Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE3771

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
560-R-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 8 mei 2002

Rekestnummer : 560-R-01

Rekestnr. rechtbank : FA 97-6649

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats]s,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. A. Vijftigschild,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. W. Taekema.

PROCESVERLOOP

De moeder is [in] 2001 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te [x] [in] 2001.

De vader heeft op 19 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 14 november 2001 is de zaak mondeling behandeld. Het hof heeft de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot zaterdag 30 maart 2002, met het verzoek aan de raad vijf proefcontacten te organiseren tussen de vader en de twee minderjarige kinderen, met een frequentie van één maal per drie weken, en het hof van het verloop daarvan op de hoogte te stellen. Tevens heeft het hof verzocht om een reactie van partijen op het verslag van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Rotterdam, hierna te noemen: de raad.

Nadien is van de zijde van de raad bij het hof een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 11 februari 2002.

Tevens is nadien van de zijde van de vader een brief met bijlage ingekomen, gedateerd 11 maart 2002.

Op 3 april 2002 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. De moeder is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende vast.

De partijen zijn [in] gehuwd. Door dit huwelijk zijn gewettigd de thans nog minderjarige kinderen:

[de[de oudste dochter]hter], geboren [in] 1994, hierna te noemen [de oudste dochter], en

[[de jongste dochter]dochter], geboren [in] 1996, hierna te noemen: [de jongste dochter].

[In] 1997 heeft de vader een verzoek tot echtscheiding en een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen ingediend.

Bij beschikking [in] 1997 heeft de rechtbank te [x] [de oudste dochter] en [de jongste dochter] voorlopig aan de moeder toevertrouwd en de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de voorziening in het ouderlijk gezag en de omgangsregeling van de kinderen met de niet-verzorgende ouder.

Op 18 mei 1998 brengt de raad een rapport uit.

Bij beschikking [in] 1998 heeft de rechtbank te [x] onder meer tussen de par-tijen de echtscheiding uitgespro-ken. Tevens is bepaald dat de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over [de oudste dochter] en [de jongste dochter] en verder is er een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de jongste dochter] vastgesteld, waarbij [de jongste dochter] één dag per veertien dagen bij de vader mag verblijven en is de verdere behandeling aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar overleg te voeren omtrent de invulling van de gewenste hulpverlening die een eventuele omgangsregeling tussen de vader en [de oudste dochter] kan begeleiden.

Bij opvolgende beschikking [in] 1998, zoals verbeterd bij beschikking [in] 1998, heeft de rechtbank te [x] onder meer bepaald dat de voorlopige omgangsregeling als volgt zal zijn: [de jongste dochter] mag vanaf 31 oktober 1998 één zaterdagmiddag per twee weken van 14.00 uur tot 17.00 bij de vader verblijven en indien [de oudste dochter] zelf aangeeft ook mee te willen naar de vader dan geldt vermelde regeling ook voor [de oudste dochter]. Voorts is de raad verzocht een aanvullend onderzoek te verrichten naar de omgang tussen de vader en de kinderen en is de verdere behandeling wederom aangehouden.

Bij brief d.d. 21 april 1999 deelt de raad mee dat de moeder te kennen heeft gegeven dat zij op geen enkele wijze medewerking zal verlenen aan het tot stand komen van een bezoekregeling tussen de vader en zijn kinderen.

Bij beschikking [in] 1999 heeft de rechtbank bepaald dat de moeder - conform de wettelijke plicht - de vader éénmaal per kwartaal dient te informeren over de ontwikkeling, gezondheid en - voor zover van toepassing - school van de kinderen, onder toezending van een actuele, goedgelijkende foto van de kinderen en is de raad verzocht een onderzoek te doen naar de mogelijkheden de bij de beschikking [in] 1998 vastgelegde omgangsregeling van de vader en de kinderen te begeleiden. Voorts heeft de raad het PPAB verzocht, zo daartoe mogelijkheden zijn, invulling te geven aan een omgangsregeling en deze te begeleiden en de rechtbank het betreffende PPAB-rapport, alsmede een aanvullende rapportage van de raad en advies te doen toekomen.

Op 21 februari 2000 verschijnt het PPAB-rapport.

Op grond van het proces-verbaal van de zitting van 20 april 2000 bij de rechtbank te [x] verzoekt de raad het PPAB opnieuw een onderzoek naar [de oudste dochter] en [de jongste dochter] in te stellen.

Bij brief d.d. 16 november 2000 deelt de raad mee dat de moeder volhardt in haar weigering mee te werken aan een onderzoek van het PPAB.

Bij opvolgende beschikking van 27 februari 2001 heeft de rechtbank bepaald dat de vader contact kan hebben met de kinderen via het PRO-project in het "omgangshuis" te Rotterdam-Hoogvliet één maal per drie weken op de woensdagmiddag, in overleg met het omgangshuis. Voorts is de moeder veroordeeld tot betaling aan de vader van een dwangsom van ƒ 500,- voor iedere keer dat zij niet meewerkt aan de uitvoering van de hierboven vermelde omgangsregeling via het PRO-project. Tevens is de coördinator van het project verzocht de rechtbank te rapporteren over het verloop van de begeleide contacten en wat verder mogelijk is en is de verdere behandeling wederom aangehouden.

Op 19 maart 2001 laat de projectcoördinator van PRO weten in het onderhavige geval niet te kunnen bemiddelen.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vader de kinderen eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij zich zal hebben, alsmede gedurende de tweede helft van alle schoolvakanties. Voorts heeft de rechtbank de moeder veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van vermelde omgangsregeling. Tevens is de moeder veroordeeld tot betaling aan de vader van een dwangsom van ƒ 500,- voor iedere keer dat zij niet meewerkt aan de uitvoering van vermelde omgangsregeling tot een maximum van ƒ 10.000,-.

Op 11 februari 2002 verschijnt het eindrapport van de raad, waarin de raad meedeelt dat het thans niet in staat is proefcontacten op te starten vanwege het ontbreken van de medewerking van de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgangsregeling tussen de vader en [de oudste dochter] en [de jongste dochter].

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen:

primair: dat er geen omgang zal zijn tussen de vader en [de oudste dochter] en [de jongste dochter];

subsidiair: dat er geen omgangsregeling tussen de vader en de [de oudste dochter] en [de jongste dochter] wordt vastgesteld, zolang niet door een onafhankelijke deskundige (ABJ te Leiden) is gerapporteerd dat een omgangsregeling in het belang van de kinderen geacht moet worden, althans te beslissen zoals het hof juist acht. De vader bestrijdt het verzoek van de moeder gemotiveerd.

3. De moeder voert hiertoe aan dat er zwaarwegende redenen zijn waardoor een omgangsregeling niet in het belang van de kinderen geacht kan worden. Het baart de moeder zorgen dat [de oudste dochter] van een vrolijke en zorgeloze peuter is veranderd in een stil en angstig kind. De moeder zoekt de oorzaak bij de vader, omdat bij haar vermoedens bestaan van seksueel misbruik door de vader. Haar weigerachtige houding vloeit dan ook niet voort uit een gebrek aan bereidwilligheid, maar uit angst. Dat [de jongste dochter] en haar vader zo weinig contact hebben gehad is met name aan de vader zelf te wijten. De moeder kan zich niet verenigen met een dwangsom, omdat zij die wegens hoge rekeningen niet kan betalen.

4. De vader verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in de proceskosten. Ter terechtzitting heeft de vader zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, maar de dwangsom op het niet nakomen van de omgangsregeling te verhogen naar € 350,- per keer en tevens een dwangsom van € 500 op te leggen voor elke keer dat de moeder de opgelegde informatieregeling niet nakomt.

5. De vader voert aan dat hij zijn kinderen vier en een half jaar lang niet heeft gezien en dat hij daar zeer onder heeft te leiden. Hij ontkent dat hij aanbiedingen van de moeder om [de oudste dochter] en [de jongste dochter] te zien heeft afgeslagen. De vader is zich er van bewust dat, nu hij zo lang geen contact met [de oudste dochter] en [de jongste dochter] heeft gehad, de omgang langzaam en gefaseerd zal moeten worden opgebouwd. Tijdens de omgang hoopt de vader het negatieve beeld dat de kinderen door toedoen van de moeder van hem hebben weg te nemen. Naar de mening van de vader frustreert de moeder op alle mogelijke manieren de omgang, zowel door de procesgang te verstoren als door op geen enkele manier medewerking te verlenen aan bemiddeling, onderzoeken of begeleide (proef)contacten. Nu de omgangsregeling door de weigerachtige houding van de moeder zo is vastgelopen is de vader van mening dat de rechtbank terecht een dwangsom heeft opgelegd. De vader heeft na vele malen de kinderen niet te hebben meegekregen, de deurwaarder opdracht gegeven de dwangsommen te gaan innen. Ook aan de informatieplicht, opgelegd bij beschikking [in] 1999 voldoet de moeder niet.

6. De raad acht omgang in het belang van [de oudste dochter] en [de jongste dochter] en ziet geen reden de kinderen en de vader het recht op omgang te ontzeggen. De omgangsregeling is vastgelopen nadat echt alle middelen zijn ingezet, zodat de raad het opleggen van een dwangsom thans nog de enige mogelijkheid acht om effectuering van de omgang af te dwingen.

7. Uitgangspunt is dat het in het algemeen in het belang van een kind is te achten dat het contact heeft met de niet verzorgende ouder en in beginsel hebben beiden ook recht op omgang met elkaar, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. Het hof acht dergelijke zwaarwegende belangen niet aanwezig en overweegt daartoe als volgt.

8. Door de moeder zijn naar 's hofs oordeel geen argumenten aangevoerd die een contra-indicatie zouden kunnen zijn voor omgang tussen de vader en beide kinderen. Alhoewel de moeder stelt dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van [de oudste dochter] en [de jongste dochter] onderbouwt ze deze stelling onvoldoende. De vermoedens van seksueel misbruik zijn door de moeder volstrekt niet aannemelijk gemaakt en verder geeft ze haar bezwaren geen invulling. De moeder heeft zelfs alle gelegenheden die zij heeft gehad om haar standpunt kenbaar te maken onbenut gelaten. Zo is zij bij de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 2 april 2002 niet ter zitting verschenen. Daar komt nog bij dat door de weigerachtige houding van de moeder überhaupt niet getoetst kan worden of er zwaarwegende argumenten tegen de omgang bestaan. De moeder frustreert de omgangsregeling door de procesgang te verstoren, rechterlijke uitspraken naast zich neer te leggen, raadsadviezen te negeren en elke medewerking te weigeren aan bemiddelingspogingen en onderzoeken. Ze komt zelfs de afgesproken (begeleide) proefcontacten niet na. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet van bezwaren tegen de omgang tussen de vader en [de oudste dochter] en [de jongste dochter]. Bovenstaande brengt met zich mee dat er geen zwaarwegende belangen zijn die zich tegen de omgang verzetten, zodat het hof van oordeel is dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling niet strijdig is met de belangen van [de oudste dochter] en [de jongste dochter].

9. Onder deze omstandigheden, waarbij de vader zich zeer bereidwillig opstelt en de moeder elke medewerking weigert, is het opleggen van een dwangsom gerechtvaardigd. Het hof ziet echter geen aanleiding om de dwangsom ter zake van de omgangsregeling te verhogen noch om een dwangsom op te leggen voor het niet nakomen van de informatieregeling.

10. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof, met de rechtbank, van oordeel is dat omgang in het belang van [de oudste dochter] en [de jongste dochter] is en het opleggen van een dwangsom noodzakelijk is om omgang te realiseren, zodat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Kok en Labohm, bijge-staan door

mr. Groenleer als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 8 mei 2001.