hierbij aanwezig zal zijn."

5.2

Omtrent dit verzoek overweegt het hof als volgt.

Artikel 495a van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:

1. De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, het gerecht zijn medebrenging kan gelasten.

2. Indien de van misdrijf verdachte in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, stelt het gerecht (...) het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt het tevens de medebrenging van de verdachte. Het gerecht kan echter indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.

3. Tegen de verdachte die in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, wordt tenzij het gerecht de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek verleend. Het onderzoek wordt daarna voortgezet.

Ingevolge het bepaalde in artikel 501 van het Wetboek van Strafvordering is artikel 495a van dit wetboek in geval van hoger beroep bij het gerechtshof van overeenkomstige toepassing.

5.3

Het hof heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep op 26 maart 2002 aangehouden tot 11 juni 2002 om twee verschillende redenen, zoals ook blijkt uit het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal. De verdachte is niet terechtzitting verschenen. De raadsman van de verdachte heeft, nu hem niet was gebleken dat zijn cliënt afstand wilde doen van zijn aanwezigheidsrecht, aanhouding verzocht. Het hof heeft dit verzoek, mede gelet op voormelde wetsartikelen, gehonoreerd.

Zowel uit het vonnis betreffende de verdachte van 2 oktober 2000 als uit het vonnis betreffende de medeverdachte M.B.A. van 15 november 2000 bleek dat onduidelijkheid bestond over de vraag wie nu volgens de aangever de kleinste van de twee was. Op beide terechtzittingen heeft de kinderrechter vastgesteld dat de medeverdachte M.B.A. de kleinste van de twee is. In het belang van het onderzoek heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting tevens geschorst "ten einde de zaken tegen verdachte en medeverdachte M.B.A. gelijktijdig te kunnen behandelen en beide personen in elkaars zaak als getuige te kunnen horen". Het hof heeft voorts in het belang van het onderzoek de advocaat-generaal verzocht het vonnis van 15 november 2001 (lees: 2000) betreffende de medeverdachte M.B.A. en de verklaringen van die medeverdachte afgelegd bij de rechter-commissaris aan het dossier toe te voegen.

Op de nadere terechtzitting is de verdachte niet, de medeverdachte M.B.A. als getuige wel verschenen.

Het hof heeft beide zaken gelijktijdig behandeld.

5.4

Het hof heeft hiervoor onder 4 uiteengezet uit welke feiten en omstandigheden het hof heeft afgeleid dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Genoemd faxbericht bevat een duidelijke aanwijzing dat de verdachte thans alsnog gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het recht van de verdachte op berechting in zijn tegenwoordigheid moet evenwel worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging. Zie HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 (r.o. 3.33).

Het belang van een behoorlijke rechtspleging in de onderhavige zaak bracht mee dat deze gelijktijdig met de zaak tegen de medeverdachte M.B.A. werd berecht en afgedaan, hetgeen ook is geschied. Dit belang - een gelijktijdige berechting van beide zaken - dient naar 's hofs oordeel thans zwaarder te wegen dan het belang van de verdachte bij een hervatting van het onderzoek ten einde hem alsnog in staat te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geheel aan de verdachte zelf te wijten is geweest dat ten tijde van de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 sprake was van omstandigheden waaruit het hof heeft moeten afleiden dat de verdachte geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid en dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. In zoverre onderscheidt deze zaak zich duidelijk van de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2001, NJ 2002, 203.

Het verzoek tot hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep wordt derhalve afgewezen.

6. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof met eenparigheid van stemmen tot een andere beslissing komt dan de eerste rechter.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair onder eerste en tweede alternatief tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair onder eerste en tweede alternatief bewezenverklaarde levert op:

De voortgezette handeling van afpersing door twee of meer verenigde personen, en diefstal, voorafgegaan van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

11.1

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat aan de verdachte terzake van het primair onder eerste en tweede alternatief tenlastegelegde de straf van jeugddetentie zal worden opgelegd voor de tijd van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

11.2

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

11.3

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van een mobiele telefoon en diefstal van geld en een strippenkaart. Verdachte en zijn mededaders zijn er niet voor teruggedeinsd hierbij geweld tegen het slachtoffer te gebruiken en het slachtoffer daarmee te bedreigen. De rol van de verdachte bestond hierin dat hij bij het slachtoffer is gaan staan. Aldus heeft hij bijgedragen aan het ontstaan van een bedreigende situatie voor het slachtoffer. Een feit als het onderhavige wordt over het algemeen door de slachtoffers als buitengewoon bedreigend ervaren en daarnaast brengt een dergelijk feit ook angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid bij de burgers teweeg.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2002, reeds strafrechtelijk is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

11.4

Het hof heeft onder andere kennis genomen van de voorlichtingsrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 16 november 2001, betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door I. C., raadsonderzoeker, en A.A. V., praktijkleider.

Uit deze rapportage komt ten aanzien van de verdachte onder meer naar voren -zakelijk weergegeven- dat voor wat betreft een strafrechtelijke afdoening alleen detentie in aanmerking komt. Bovendien wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf van jeugddetentie op te leggen omdat bij de verdachte de kans op recidive erg groot blijft.

11.5

Het hof is -gelet op het bovenstaande- van oordeel dat het opleggen van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf in de vorm van jeugddetentie, zoals na te melden, een passende reactie vormt.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de tijd, die tussen het instellen van het hoger beroep, op 12 oktober 2000, en de definitieve feitelijke behandeling van het hoger beroep, op 11 juni 2002, is verstreken, in die zin dat een week onvoorwaardelijke jeugddetentie in mindering is gebracht.

11.6

Het hof adviseert het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf van jeugddetentie ten uitvoer te leggen in één van de bestaande opvanginrichtingen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 56, 63, 77a, 77g (oud), 77h (oud), 77i, 77x (oud), 77y, 77z, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

13. Vordering tot schadevergoeding

L.J. de B. heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd en een schadevergoeding gevorderd van een bedrag van f.500,-. De kinderrechter heeft de vordering van de benadeelde partij afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gesteld, zodat op de vordering tot schadevergoeding niet meer behoeft te worden beslist.

Beslissing (bij verstek)

Het hof:

Wijst het verzoek van de raadsman van de verdachte om het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te hervatten af.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair onder eerste en tweede alternatief tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde voortgezette handeling oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het

bewezenverklaarde.

Legt aan de verdachte op de straf van jeugddetentie voor de duur van ZEVEN WEKEN.

Beveelt dat een op VIER WEKEN bepaald gedeelte van de straf van jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaarde-lijke gedeelte van de opgelegde straf van jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Von Brucken Fock, Aler en Verduyn,

in bijzijn van de griffier mr. Mulder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2002.