Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2880

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
464-R-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 30 januari 2002

Rekestnummer : 464-R-01

Rekestnrs. rechtbank : 147151/FA RK 00-4968 - 147152/00-4969 - 147142/00-4962

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

1. [appellante],

hierna te noemen: [de vrouw]

en

2. [appellant],

hierna te noemen: de jong-meerderjarige,

beiden wonende te Hendrik Ido Ambacht,

verzoekers, tevens incidenteel verweerders in hoger beroep,

procureur mr. H.H. Barendrecht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Barendrecht,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. H.C. Grootveld.

PROCESVERLOOP

De vrouw en de jong-meerderjarige zijn op 8 juni 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 9 april 2001.

De man heeft op 27 september 2001 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof een brief met bijlage ingekomen, gedateerd 17 december 2001.

Op 19 december 2001 is de zaak mondeling behandeld door mr. Van den Wildenberg als raadsheer-commissaris. De jong-meerderjarige is, hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet in persoon versche-nen. De minderjarige Jolanda heeft haar mening bij (ongedateerde) brief, ingekomen bij het hof op 28 september 2001, kenbaar gemaakt.

VASTSTAANDE FEITEN

Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 21 april 1999 is tussen de man en de vrouw, met elkaar gehuwd [in] 1980, de echtscheiding uitge-sproken, welke op 28 juni 1999 is ingeschreven. Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn op respectievelijk 29 maart 1981, 30 mei 1984 en 9 april 1990 de jong-meerderjarige zoon [(-)] en twee dochters, [de minderjarigen] geboren. Bij die beschikking is onder meer aan de vrouw, ten laste van de man, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschre-ven in de registers van de burgerlijke stand, een alimen-tatie toegekend van ƒ 1.000,- per maand, naast een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jong-meerderjarige en een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van ƒ 250,- per maand per kind, met ingang van het tijdstip waarop de man niet langer met het ouderlijk gezag is belast.

Bij verzoekschrift dat op 3 november 2000 bij de rechtbank te Rotterdam is ingekomen heeft de man verzocht, op grond van gewijzigde omstandigheden, de beschikking van 21 april 1999 te wijzigen, in die zin dat:

- hij vanaf 1 november 2000, althans vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, geen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan de jong-meerderjarige dient te voldoen;

- de rechtbank de kinder- en partneralimentatie met ingang van 1 maart 2001 op nihil zal bepalen, indien en voor zover de echtelijke woning [adres] te Hendrik Ido Ambacht nog niet zal zijn verkocht en de woonlasten geheel voor rekening van de man komen;

- de partneralimentatie wordt vastgesteld op ƒ 463,- per maand, naast de kinderalimentatie voor twee kinderen van ƒ 512,50 netto per maand, indien en nadat de echtelijke woning zal zijn verkocht en de man niet langer de betreffende woonlasten draagt, bij vooruitbeta-ling te voldoen.

Bij de bestreden beschikking is - met wijziging van de beschikking van 21 april 1999 - de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2001 bepaald op

ƒ 54,- per maand per kind en met ingang van 1 november 2001, of in elk geval met ingang van de dag nadat de voormalige echtelijke woning zal zijn geleverd, op ƒ 256,25 per maand per kind. Voorts is de door de man aan de jong-meerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 november 2000 bepaald op nihil en met ingang van 1 november 2001, of in elk geval met ingang van de dag nadat de voormalige echtelijke woning zal zijn geleverd, op ƒ 240,- per maand. Tot slot is de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 maart 2001 bepaald op nihil en met ingang van 1 november 2001, of in elk geval met ingang van de dag nadat de voormalige echtelijke woning zal zijn geleverd, op ƒ 240,- per maand.

Hieronder zal het hof bedragen op hele guldens afronden.

Ten aanzien van de man.

De man is hertrouwd. Hij vormt met zijn huidige echtgenote en haar drie kinderen een gezin. Blijkens een ter zitting overgelegde specificatie, gedateerd 16 maart 2001, ontvangt de man met ingang van 10 maart 2001 een WAO-uitkering van ƒ 4.879,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Blijkens een overgelegde jaaropgave bedroeg de pensioenuitkering van de partner van de man in 2000 bruto ƒ 18.073,-. Daarnaast heeft zij in 2000 een ANW-uitkering ontvangen van bruto ƒ 6.661,- .

De man heeft de volgende maandlasten:

ƒ 1.001,- hypotheekren-te en ƒ 194,- premie ziektekostenverzekering, exclusief

ƒ 1.000,- eigen risico. De maandelijkse kosten van de voormalige echtelijke woning bedroegen

ƒ 2.168,- aan hypotheek, ƒ 60,- premie levensverzeke-ring en ƒ 175,- for-fait overige eige-naarslasten.

Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw is geboren [in] 1960 en vormt met de jong-meerderjarige en de bovenge-noemde minderjarige kinderen een gezin. In 2000 had de vrouw een bruto-inkomen van

ƒ 23.446,-. Haar behoefte aan een bijdrage voor haarzelf en de minderjarige kinderen staat als niet bestreden vast.

BEOORDELING

1. De vrouw en de jong-meerderjarige verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de man in zijn inleidende verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en hem dat te ontzeggen, althans de man in zijn verzoek tot wijziging van de alimentatiebijdrage van de minderjarigen en de jong-meerderjarige niet-ontvankelijk te verklaren en hem dit te ontzeggen en de alimentatie voor de vrouw te bepalen op ƒ 2.000,- per maand, bij vooruitbe-taling te voldoen. De man bestrijdt haar beroep.

2. De man verzoekt in het incidentele hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige betreft en in zoverre opnieuw beschikkende, die bijdrage met ingang van 1 november 2001 of in elk geval met ingang van de dag nadat de echtelijke woning zal zijn geleverd te bepalen op nihil, althans te bepalen op een bijdrage als het hof vermeent te behoren.

3. De man heeft aan zijn inleidende verzoek ten grondslag gelegd dat de bij beschikking van 21 april 1999 vastgestelde bijdragen op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoen. Hij voert daartoe aan dat de jong-meerderjarige per 1 maart 1999 is gaan werken en volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien. Voorts is er in zijn inkomenssituatie een wijziging gekomen. Sinds 10 maart 1999 ontvangt de man een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, welke uitkering tot 10 maart 2001 is aangevuld tot het door de man bij zijn werkgever verdiende salaris. Met ingang van 10 maart 2001 is die aanvulling komen te vervallen. Voorts heeft de man aangevoerd dat hij nog steeds de lasten van de voormalige echtelijke woning betaalt, welke woning inmiddels is verkocht en uiterlijk 1 november 2001 geleverd zou worden.

4. De vrouw erkent in hoger beroep enerzijds de inkomensachteruitgang van de man, anderzijds meent zij dat de maandelijkse lasten van de man sinds hij met zijn nieuwe partner in het huwelijk is getreden zijn gedaald. De vrouw stelt dat de man de woonlasten van de voormalige echtelijke woning had kunnen financieren, gelet op zijn aandeel in de opbrengst van de voormalige echtelijke woning die hij binnen afzienbare tijd zal ontvangen. Door zulks niet te doen heeft dat geleid tot een verlaging c.q. nihilstelling van de door de man aan de vrouw te betalen partner- en kinderalimentatie, met als gevolg dat de vrouw daardoor genoodzaakt was geld van derden te lenen, welke schuld zij te zijner tijd zal moeten terugbe-talen uit haar aandeel in de opbrengst van de voormalige echtelijke woning.

5. Ter zitting is door de vrouw medegedeeld dat de jong-meerderjarige thans een inkomen heeft van circa ƒ 1.600,- à ƒ 1.700,- netto per maand, exclusief vakantiegeld. Daarvoor had de jong-meerderjarige een inkomen van circa ƒ 1.400,- netto per maand, exclusief vakantiegeld. Hoewel het hof daarom heeft verzocht heeft de jong-meerderjarige geen behoefteberekening overgelegd, noch zijn behoefte middels het overleggen van bewijsstukken aannemelijk gemaakt. Gelet hierop en gelet op de vorengenoemde inkomsten kan het hof niet anders concluderen dan dat de jong-meerderjarige met ingang van 1 november 2001 geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie. Dat de jong-meerderjarige heeft bijgedragen aan het huishouden, zoals de vrouw heeft gesteld, doet aan het vorenstaande niet af.

6. Ter zitting heeft de vrouw medegedeeld dat zij het komend voorjaar met haar huidige partner in het huwelijk zal treden. De man is alsdan niet langer partneralimentatie verschul-digd. Vast is komen te staan dat zowel de man als de vrouw binnen afzienbare tijd uit de opbrengst van de echtelijke woning een bedrag van circa ƒ 156.000,- zullen ontvangen. Totdat de vrouw in het huwelijk treedt is het hof van oordeel dat zij, gelet op haar geringe inkomsten, dringend behoefte heeft aan een bijdrage van de man. Nu de man het vooruitzicht heeft dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw ten einde loopt en hij niet langer een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jong-meerderjarige behoeft te voldoen, is het hof van oordeel dat de man, nu hij uitzicht heeft op een aanzienlijk bedrag uit de opbrengst van de echtelijke woning, in staat is om de bij beschikking van 21 april 1999 vastgestelde partner- en kinderalimentatie te (blijven) voldoen, hetgeen het hof in de omstan-digheden van dit geval redelijk acht. Om die reden behoeven de grieven van de partijen, voor zover deze nog niet zijn besproken, geen bespreking.

7. Het bovenstaande brengt met zich mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover het met ingang van 1 november 2001 de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jong-meerderjarige betreft en voor zover het de partner- en kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2001 betreft.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver het met ingang van 1 november 2001 de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jong-meerderjarige betreft en voor zover het de partner- en kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2001 betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de jong-meerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 november 2001 op nihil;

wijst het inleidende verzoek van de man, voor zover het de partner- en kinderalimentatie betreft, alsnog af;

wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Dusamos en Duindam, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 30 januari 2002.