Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2503

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2002
Datum publicatie
21-05-2002
Zaaknummer
422-H-01 en 435-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 16 januari 2002

Rekestnummers : 422-H-01 en 435-H-01

Rekestnr. rechtbank : 00/6064

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak, met rekestnummer 422-H-01, van:

[appellant],

wonende te 's-Gravenhage,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Biemond,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Breda,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. C.M. Zeyl-Terzol,

en

in de zaak, met rekestnummer 435-H-01, van:

[appellante],

wonende te Breda,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. C.M. Zeyl-Terzol,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te 's-Gravenhage,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Biemond.

PROCESVERLOOP

De man is in de zaak met rekestnummer 422-H-01 op 28 mei 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 30 maart 2001.

De vrouw heeft in de zaak met rekestnummer 422-H-01 op 14 september 2001 een verweer-schrift ingediend.

De vrouw is in de zaak met rekestnummer 435-H-01 op 29 mei 2001 in hoger beroep gekomen van eerdergenoemde beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 30 maart 2001.

De man heeft in de zaak met rekestnummer 435-H-01 geen verweerschrift ingediend.

Het hof heeft de beide zaken, in verband met hun verknochtheid, gevoegd.

Van de zijde van de man zijn bij het hof brieven met bijlagen ingekomen gedateerd 27 juni 2001 en 23 november 2001.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof brieven met bijlage(n) ingekomen gedateerd 4 juli 2001 en 18 juli 2001.

Op 30 november 2001 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw heeft zich aldaar gerefe-reerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het toepasselijke recht en de duurzame ontwrichting. De moeder is bijgestaan door de heer A. Dahmani, tolk in de Arabische en Berberse taal. De tolk heeft de belofte afgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn [in] 1998 in Nador (Marokko) met elkaar gehuwd. Zij hebben geen kinderen. In juli 1999 is de man naar Marokko gereisd voor het trouwfeest. De partijen hebben toen twee weken samen doorgebracht. De vrouw is in februari 2000 bij de man, die al huurder van de echtelijke woning was, ingetrokken. Op 1 juli 2000 zijn de partijen uit elkaar gegaan.

Op 21 september 2000 heeft de man bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoek ten aanzien van het huurrecht van de echtelijke woning ingediend. De vrouw heeft zich verzet tegen de echtscheiding en het nevenverzoek en zij heeft de rechtbank zelfstandig verzocht om te bepalen dat zij huurster zal zijn van de echtelijke woning, om alimentatie van ƒ 1.600,- per maand met ingang van 1 juli 2000 bij vooruitbetaling te voldoen en om de scheiding en deling van de gemeenschappelijke goederen te bepalen, met benoeming van een notaris en onzijdige personen. De man heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw en hij heeft subsidiair verzocht de op te leggen alimentatie voor de vrouw in tijdsduur te limiteren.

Bij beschikking van 26 oktober 2000 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage in een voorlopige voorzieningenprocedure tussen de partijen bepaald dat de man het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toekomt en de voorlopige alimentatie voor de vrouw bepaald op ƒ 880,- per maand.

Bij de bestreden beschikking is naar Nederlands recht de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken, is de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man bepaald op ƒ 1.600,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen, is het verzoek tot limitering van die alimentatie afgewe-zen, is bepaald dat de man huurder zal zijn van de voormalige echtelijke woning [in] 's-Gravenhage en is het verzoek tot scheiding en deling van de gemeen-schappelijke goederen afgewezen.

Hieronder zal het hof bedragen zonodig op hele guldens afronden.

Ten aanzien van de man.

De man is geboren op 10 januari 1970 en is alleenstaand. Hij is in loondienst [.] Zijn loon bedraagt ƒ 75.749,- volgens de jaar-op-gave van 2000. In dat loon is begrepen een premie particuliere ziektekostenverzekering van ƒ 4.109,-. Hij neemt deel aan een spaarloonregeling bij zijn werkgever. Het maximale spaarloon wordt op zijn loon ingehouden (ƒ 144,67 per maand). Volgens de salarisspecificatie van januari 2001 heeft de man per maand een bruto salaris, exclusief vakantietoeslag, van ƒ 5.054,- te vermeerderen met operationele toeslag van ƒ 448,- en overwerktoeslag van ƒ 119,- en bedraagt de belaste werkgeversbijdrage in de premie ziektekostenverzekering ƒ 209,- per maand.

De man heeft de volgende maandlasten:

- ƒ 740,- kale huur;

- ƒ 320,- kosten van een lening bij GBK;

- ƒ 125,- kosten Visacard.

Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw is geboren in 1977 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft geen inkomsten. Zij heeft haar opleiding in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs in 1998 afgebroken in verband met haar verloving met de man. Zij woont sinds het uiteengaan van de partijen in bij familie. Zij heeft geen geldige titel voor zelfstandig verblijf in Nederland.

BEOORDELING

1. In geschil zijn: de echtscheiding, het huurrecht van de echtelijke woning, de scheiding en deling van de gemeenschappelijke goederen en gelden en ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw: de draagkracht van de man, de behoefte van de vrouw, de ingangsdatum en de termijn van de alimentatieplicht.

2. De man verzoekt in de zaak met rekestnummer 422-H-01 primair het verzoek tot alimenta-tie voor de vrouw alsnog af te wijzen en subsidiair die alimentatie vast te stellen op een bedrag als het hof juist acht en deze in tijdsduur te beperken tot een termijn gelijk aan de periode dat de partijen in Nederland als echtelieden hebben samengewoond en te bepalen dat de alimentatieplicht van de man in ieder geval eindigt op het moment dat de vrouw wordt aangezegd Nederland te verlaten wegens het ontbreken van een vergunning tot verblijf. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

3. De vrouw verzoekt in de zaak met rekestnummer 435-H-01 primair het echtscheidingsver-zoek van de man alsnog af te wijzen en subsidiair, voor het geval de echtscheiding zal worden bekrachtigd, te bepalen dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning, te bepalen dat de alimentatie van ƒ 1.600,- per maand verschuldigd zal zijn vanaf 1 juli 2000, alsook scheiding en deling te gelasten van de tussen de partijen bestaande gemeenschappelijke goederen en gelden, met benoeming van een notaris en onzijdige personen, een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De man heeft mondeling verweer gevoerd tegen het beroep van de vrouw.

4. Het hof houdt rekening met de vaststaande feiten en laat die meewegen.

De echtscheiding

5. De vrouw richt haar grieven primair op het door de rechtbank toegepaste recht en subsidiair op het ontbreken van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Ter terechtzitting heeft de vrouw zich echter gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het op de echtscheiding toepasselijke recht. Voorts heeft zij aldaar meegedeeld, dat er geen grote kans bestaat op verzoening van de partijen en dat zij zich derhalve ook ten aanzien van de duurzame ontwrichting refereert aan het oordeel van het hof.

6. De man stelt dat hij met Nederland de sterkste band heeft omdat hij al 28 jaar in dit land woont, hij hier werkt en ook zijn familie hier woont. Het hof leidt uit deze stellingen af dat de man volhardt in zijn stelling dat Nederlands recht op de echtscheiding van toepassing is.

7. De vrouw heeft de stellingen van de man ten aanzien van zijn effectieve nationaliteit onvoldoende gemotiveerd bestreden, zodat tussen de partijen vast staat dat de Nederlandse nationaliteit de effectieve nationaliteit van de man is. Het hof is met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel, dat Nederlands recht van toepassing is op de echtscheiding. De partijen hebben immers een verschillende (effectieve) nationaliteit en zij hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. Het echtscheidingsverzoek van de man zal derhalve naar de maatstaven van het Nederlandse recht worden beoordeeld. Het hof is van oordeel dat, nu de man de echtscheiding heeft verzocht en deze nog altijd wenst, de partijen sinds juni 2000 niet meer samenleven en pogingen van de familie om de partijen met elkaar te verzoenen op niets zijn uitgelopen, vast staat dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarmee is voldaan aan de wettelijke grond voor echtscheiding naar Nederlands recht. De bestreden beschikking dient derhalve op dit punt bekrachtigd te worden.

De behoefte van de vrouw

8. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan alimentatie. Hij meent dat de vrouw in redelijkheid in staat moet worden geacht inkomsten te verwerven. De vrouw heeft volgens de man niet aangetoond dat zij serieuze pogingen heeft gedaan om sinds het uiteengaan van de partijen in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man meent dat de vrouw geen behoefte aan alimentatie heeft omdat zij geen woonlasten en geen of nauwelijks andere lasten heeft, nu zij door haar familie wordt onderhouden.

9. De vrouw voert aan dat zij behoefte heeft aan alimentatie, omdat zij geen andere inko-mensbronnen heeft of kan krijgen. Haar verblijfsrechtelijke situatie staat het verkrijgen van werk of een uitkering in de weg.

10. Het hof is van oordeel dat de vrouw thans nog behoefte heeft aan alimentatie van de man. Zij heeft immers thans geen inkomen. Haar mogelijkheden om in Nederland betaald werk te vinden schat het hof niet hoog in. Zij is de Nederlandse taal niet goed machtig en zij heeft nauwelijks onderwijs genoten. Vooralsnog kan de vrouw niet worden verweten dat zij niet in haar eigen levensonderhoud voorziet. Op termijn zou dat evenwel anders kunnen worden beoordeeld. Dat zij minimale lasten heeft doet aan het voorgaande niet af. Het feit dat haar familie wél aan hun onderhoudsplicht jegens de vrouw voldoet wil nog niet zeggen dat de vrouw om die reden geen behoefte heeft aan financiële ondersteuning van de man. Gelet op het inkomen van de man, waar de vrouw gedurende de samenwoning van de partijen mede het genot van heeft gehad, acht het hof een behoefte van de vrouw aan alimentatie van ƒ 1.600,- per maand aanwezig.

De draagkracht van de man

11. De man voert aan dat zijn draagkracht de opgelegde alimentatie niet toelaat. Hij stelt dat zijn draagkracht slechts ƒ 429,- per maand toelaat. Hij voert daartoe het volgende aan.

Ten onrechte heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de aflossing op schulden bij diverse familieleden. Aanvankelijk stelt hij dat hij op die schulden ƒ 500,- per maand aflost, ter terechtzitting heeft hij gesteld dat hij daarop ƒ 945,- per maand aflost. Van die leningen heeft de man, naar hij stelt, bewijsstukken overgelegd en hij ziet niet in welk nader bewijs hij nog zou kunnen inbrengen, afgezien van getuigenbewijs. Hij biedt bewijs door getuigen uitdrukke-lijk aan. Verder voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de jaarop-gave 2000 en niet van recente inkomensgegevens. Volgens de man geeft de jaaropgave 2000 geen juist beeld van zijn huidige inkomsten. In 2000 heeft de man, naar hij stelt, ME-diensten gedraaid die hij in 2001 niet meer heeft. Bovendien heeft de man, zo stelt hij, in 2000 veel extra diensten gedraaid in verband met het Europees Kampioenschap Voetbal. Ook die extra diensten zal de man in 2001 niet meer hebben, stelt hij.

12. De vrouw meent dat de draagkracht van de man toereikend is. Zij voert het volgende aan.

De onderhandse leningen van familieleden hebben geen voorrang boven de onderhoudsver-plichting van de man jegens haarzelf. Bovendien heeft de man volgens de vrouw niet aangetoond dat de leningen werkelijk bestaan en dat er daadwerkelijk op de leningen wordt afgelost. Ten aanzien van het inkomen van de man is de vrouw van oordeel dat van de jaaropgave 2000 kan worden uitgegaan. Zij verwacht dat het inkomen in 2001 niet in negatieve zin zal afwijken van dat van 2000.

13. Het hof gaat uit van het inkomen van de man volgens de jaaropgave 2000, omdat uit de door de man overgelegde salarisspecificatie van 2001 blijkt dat hij ook in 2001 overgewerkt heeft en een operationele toeslag heeft ontvangen. Het hof acht het derhalve niet aannemelijk dat het inkomen van de man in 2001 aanmerkelijk zal afwijken van dat in 2000. Daarbij komt nog dat het bruto maandinkomen van de man in 2001 met ca ƒ 100,- per maand is gestegen ten opzichte van 2000 en dat te verwachten is dat de man ook in 2002 een stijging van zijn bruto salaris zal kennen. Dit laatste is relevant, nu de alimentatie niet eerder zal ingaan dan in 2002, zoals hieronder zal blijken.

14. Het hof houdt rekening met een schuldenlast van de man van ƒ 500,- per maand aan onderhandse leningen aan hem in juni 1999 verstrekt door zijn familieleden [D.L.] (ƒ 10.000,-), [H.B.] (ƒ 5.000,-) en [S.L.] (aanvankelijk ƒ 5.000,-, later is de restandschuld van ƒ 2.800,- overgenomen door voornoemde [D.L.]) en waarop hij - blijkens de overgelegde verklaringen van die familieleden - sinds mei 2000 aflost met respectievelijk ƒ 300,-, ƒ 100,- en ƒ 100,- per maand. Dat de man aflost op de schulden blijkt ook uit door hem overgelegde betaalbewijzen. Het hof houdt met die schulden rekening omdat het aannemelijk is dat de man, zoals hij stelt, deze schulden is aangegaan om zijn trouwfeest te bekostigen. De vrouw heeft immers erkend dat er een trouwfeest is geweest, dat de bruid en de bruidegom in Marokko hun feest niet gezamenlijk vieren (met uitzondering van de laatste dag) en dat ieder de kosten draagt voor de eigen gasten. Verder heeft zij niet betwist dat het feest van de bruidegom veel grootser wordt gevierd (en derhalve kostbaarder is) dan het feest van de bruid.

Met de door de man opgevoerde schulden bij Visa en GBK houdt het hof eveneens rekening, omdat de vrouw deze leningen niet gemotiveerd heeft betwist, daar waar zij de onderhandse leningen wel gemotiveerd heeft betwist.

15. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de man slechts een alimentatie voor de vrouw toe-laat van ƒ 1.125,- (€ 510,50,-) per maand, wel-ke ali-men-tatie, gelet op haar behoefte in over-een-stem-ming is met de wettelijke maatsta-ven, zodat de bestreden uitspraak moet worden vernie-tigd voorzover die de daarin vastgestelde alimentatie voor de vrouw betreft. Nu sinds 1 januari 2002 de euro wettelijk betaalmiddel is, zal het hof hierna, in het dictum, de alimentatie voor de vrouw vaststellen in euro's.

De ingangsdatum van de alimentatie voor de vrouw

16. De vrouw wenst de alimentatie te laten ingaan op 1 juli 2000, omdat de partijen op die datum uiteen zijn gegaan en de man vanaf die datum niet aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw heeft voldaan. De man heeft daartegen geen verweer gevoerd.

Het hof is van oordeel dat de wet eraan in de weg staat dat de alimentatie wordt opgelegd met ingang van een eerdere datum dan de datum van ontbinding van het huwelijk, te weten, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De bestreden beschikking dient derhalve op dit punt te worden bekrachtigd.

De tijdsduur van de alimentatieplicht van de man

17. De man verzoekt de alimentatie aan de vrouw toe te kennen, onder vaststelling van een termijn. Hij verzoekt te bepalen dat zijn alimentatieplicht jegens de vrouw zal eindigen na ommekomst van een periode gelijk aan de periode dat de partijen als gehuwden hebben samengewoond of dat die plicht zal eindigen op het moment dat de vrouw wordt aangezegd Nederland te verlaten wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning.

De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op zijn verzoek de alimentatie in tijdsduur te beperken en te beëindigen. De man stelt dat de vrouw inmiddels te kennen is gegeven dat zij Nederland dient te verlaten omdat zij geen verblijfsvergunning heeft. Volgens hem is de verzochte vergunning voor zelfstandig verblijf de vrouw geweigerd en zal zij binnenkort, wanneer haar bezwaar is behandeld, uitgeprocedeerd zijn. Hij vreest dat, wanneer de vrouw zal zijn teruggekeerd naar Marokko, zij ook daar alimentatie van hem zal vragen. Omdat de alimentatieverplichting (net zoals de echtscheiding) naar Nederlands recht in Marokko niet wordt erkend, loopt de man de kans dat hij zowel naar Nederlands recht als naar Marokkaans recht verplicht zal zijn alimentatie aan de vrouw te betalen. Ook voert de man aan dat van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij gedurende de termijn die de wet daarvoor stelt alimentatie voor de vrouw zal betalen, nu de partijen slechts uiterst kort hebben samengewoond.

18. De vrouw is van mening dat de rechtbank op juiste gronden de alimentatie niet heeft gelimiteerd, nu zij door de man uit huis is gezet zonder dat hij voor haar voorzieningen heeft getroffen zoals een inkomen en ziektekostendekking. Zij stelt dat het haar is toegestaan de lopende verblijfsprocedure in Nederland af te wachten. Desgevraagd kon de vrouw noch haar procureur ter terechtzitting meedelen op welke grond het verzoek om een verblijfsvergunning is gebaseerd en hoe de kansen van de vrouw moeten worden ingeschat.

19. Het hof acht het, gelet op de omstandigheden in deze, redelijk om de alimentatieplicht van de man te beëindigen na een periode gelijk aan de periode dat de partijen als gehuwden hebben samengewoond. De volgende omstandigheden - die door de man zijn gesteld en door de vrouw niet of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist - hebben tot dit oordeel geleid.

De vader van de man heeft [in] 1998 het huwelijk tot stand gebracht. De man was daarbij niet persoonlijk aanwezig. Niet eerder dan in juli 1999 is de man naar Marokko gegaan om het trouwfeest te vieren. Pas na het trouwfeest hebben de partijen elkaar voor het eerst gezien: zij brachten samen twee weken in Marokko door. Na die twee weken is de man, zonder de vrouw, teruggekeerd naar Nederland. Niet eerder dan eind januari 2000 is de vrouw naar Nederland gekomen en is zij bij de man ingetrokken. Niet gesteld of gebleken is dat er in de tussenliggende periode contact is geweest tussen de partijen. Al na 4 weken ontstonden er tussen de partijen onoverkomelijke problemen, doordat de vrouw zich agressief en destructief gedroeg. Die problemen hebben er toe geleid dat de samenwoning na zeer korte tijd is beëindigd. Dat was in juni 2000. De vrouw is na de breuk naar haar familie in Breda getrokken. Pogingen van familieleden om tussen de partijen te bemiddelen hebben geen resultaat gehad. Nu de partijen al na 5 maanden samenwoning uit elkaar zijn gegaan en de man niet persoon-lijk betrokken was bij de huwelijkssluiting [in] 1998, acht het hof het redelijk om niet de duur van het huwelijk maar de duur van de samenleving tijdens dat huwelijk aan te houden voor de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw. Nu de partijen na het trouwfeest twee weken zijn samen geweest en later ruim vijf maanden hebben samenge-woond, zal het hof bepalen dat de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te ver-strekken eindigt na een half jaar. De bestreden beschikking dient op dit punt te worden vernietigd.

Het huurrecht

20. De vrouw wenst het huurrecht van de voormalige echtelijke woning. Zij stelt dat zij door de man onverzorgd op straat is gezet. Om de volgende redenen is zij van mening dat zij meer belang heeft bij toewijzing van het huurrecht dan de man: de man heeft meer mogelijkheden om passende woonruimte te vinden dan de vrouw, de vrouw is op 's-Gravenhage aangewe-zen voor werk en opleiding terwijl het sociale leven van de man is georiënteerd op Breda. De vrouw is er nog niet in geslaagd een vast onderdak te vinden.

21. De man heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zijn belangen bij de voormalige echtelijke woning zwaarder wegen dan die van de vrouw. Hij werkt in Den Haag en draait wisseldiensten [.] De vrouw heeft geen belangen om in Den Haag te wonen. Zij heeft de afgelopen maanden in Breda gewoond bij een oom. Ook een zus van de vrouw woont in Breda. De vrouw heeft in 's-Gravenhage geen familie of andere sociale of maatschappelijke bindingen.

22. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man een groter belang heeft bij het huurrecht van de echtelijke woning dan de vrouw. Anders dan de vrouw stelt is de man voor zijn werk aangewezen op 's-Gravenhage, waar de woning zich bevindt, terwijl de vrouw niet op deze stad is aangewezen. Zij heeft immers geen werk en het is niet aannemelijk dat de vrouw slechts in of in de nabije omgeving van 's-Gravenhage werk zal kunnen vinden. Bovendien was de man al huurder van de woning voordat hij met de vrouw huwde. Het hof acht het voorts aannemelijk dat de vrouw met Breda een grotere sociale binding heeft dan met 's-Gravenhage, omdat zij daar immers al geruime tijd woont, haar familie blijkbaar in die omgeving woont en zij niet heeft gesteld, noch is gebleken, dat zij familie heeft in 's-Gravenhage. Het hof acht het niet waarschijnlijk dat de man meer mogelijkheden heeft om passende woonruimte te vinden dan de vrouw. Dat de vrouw nog geen vast onderdak heeft weten vinden baat haar in deze niet, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij daartoe feitelijke pogingen heeft ondernomen. De bestreden beschikking dient op dit punt bekrachtigd te worden.

De scheiding en deling

23. De vrouw wenst de verdeling van gemeenschappelijke gelden en goederen met benoe-ming van een notaris en onzijdige personen. Zij erkent dat er naar Marokkaans recht geen sprake is van gemeenschap van goederen, maar stelt dat de partijen toch gemeenschappelij-ke gelden en goederen hebben die verdeeld dienen te worden. Zij voert aan dat de partijen in Nederland als gehuwden hebben samengewoond en om die reden gemeenschappelijke goederen en gelden hebben opgebouwd.

24. In eerste aanleg heeft de man betwist dat er sprake is van een tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen. Overigens heeft hij nog gesteld dat de partijen niets hebben om te verdelen.

25. Het hof is van oordeel dat de man het verzoek van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat een verzoek tot verdeling in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure kan worden gevorderd wil op zich nog niet zeggen dat voor een verzoek daartoe in een echtschei-dingsprocedure geen plaats is. Het hof zal, gelet op het voorgaande en nu niet vast staat dat er sprake is van een gemeenschap van goederen, bepalen dat de man en de vrouw, voor zover er volgens het op het huwelijksvermogen toepas-selijke recht - het Marokkaanse - een gemeen-schap van goede-ren is, dienen over te gaan tot de verdeling van die gemeenschap- van goederen. Het hof is verder van oordeel, dat de wijze (waaronder de vorm) waarop de verdeling van gemeenschapsgoederen plaatsvindt zich richt naar de wet van de plaats van afwikkeling. In het onderhavige geval is dit Nederlands recht, voorzover de gemeenschaps-goederen zich in Nederland bevinden. Het verzoek tot benoeming van een notaris en onzijdige personen zal het hof derhalve alsnog toewijzen ten aanzien van de te verdelen gemeen-schapsgoederen die zich in Nederland bevinden en voor het overige afwijzen.

De bestreden beschikking dient op voornoemde punten te worden vernietigd.

26. Het hof zal - nu ook de echtscheiding zelf in geschil is - ter wille van de duidelijkheid en de leesbaarheid de bestreden beschikking in zijn geheel vernietigen en op alle punten een beslissing geven, ook indien 's hofs beslissing inhoudelijk geheel overeenstemt met de beslissing van de rechtbank.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

spreekt tussen de partijen de echtscheiding uit;

kent aan de vrouw, ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtschei-dingsbeschikking is inge-schreven in de registers van de bur-ger-lij-ke stand, een alimentatie toe van € 510,50,- (ƒ 1.125,-) per maand, wat de na heden te ver-schij-nen ter-mijnen betreft bij vooruitbeta-ling te vol-doen en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te ver-strekken eindigt na een half jaar;

bepaalt dat de man en de vrouw, voor zover er volgens het op het huwelijksvermogen toepas-selijke recht een gemeen-schap van goede-ren is, dienen over te gaan tot de verdeling van de gemeenschap- van goederen;

benoemt, indien de man en de vrouw zich niet binnen 1 maand over de keuze van een notaris kunnen ver-staan, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling van de in Nederland gelegen gemeenschapsgoederen zullen geschieden mr. M.C. Lindeboom, notaris ter standplaats 's-Gravenhage of diens waarne-mer of opvolger;

bepaalt dat de man en de vrouw voor de gekozen of benoemde notaris te dien einde moeten verschijnen op door deze te bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon om de man, indien hij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of ver-schenen zijnde, mocht weigeren aan de verde-ling van de in Nederland gelegen gemeenschapsgoederen mee te werken, te vertegen-woordigen en het-geen hij mocht ontvangen te beheren:

mr. J.G. Schnoor, te 's-Gravenhage;

benoemt tot onzijdig persoon om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren aan de verde-ling van de in Nederland gelegen gemeenschapsgoederen mee te werken, te vertegen-woordigen en het-geen zij mocht ontvangen te beheren:

mr. M.Y. van der Bijl, te 's-Gravenhage;

bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning [in] 's-Gravenhage en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders ver-zoch-te af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Labohm en Mulder, bijge-staan door

mr. Oostveen als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 16 januari 2001.