Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE3176

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2002
Datum publicatie
24-05-2002
Zaaknummer
2200048502
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200048502

parketnummer 1009116700

datum uitspraak 7 mei 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen de beslissing van de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 10 december 2001 op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde],

geboren op [datum] te [plaats],

adres: [straatnaam en nummer] te [plaats].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 april 2002.

2. Procesgang

2.1

Aan de veroordeelde is bij vonnis van de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 28 september 2000 onder meer opgelegd 80 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, met aftrek van voorarrest zodat 54 uren te verrichten arbeid ten algemenen nutte resteren. Deze arbeid diende uiterlijk binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis te zijn aangevangen en binnen zes maanden na gemeld tijdstip van aanvang te zijn voltooid.

Blijkens een de veroordeelde betreffend Uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, d.d. 29 november 2001, is dit vonnis op 13 oktober 2000 onherroepelijk geworden.

2.2

De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft een schriftelijke vordering als bedoeld in artikel 77o lid 5 (oud) van het Wetboek van Strafrecht ingediend, inhoudende dat alsnog de niet verrichte uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte zullen worden omgezet in (een gedeelte van) de overwogen vrijheidsstraf en tevens de tenuitvoerlegging daarvan zal worden gelast, aangezien de veroordeelde de opgelegde alternatieve sanctie niet naar behoren heeft verricht.

2.3

De kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft de vordering met gesloten deuren behandeld op de terechtzitting van 10 november 2001. Op die terechtzitting zijn -zo blijkt uit de beslissing van de kinderrechter- de officier van justitie, de raadsvrouw van de veroordeelde alsmede een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam gehoord. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.4

Bij beslissing van 10 december 2001 heeft de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam aan de veroordeelde alsnog een jeugddetentie voor de duur van 24 dagen opgelegd.

2.5

De veroordeelde heeft tegen deze beslissing op 18 december 2001 hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep met gesloten deuren behandeld op de terechtzitting van 23 april 2002. Op die terechtzitting zijn gehoord de advocaat-generaal, de veroordeelde en diens raadsman mr. Ong Sien Hien, advocaat te Rotterdam. De advocaat-generaal heeft gevorderd de veroordeelde niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

3. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 77ee lid 1 (oud) juncto artikel 14j lid 1 van het Wetboek van Strafrecht staat tegen een beslissing op een vordering als bedoeld in artikel 77o lid 5 (oud) van het Wetboek van Strafrecht geen rechtsmiddel open.

3.2

De civiele kamer van de Hoge Raad heeft in gevallen waarin de wet hoger beroep of beroep in cassatie tegen een beslissing uitsluit, aanvaard dat een hogere voorziening niettemin openstaat, onder meer, indien bij de totstandkoming van die beslissing essentiële vormen zijn verzuimd. Een verzuim van essentiële vormen doet zich voor indien een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging is geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Zie o.m. HR 5 maart 1999, NJ 1999, 676. Ook in het bestuursrecht is een soortgelijk regel aanvaard. Zie Centrale Raad van Beroep 29 januari 1999, AB 1999, 200 en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 september 2001, AB 2001, 327. In laatstgenoemde uitspraak is beslist dat "uitspraak is gedaan met zodanige schending van het fundamentele rechtsbeginsel strekkende tot hoor en wederhoor dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces". Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ook in het strafrecht dient te gelden dat, indien de wet een hogere voorziening tegen een beslissing van de strafrechter uitsluit, zoals artikel 14j lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, een hogere voorziening niettemin openstaat, indien zich een schending van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging voordoet dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Als een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging is in ieder geval aan te merken het aanwezigheidsrecht van betrokkene.

3.3

In het dossier bevindt zich een brief van de veroordeelde aan de kinderrechter, gedateerd 7 december 2001 en gestempeld voor ontvangst (door de Centrale Balie van het Arrondissement Rotterdam én de Sector Strafrecht van de rechtbank aldaar), eveneens op 7 december 2001, met de volgende tekst:

"... ik moest bij u verschijnen op maandag 10 december. Maar tot mijn spijt kan ik niet komen, omdat ik nu namelijk in mijn proefwerkweek zit. Ik kan het namelijk ook niet herkansen. Ik hoop dat ik u hierbij voldoende heb geïnformeerd."

Hoewel daarin niet met zoveel woorden wordt verzocht om een uitstel van de behandeling van de vordering, moet aangenomen worden dat dit wel de strekking van de brief is geweest. Niet gebleken is of de kinderrechter de brief onder ogen heeft gekregen. In ieder geval heeft zij geen aanleiding gezien de behandeling aan te houden, de zaak bij afwezigheid van de veroordeelde behandeld en de beslissing tot zodanige afdoening niet gemotiveerd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden, waarin de veroordeelde te kennen heeft gegeven van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te willen maken en voorts een geldige reden voor verhindering opgeeft, de kinderrechter door desondanks de zaak buiten aanwezigheid van de veroordeelde te behandelen, zeker nu het een jeugdige betreft, een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak. Het hof wijst in dit verband op artikel 12 lid 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 46 en 1990, 170) dat inhoudt: "the child shall in particular be provided the opportunity to be heard in any judicial (...) proceedings affecting the child, either directly, or through a respresentative or an appropriate body, in a manner consistent with the procedural rules of national law." De veroordeelde is dus ontvankelijk in zijn appèl.

4. Terugwijzing

Artikel 77o lid 5 (oud) van het Wetboek van Strafrecht heeft de beslissing om een alternatieve sanctie om te zetten in een andere straf en de tenuitvoerlegging daarvan te bevelen, nadrukkelijk voorbehouden aan de rechter die de alternatieve sanctie heeft opgelegd. Om die reden kan het hof de vordering niet zelf in behandeling nemen en dient de beslissing waarvan beroep te worden vernietigd en de zaak te worden teruggewezen naar de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam, teneinde opnieuw te worden afgedaan.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de veroordeelde ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Wijst de zaak terug naar de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam teneinde op de bestaande vordering opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Von Brucken Fock, Aler en Verduyn,

in bijzijn van de griffier mr. Van den Haak.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 mei 2002.