Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE3138

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
10-06-2002
Zaaknummer
873-H-98
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 27 maart 2002

Rek.nr. : 873 H 98

Rek.nr.rb. : 98.360

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

de GEMEENTE ZOETERMEER,

te Zoetermeer,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur aanvankelijk mr. H.M.D. Bentfort van Valkenburg,

thans mr. B. Meijer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Zoetermeer,

hierna te noemen [de vrouw],

mede als wettig vertegenwoordigster van haar [drie minderjarige kinderen]

verweerders, tevens incidenteel verzoekers, in hoger beroep,

procureur mr. J.J.P.M. Benders.

HET GEDING

Voor de loop van het geding tot en met de tussenbeschikking van het hof van 28 februari 2001 verwijst het hof naar die beschikking.

In die beschikking heeft het hof aan de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit gevraagd of hetgeen in die tussenbeschikking is overwogen de commissie aanleiding geeft algemene opmerkingen te maken die van belang kunnen zijn voor de afweging waarvoor het hof staat.

Bij brief van 6 september 2001 heeft de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit advies uitgebracht.

Bij brief van 23 oktober 2001 heeft de gemeente op dat advies gereageerd.

De advocaat-generaal heeft bij conclusie van 1 november 2001 eveneens gereageerd op het advies.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In de tussenbeschikking heeft het hof aangegeven dat het voor de vraag staat of de gemeente binnen de grenzen van behoorlijk bestuur de vrijheid heeft om het opgenomen gegeven "Somalische nationaliteit" te wijzigen in: onbekende nationaliteit.

2. In het advies geeft de commissie allereerst aan dat legalisatie en eventueel verificatie van buitenlandse documenten alleen aan de orde is bij de burgerlijke staat van personen. Vervolgens stelt de commissie vast dat de nationaliteit geen gegeven van de burgerlijke staat betreft.

De commissie stelt verder dat het systeem van de Wet GBA strikt is. Alleen aan de hand van documenten kan inschrijving in de gba plaatsvinden. Het sterkste document betreft dan de geboorteakte, het zwakste een verklaring onder eed of belofte. De gemeenten hebben geen of nauwelijks een marge om af te wijken van de gronden zoals opgenomen in artikel 43 Wet GBA voor opneming van een buitenlandse nationaliteit in de gba.

Is eenmaal een nationaliteit opgenomen, dan kan zulks alleen worden gewijzigd indien de gemeente constateert dat het opgenomen gegeven onjuist of niet meer actueel is.

Ten aanzien van de Somalische documenten zoals in de onderhavige zaak zijn overgelegd, stelt de commissie vast dat betrokkenen in bewijsnood verkeren, nu zij door het ontbreken van een centraal gezag in dat land dat als zodanig in Nederland wordt erkend, geen nader bewijs kunnen leveren door middel van documenten van de Somalische autoriteiten ten aanzien van het gestelde bezit van de Somalische Nationaliteit.

De commissie merkt voorts op dat de vermelding van de nationaliteit in de gba een registratie is en geen vaststelling. Bij twijfel aan de opgegeven nationaliteit volgt een deskundigenonderzoek door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Een dergelijk onderzoek omvat een gedegen onderzoek naar de taal en de cultuur van de betrokkenen, op grond waarvan kan worden afgeleid welke nationaliteit zij bezitten. Een dergelijk onderzoek leidt tot registratie van de nationaliteit van de betrokkene door de IND.

De commissie constateert dat het in de praktijk met enige regelmaat voorkomt dat de gba-ambtenaar anders beslist dan de IND, en in plaats van de nationaliteit opneemt "nationaliteit onbekend". De commissie acht het ongewenst dat een en dezelfde persoon door overheidsorganen op verschillende wijze geregistreerd wordt.

3. De gemeente heeft gepersisteerd bij haar standpunt.

4. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikking, zij het onder verbetering van gronden.

5. Het hof verwijst naar hetgeen reeds is overwogen in de tussenbeschikking van 28 februari 2001 en neemt dat hier over. Mede in aanmerking genomen het advies van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit, komt het hof tot het oordeel dat het de gemeente in het onderhavige geval niet vrijstond om binnen de grenzen van behoorlijk bestuur het opgenomen gegeven "Somalische nationaliteit" te wijzigen in: onbekende nationaliteit, nu de Somalische nationaliteit door de IND uit een gedegen onderzoek is afgeleid en een wijziging van de gegevens in de gba slechts mogelijk is indien de gemeente constateert dat het opgenomen gegeven onjuist is, hetgeen de gemeente niet heeft kunnen constateren, nu zij zich beroept op documenten en wel identiteitsbewijzen, waarvan allerminst is komen vast te staan dat die niet juist zouden zijn.

De bestreden beslissing zal dan ook, met verbetering van gronden zoals reeds overwogen in de tussenbeschikking van 23 april 1999, worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 4 november 1998.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Pannekoek-Dubois en Duindam, bijgestaan door Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2002.