Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2894

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
432-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 6 maart 2002

Rekestnummer : 432-H-01

Rekestnr. rechtbank : 99.7328

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats], België, doch ten tijde van het hoger beroep feitelijk verblijvende te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.H. Vermeulen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], België,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

PROCESVERLOOP

De man is [in] 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 april 2001.

De vrouw heeft op 12 oktober 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn aanvullende stukken ingekomen bij brief van 15 november 2001.

Op 30 november 2001 is de zaak mondeling behandeld. De raadsman van de vrouw heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, alsmede een productie (copie van de conceptnotulen van de algemene vergadering van Print International NV d.d. 24 november 2001).

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw - die beiden de Nederlandse nationaliteit bezitten - zijn [in] 1973 te Rotterdam met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat tussen hen geen andere gemeenschap bestaat dan een gemeenschap van inboedel. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, die thans beiden meerderjarig zijn.

De man heeft op 15 november 1999 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank te 's-Gravenhage.

De vrouw heeft bij verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, een alimentatie verzocht van ƒ 35.000,- per maand.

In het kader van voorlopige voorzieningen heeft de Belgische rechter een voorlopige alimenta-tie voor de vrouw bepaald van BFR 150.000,- (omgerekend ƒ 7.500,-) per maand.

Bij de bestreden beschikking is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitge-sproken, welke op 14 september 2001 is ingeschreven. Daarbij is alimentatie voor de vrouw bepaald ten bedrage van ƒ 23.500,- per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Hieronder zal het hof bedragen op hele guldens afronden.

Ten aanzien van de man.

De man is geboren [in] 1945. Hij is agent voor het Beneluxgebied voor twee drukkerij-en, één in Duitsland en één in Frankrijk. De daarmee verbonden goederen en bedrijfsactivi-teiten zijn ondergebracht in diverse vennootschappen, waarvan de man aandeelhouder is. Voorts is de man eigenaar van diverse onroerende goederen en heeft hij enkele banktegoe-den; daarnaast heeft hij privé vorderingen en schulden uitstaan bij de diverse vennootschap-pen.

Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw is geboren [in] 1944. Zij bewoont (ten tijde van de behandeling in hoger beroep) nog de voormalig echtelijke woning in [België] welk huis voor 5% eigendom is van de man en voor 95 % eigendom van een N.V. - waarin de man aandelen heeft -, een vennootschap naar Belgisch recht. De vennootschap is op het adres van de voormalig echtelijke woning statuair gevestigd.

BEOORDELING

1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de alimentatie voor de vrouw te bepalen op ƒ 7.500,- bruto per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, althans op een bedrag en met ingang van een datum door het hof in goede justitie vast te stellen. Hij voert daartoe aan, samengevat, dat de rechtbank van een irreële vermogenspositie en welstand is uitgegaan en dientengevolge de behoefte van de vrouw alsmede de draagkracht van de man op te hoge bedragen heeft bepaald.

2. De vrouw verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans hem dit te ontzeggen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3. De man heeft, ter onderbouwing van zijn grieven, een rapport overgelegd van drs T.C.E. Boringa RA van het accountantskantoor Boringa & Lankester, die in opdracht van de raadsvrouw van de man, mr. LJ.H. Gijbels, het memorandum d.d. 26 april 2001 van de heer drs. W. Borrie RA (de accountant van de man) op realiteit heeft getoetst. In genoemd memorandum wordt de vermogenspositie van de man per 31 december 2000 uiteengezet. De conclusies van de heer Boringa luiden, samengevat, dat de heer Borrie in het memoran-dum d.d. 26 april 2001 van de juiste uitgangspunten is uitgegaan, een juiste waardering van het aandelenbezit heeft toegepast, en de correcte bedragen heeft opgenomen gelet op de onderliggende documenten, zodat het door de heer Borrie vastgestelde totale vermogen van de man per 31 december 2000 op correcte wijze is vastgesteld op ƒ 5.488.844,-.

De vrouw heeft de juistheid en de neutraliteit van het onderzoek en de conclusies van de heer Boringa betwist.

4. Het hof is van oordeel dat ervan dient te worden uitgegaan dat de heer Boringa een onafhankelijk oordeel ten aanzien van de financiele positie van de man heeft gegeven, zodat het hof de conclusies van de heer Boringa overneemt bij de beoordeling van de draagkracht van de man. Hieruit volgt dat het hof uitgaat van de volgende financiële gegevens:

- een totaal vermogen van ƒ 5.488.844,-

- bruto salaris [K.] B.V. (jaar 2000) ƒ 66.000,-

- bruto salaris [N.] SA (jaar 2000) Sf 53.750,- ƒ 78.000,-

Bij de keuze voor de waarderingsmethodiek van de intrinsieke waarde is uiteengezet dat de ondernemingen moeilijk, wellicht zelfs onmogelijk, aan derden kunnen worden overgedragen in verband met de sterke afhankelijkheid van de continuïteit van de ondernemingen van de inzet van de man. Er zijn geen meerjaren contracten met afnemers, zodat het behoud van de opdrachtgevers afhankelijk is van het onderhouden van de contacten door de man. Er is geen ander personeel binnen de ondernemingen om dat te doen. Voorzover er al sprake zou zijn van goodwill, is dit aan de man persoonlijk verbonden goodwill die niet aan derden overdraag-baar is. Daardoor, mede in verband met de leeftijd van de man, al dan niet in combinatie met een zwakkere gezondheid, is een waardering op grond van toekomstige resultaten niet de aangewezen methode. Het hof is dan ook van oordeel dat op redelijke gronden voor de gehanteerde waarderingsmethodiek is gekozen.

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat de taxaties - uitgevoerd door beëdigd taxateurs - van het onroerend goed niet juist zijn, zodat het hof ook aan dat verweer voorbij gaat.

Het hof houdt voorts redelijkerwijze rekening met een fictief rendement van 4% over het vermogen; geen rekening wordt gehouden met eventuele latente belastingverplichtingen, omdat niet duidelijk is geworden of deze aanwezig zijn danwel hoe hoog deze zouden moeten worden ingeschat, mede in verband met de verspreiding van het vermogen over verschillende landen.

Uit dit alles volgt dat het hof rekening houdt met een totaal bruto jaarinkomen van de man van

ƒ 364.000,-.

5. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de lange duur van het huwelijk en de welstand tijdens het huwelijk, de taakverdeling binnen het huwelijk, de leeftijd van de vrouw en de inhoud van de huwelijkse voorwaarden die tussen partijen gelden, acht het hof het redelijk en billijk dat het totale inkomen van de man volgens een vaste verdeel-sleutel tussen de partijen wordt verdeeld. Evenals de rechtbank acht het hof het redelijk, gelet op de omstandigheid dat de man de kosten van levensonderhoud en studie van de beide kinderen voor zijn rekening neemt, het inkomen van de man tussen de man en de vrouw te verdelen volgens de verdeelsleutel 2/3 : 1/3. Hieruit volgt dat de man een alimentatie aan de vrouw dient te voldoen van ƒ 10.000,- (€ 4.538,-) per maand, zodat de beoordeling van de behoefte van de vrouw - die volgens de man lager en volgens de vrouw hoger is dan ƒ 10.000,- per maand - verder in het midden kan blijven.

6. Voor zover de vrouw meer alimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptief karakter ervan, bepalen dat zij het teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

7. Een en ander betekent dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden vernietigd en dat het hof beslist als volgt.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oor-deel van het hof onder-worpen en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

kent aan de vrouw, ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtschei-dingsbeschikking is inge-schreven in de registers van de bur-ger-lij-ke stand, een alimentatie toe van ƒ 10.000,- (€ 4.538,-) per maand, wat de na heden te ver-schij-nen ter-mijnen betreft bij vooruitbeta-ling te vol-doen;

verstaat dat de wettelijke indexering per 1 januari 2002 van toepassing is;

bepaalt dat de vrouw het eventueel teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Dusamos en Labohm, bijge-staan door mr. Verkuil als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 6 maart 2001.