Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE4716

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
2200189101
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200189101

parketnummers 1100611601 en 1100530201

datum uitspraak 29 maart 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE ?S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van

de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van

9 augustus 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

21 januari 2002 en 18 maart 2002.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1,2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1,2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE

1. dat hij op 18 april 2001 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen GSM's en geld en een cd , toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Geef me alles of ik schiet je!", althans woorden van gelijke aard en strekking en

- (daarbij) een vuurwapen heeft gericht op het hoofd van die [slachtoffer 1] en de loop van een vuurwapen heeft gehouden

tegen de wang van die [slachtoffer 1] en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Geef me dat geld, maak geen rare bewegingen, anders schiet ik !", althans woorden

van gelijke aard en strekking en

- (daarbij) een vuurwapen tegen de keel van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt en gehouden;

2. dat hij op 19 april 2001 te Dordrecht,

- een wapen van categorie III onder 1 in de vorm van een pistool of een revolver, te weten een gaspistool (merk GECO, type

P35, kaliber .35) en

- munitie van categorie III, te weten 3 knalpatronen (kaliber 9 mm, voorzien van het opschrift GOP, 9mm R.A.) en

- een wapen van categorie III onder 1 in de vorm van een pistool of een revolver , te weten een pistool (serienummer 35272, kaliber 7.62 mm) en

- munitie van categorie III, te weten 6 scherpe kogelpatronen (kaliber 7,65 mm)

voorhanden heeft gehad;

3. ter berechting gevoegd 11/005302-01

dat hij op 08 april 2001 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een geldbedrag van ongeveer fl. 1145,-- toebehorende aan [slachtoffer 3] en

- een mobiele telefoon en een gouden ketting, toebehorende aan [slachtoffer 4] en

- een mobiele telefoon en een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer 5],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders:

- een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer 4] en

- heeft geschoten op die [slachtoffer 4] en

- die [slachtoffer 4] met een vuurwapen in het gezicht heeft geslagen en

- een vuurwapen heeft gericht op de nek van die [slachtoffer 5].

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1,2 en 3 bewezenverklaarde levert op:

1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en

bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van

de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

3. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Wittop Koning heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1,2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader(s) schuldig gemaakt aan twee gewelddadige berovingen, waarvan één zeer gewelddadig. Bij een overval in een benzinestation is een slachtoffer door een schot geraakt en geheel nodeloos met een vuurwapen in het gezicht geslagen. Verdachte hanteerde bij deze feiten een vuurwapen en heeft aan mededaders een vuurwapen verstrekt, dat ook bij de berovingen is gebruikt. Bovendien merkt het hof de verdachte aan als degene die het initiatief nam tot het plegen van deze feiten. Deze feiten zijn door de slachtoffers als buitengewoon bedreigend ervaren en te verwachten valt dat zij nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Daarnaast brengen feiten zoals het onderhavige bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Tevens heeft verdachte een revolver, pistool en scherpe patronen voorhanden gehad. Tegen onbevoegd wapenbezit dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens hem betreffende uittreksels uit het documentatieregisters in het verleden reeds eerder meermalen is veroordeeld, onder meer tot langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor het plegen van soortgelijke feiten, en dat hij de onderhavige feiten heeft gepleegd in een proeftijd van zijn laatste veroordeling.

Het hof is gezien het voorgaande van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

10. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van drieduizend gulden (f. 3.000,--).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot

het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van

drieduizend gulden (f. 3.000,--).

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen. Uitgedrukt in euro's is drieduizend gulden (f. 3.000,--), dertienhonderdeenenzestig euro en vierendertig eurocent (€ 1.361,34).

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

11. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van dertienhonderdeenenzestig euro en vierendertig eurocent (€ 1.361,34) ten behoeve van het slachtoffer A.M. Wildhagen, wonende aan de Hoenderparkweg 15 te Breda.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

13. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1,2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1,2 en 3 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het onder

1,2 en 3 bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZEVEN JAAR.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het gevorderde bedrag van DERTIENHONDERDEENENZESTIG EURO EN VIERENDERTIG EUROCENT (€ 1.361,34) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van dertienhonderdeenenzestig euro en vierendertig eurocent (€ 1.361,34) ten behoeve van het slachtoffer A.M. Wildhagen, wonende aan de Hoenderparkweg 15 te Breda, welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van zevenentwintig (27) dagen.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van dertienhonderdeenenzestig euro en vierendertig eurocent (€ 1.361,34) ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het bedrag van dertienhonderdeenenzestig euro en vierendertig eurocent (€ 1.361,34) komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Teulings en

Zandbergen, in bijzijn van de griffier mr. Kloos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 maart 2002.