Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2897

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
1010-R-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 6 maart 2002

Rekestnummer : 1010-R-01

Rekestnr. rechtbank : 01-1254

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. R.G.E. de Vries,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad,

2. [belanghebbende],

wonende te Capelle aan den IJssel,

hierna te noemen: de vader,

3. de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 11 december 2001 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam van 12 oktober 2001.

Van de zijde van de Raad is bij het hof een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 23 januari 2002.

Van de zijde van de moeder is op bij het hof een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 1 februari 2002.

Op 13 februari 2002 is de zaak mondeling behandeld. Als belanghebbenden zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door mr. E.J.M. van Daalhuizen uit Rotterdam, namens de raad: mevrouw drs. M. Holleman en namens Jeugdzorg: de heer J. Daalmeijer. De vader is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen of vertegenwoordigd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende vast.

Uit het huwelijk van de vader en de moeder, gesloten [in] 1998, is geboren [de minde[de minderjarige], geboren [in] 1999.

De ouders wonen sinds april 2001 gescheiden. [de minderjarige] woonde sinds de feitelijke scheiding van de ouders bij de moeder. Sinds 19 juli 2001 verblijft zij in een crisispleeggezin.

Op 17 juli 2001 heeft de raad de rechtbank te Rotterdam verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, om een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen, in een plaats of plek bekend bij de gezinsvoogdij-instelling.

Bij beschikking van 18 juli 2001 is [de minderjarige], hangende een nader door de raad in te stellen onderzoek, voorlopig, voor de duur van drie maanden, onder toezicht gesteld van Jeugdzorg.

Op 8 oktober 2001 heeft de raad een rapport uitgebracht over de opvoedingssituatie van [de minderjarige]. De raad heeft op basis van het onderzoek naar de opvoedingssituatie van [de minderjarige] besloten een ondertoezichtstelling te vragen en ook een machtiging om [de minderjarige] te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

Bij de bestreden beschikking van 12 oktober 2001 is de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van een jaar, met handhaving van Jeugdzorg als gezinsvoogdij-instelling. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als: OTS.

Bij beschikking eveneens van 18 juli 2001 is, uitvoerbaar bij voorraad, machtiging verleend om [de minderjarige], met ingang van die datum en voor de duur van 14 dagen te plaatsen op een bij Jeugdzorg bekend adres. De behandeling van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden.

Bij beschikking van 27 juli 2001 is de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] op een bij Jeugdzorg bekend adres, uitvoerbaar bij voorraad, verlengd met ingang van 1 augustus 2001 tot 18 oktober 2001.

Bij beschikking van 12 oktober 2001 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam met ingang van die datum en tot 12 oktober 2002 machtiging verleend tot plaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als: UHP.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.

Op 5 december 2001 heeft het hof het hoger beroep behandeld dat de moeder had ingesteld tegen de beschikkingen van 18 juli 2001 en 27 juli 2001, betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing. Ter zitting heeft de moeder toen kenbaar gemaakt dat het door haar ingestelde appel begrepen kon worden geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking UHP van 12 oktober 2001 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam. Bij beschikking van 19 december 2001 van dit hof is laatst genoemde beschikking, waarbij machtiging is verleend tot plaatsing van [de minderjarige] in een voorziening van pleegzorg, bekrachtigd.

De moeder heeft haar appel tegen de OTS beschikking van 12 oktober 2001 niet gelijktijdig gedaan met haar appel tegen de machtiging uithuisplaatsing, maar is eerst op 11 december 2001, derhalve na de datum van de hiervoor genoemde mondelinge behandeling, in hoger beroep gekomen van de OTS beschikking. De moeder is van mening dat zij nog in hoger beroep kon komen van de OTS beschikking, nu blijkens de beschikking van 19 december 2001 het toen behandelde hoger beroep alleen gericht was tegen de beschikking UHP.

Het hof is echter van oordeel dat, nu uit genoemde beschikking van 19 december 2001 gebleken is dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] aanwezig zijn, impliciet is geoordeeld dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling eveneens aanwezig zijn en derhalve ook de ondertoezichtstelling is getoetst. Immers voornoemde machtiging uithuisplaatsing is gegeven in het kader van een ondertoezichtstelling. Nu het hof eerder heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is en nu aan een uithuisplaatsing zwaardere eisen worden gesteld dan aan de ondertoezichtstelling, dient de moeder in haar latere appel tegen de OTS beschikking niet ontvankelijk te worden verklaard. Iedere andere beslissing leidt immers tot een hernieuwde beoordeling van een geschil waarover reeds in hoger beroep door dit hof - zij het impliciet - een uitspraak is gedaan, hetgeen in strijd is met het systeem van de wet.

2. Ten overvloede wenst het hof op te merken dat, indien de moeder wel ontvankelijk zou zijn geweest in het door haar ingestelde hoger beroep, het hof de bestreden beschikking gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, zou hebben bekrachtigd. Hetgeen de moeder ter zitting in hoger beroep nog heeft aangevoerd, zou niet tot een andere beslissing hebben geleid.

3. Gelet op het vorenstaande dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Pannekoek-Dubois en Jansen, bijge-staan door mr. Philippa als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 6 maart 2002.