Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2898

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
403-D-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 6 maart 2002

Rekestnummer : 403-D-01

Rekestnr. rechtbank : 34682 FA RK 00-8064

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

M[appellant],

wonende te Vianen,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. W.B. Teunis,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Vianen,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J.M.C. ten Hoope.

PROCESVERLOOP

De man is op 18 mei 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Dordrecht van 4 april 2001.

De vrouw heeft op 23 november 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 11 januari 2002 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw is, hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet in persoon versche-nen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank te Dordrecht tussen de partijen, met elkaar gehuwd [in] 1984 te Nador (Marokko), de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is onder meer bevolen dat de partijen na de inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand met elkaar over dienen te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de verzoeken van de vrouw, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, alsnog af te wijzen. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

2. De man stelt dat ten tijde van de indiening van het inleidende verzoek zowel hij als de vrouw de Marokkaanse nationaliteit hadden en derhalve Marokkaans recht als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit moet worden toegepast, ondanks het feit dat de vrouw in de loop van de procedure naast haar Marokkaanse nationaliteit tevens de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens de man Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toegepast, gestoeld op de omstandigheid dat de vrouw reeds voor 1984 in Nederland woonde en vanaf die tijd in Nederland is blijven wonen, zodat een werkelijke maatschappelijke band met Marokko ontbreekt. De man meent echter dat het huwelijks- en gezinsleven met de vrouw volkomen was ingebed in de Marokkaanse sfeer, zodat de maatschappelijke band met Marokko altijd is blijven bestaan. Het vele jaren wonen in Nederland, in de eerste plaats uit puur economische motieven, doet daar volgens de man niet aan af.

Ten aanzien van het toepasselijke recht op het huwelijksgoederenregime stelt de man dat het Chelouche-van Leer arrest richtinggevend is. Nu vaststaat dat de partijen voor hun huwelijk geen rechtskeuze hebben gedaan stelt de man dat Marokkaans recht van toepassing is. De vrouw heeft het vorenstaande gemotiveerd betwist.

3. De partijen verschillen van mening over het toepasselijke recht op het echtscheidingsverzoek van de vrouw. De man stelt dat voor beide partijen geldt dat een werkelijke maatschappelijke band met Nederland ontbreekt en dat het gemeenschappelijk nationaal recht, in deze het Marokkaanse recht, op bovengenoemd verzoek van toepassing is. De vrouw meent dat het Nederlandse recht van toepassing is, omdat voor haar een werkelijke maatschappelijke band met Marokko ontbreekt zodat het Nederlandse recht als het recht van de gewone verblijfplaats van de partijen op het verzoek tot echtscheiding dient te worden toegepast.

4. Een verzoek tot echtscheiding moet in beginsel worden beoordeeld naar het gemeenschappelijke nationale recht van de partijen (art. 1 lid 1 sub a Wet Conflictenrecht Echtscheiding, hierna afgekort als WCE). Het gemeenschappelijke nationale recht is niet van toepassing indien voor één van de partijen een werkelijke maatschappelijke band met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk ontbreekt (art. 1 lid 2 WCE). Het recht van het land waar partijen hun gewone verblijfplaats hebben is dan van toepassing (art. 1 lid 1 sub b WCE).

5. Het hof is van oordeel dat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat haar werkelijke maatschappelijke band met Marokko - het land der gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen - kennelijk ontbreekt. Het hof baseert dat oordeel op de omstandigheden dat de vrouw al voor de huwelijkssluiting in 1984 in Nederland woonde en dat zij leeft en zich gedraagt naar Nederlandse maatstaven en dat zij behoudens vakanties steeds hier woonachtig is geweest.

6. Nu de werkelijke maatschappelijke band met Marokko aan de zijde van de vrouw kennelijk ontbreekt, is niet hun gemeenschappelijk nationaal recht op de echtscheiding van toepassing en dient het echtscheidingsverzoek van de vrouw te worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu dat het recht is van de gewone verblijfplaats van de partijen. De rechtbank heeft derhalve op juiste gronden met toepassing van Nederlands recht de echtscheiding uitgesproken.

7. Hoewel de vrouw meent dat het Haags Huwelijksgoederenverdrag 1978 bepalend is voor het toepasselijke recht op het huwelijksgoederenregime, staat vast dat de partijen vóór de inwerkingtreding van het vorengenoemde Verdrag (1 september 1992) met elkaar zijn gehuwd, namelijk [in] 1984. Gelet hierop is het hof met de man van oordeel dat het toepasselijke recht dient te worden bepaald aan de hand van de in het arrest Chelouche-Van Leer geformuleerde criteria. Nu vaststaat dat de partijen vóór hun huwelijk geen rechtskeuze hebben gemaakt, is op het huwelijksgoederenregime van toepassing het recht van het land waarvan de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit bezaten, derhalve Marokkaans recht.

4. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover Nederlands recht op het huwelijksgoederenregime van toepassing is verklaard. Voor het overige moet de bestreden beschikking worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken;

vernietigt de bestreden beschikking voor het overige en in zoverre opnieuw beschikkende;

verklaart voor recht dat Marokkaans recht op het huwelijksgoederenregime van de partijen van toepassing is en beveelt de afwikkeling van der partijen huwelijksvermogen naar dit recht;

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Dusamos en Van Oldenborgh, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 6 maart 2002.