Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2502

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
413-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2002, 29

Uitspraak

Uitspraak : 16 januari 2002

Rekestnummer : 413-H-01

Rekestnr. rechtbank : 00-5417

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te Delft,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J. Dongelmans,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Nootdorp,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M. van Olffen.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 21 mei 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 maart 2001.

De man heeft op 18 juli 2001 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De vrouw heeft op 30 augustus 2001 een verweerschrift incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof brieven met bijlagen(n) ingekomen gedateerd 14 juni 2001, 9 augustus 2001 en 27 november 2001.

Van de zijde van de man is bij het hof een brief met bijlage ingekomen gedateerd 18 juli 2001.

Op 30 november 2001 is de zaak mondeling behandeld.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De partijen zijn op 8 augustus 1978 bij notariële akte huwelijkse voorwaarden overeengeko-men. Enige gemeenschap van goederen is bij die huwelijkse voorwaarden uitgesloten. Tijdens het huwelijk hebben de partijen nimmer afgerekend volgens de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden.

De partijen zijn op 9 augustus 1978 met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van 3 augustus 2000 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage bepaald, dat de man voorlopig bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [het adres te Nootdorp].

Bij beschikking van 16 november 2000 heeft de rechtbank bepaald, dat de man voor het voorlopige gebruik van de echtelijke woning een vergoeding aan de vrouw verschuldigd zal zijn van ƒ 1.325,- per maand, vanaf 1 november 2000 en zolang hij dat gebruik heeft.

Tegen deze laatstgenoemde beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij dit hof. Het hof heeft de man bij beschikking van 30 maart 2001 in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen een voorlopige voorziening (in beginsel) geen hoger beroep openstaat en de omstandigheden van het geval geen aanleiding gaven om het appèlverbod te doorbre-ken.

Op 31 augustus 2000 heeft de vrouw bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding ingediend. Zij verzocht daarbij, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke zaken c.q. de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden vast te stellen, volgens haar voorstel. De man heeft verweer gevoerd tegen de verzochte verdeling c.q. afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden: hij heeft verzocht het verzoek van de vrouw te dien aanzien af te wijzen.

Bij de bestreden beschikking is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitge-sproken, welke op 29 mei 2001 is ingeschreven. Verder is daarbij, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld met veroordeling van de man om aan de vrouw terzake van overbedeling te betalen een bedrag van ƒ 329.150,21.

De voormalige echtelijke woning staat op naam van de beide partijen. De waarde van de woning bedraagt ƒ 795.000,-.

BEOORDELING

1. In geschil zijn de gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning en de verdeling c.q. de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

2. De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning ten laste van de man te bepalen van ƒ 1.325,- per maand ingaande de datum van inschrijving van de echtscheiding en totdat de woning geheel op naam van de man zal staan. Verder verzoekt zij de bestreden beschikking te vernietigen, voorzover daarbij de verdeling van de huwelijksgemeenschap is vastgesteld en opnieuw beslissende, de afwikke-ling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen volgens haar voorstel, met veroordeling van de man om aan de vrouw terzake van overbedeling te voldoen een bedrag van ƒ 357.412,62.

3. De man bestrijdt het beroep van de vrouw: hij verzoekt het verdelingsverzoek van de vrouw af te wijzen en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding van de echtelijke woning.

In incidenteel appèl verzet hij zich tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen schenkingen en erfenissen ten behoeve van de vrouw.

De gebruiksvergoeding

4. De vrouw voert het volgende aan. In de echtscheidingsprocedure heeft zij verzuimd te verzoeken een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning te bepalen. Door het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking vervallen de voorlopige voorzieningen, waaronder ook de bepaalde voorlopige gebruiksvergoeding. De vrouw wenst een gebruiks-vergoeding met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en voor zolang de man de woning gebruikt terwijl deze niet op zijn naam is gesteld.

De man stelt dat de vrouw niet in dit onderdeel van haar hoger beroep kan worden ontvangen, omdat haar verzoek in strijd met de wet is. Volgens hem kan zij niet verzoeken om een dergelijke bijdrage, omdat het verschuldigd zijn van die bijdrage voortduurt totdat zij meewerkt aan de levering van de woning. Verder meent de man dat de vrouw haar verzoek in een nieuwe procedure bij de rechtbank had behoren in te dienen.

5. Het hof neemt aan dat de partijen een onderlinge afspraak hebben, dat de man het gebruik zal hebben van de voormalige echtelijke woning. Nu de partijen beiden mede-eigenaar zijn van die woning is het redelijk dat de man voor het genot en het gebruik daarvan aan de vrouw een redelijke vergoeding betaalt. Beide partijen zijn in beginsel tot het genot en het gebruik van de woning gerechtigd. Nu de man het huis feitelijk bewoont, is het redelijk om aan de vrouw een vergoeding toe te kennen voor gederfd genot of gebruik van haar aandeel in het gemeenschappelijke goed. Het is vaste jurisprudentie dat een dergelijke vergoeding ook kan worden gevraagd en vastgesteld voor het gebruik ná de periode van 6 maanden waarop artikel 1:165 BW ziet. Anders dan de man stelt is het niet in strijd met de wet om voor het gebruik van de voormalige echtelijke woning een vergoeding vast te stellen wanneer niet tevens is bepaald dat één der gewezen echtgenoten het voortgezet gebruik van die woning toekomt. Voorts verzet geen rechtsregel zich ertegen om voor het eerst in hoger beroep een verzoek tot bepaling van een gebruiksvergoeding te doen.

Ten tijde van de vaststelling van de voorlopige gebruiksvergoeding, op 16 november 2000, was de woning vrij van hypotheek en verhuurde de man een van de kamers van die woning. In hoger beroep is niet gesteld of gebleken dat die situatie gewijzigd is, zodat het hof van die situatie uit gaat. Onder de gegeven omstandigheden en gelet op de waarde van de woning acht het hof de door de vrouw gevraagde verbruiksvergoeding van ƒ 1.325,- per maand redelijk. Het hof zal het equivalent van dat bedrag in euro's als vergoeding vaststellen.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap/ de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

6. Kort samengevat stelt de vrouw dat niet gesproken kan worden van een huwelijksgemeen-schap (omdat de partijen dit bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk hebben uitgesloten) en dat er tussen de partijen kan worden afgerekend als ware er een wettelijk deelgenootschap (omdat de partijen bij aanvang van het huwelijk nauwelijks bezittingen hadden), met inachtne-ming van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden en met uitzondering van schenkingen en erfenissen, die toekomen aan degene aan wie zij zijn toegevallen. De vrouw meent dat de door de rechtbank in aanmerking genomen erfenissen en schenkingen zijn aangetoond en dat de man bij zijn incidentele grief geen belang heeft, nu hij concludeert dat de rechtbank niet onjuist heeft beslist. Zij betwist dat tussen de partijen dient te worden afgerekend als waren zij gehuwd geweest in gemeenschap van goederen.

7. De man stelt, eveneens kort samengevat, dat er door vermenging gemeenschappelijke eigendom is ontstaan (omdat de partijen nimmer toepassing hebben gegeven aan de verrekeningsbepaling in artikel 3 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden), dat die gemeenschap-pelijke eigendom is te beschouwen als een beperkte gemeenschap die moet worden verdeeld,

dat erfenissen en schenkingen door vermenging gemeenschappelijk bezit zijn geworden (omdat deze niet apart zijn geadministreerd), dat de afwikkeling van de boedel moet geschie-den alsof de partijen gehuwd waren in gemeenschap van goederen (omdat de partijen niet jaarlijks afrekenden) en dat de rechtbank geen onjuiste maatstaf heeft toegepast

De man betwist de erfenissen en schenkingen, voorzover het hof die bij de verdeling buiten beschouwing mocht laten.

8. Het hof is van oordeel dat de vrouw alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar in eerste aanleg neergelegde verzoek. Het hof overweegt daartoe het volgende. In HR 24 oktober 1997 NJ 1999,395 heeft de Hoge Raad een aantal overwegingen gewijd aan de vraag of het verzoek te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verevening van de pensioenen als nevenvoorziening in de zin van art. 827 Rv. kan worden beschouwd. De Hoge Raad heeft overwogen, dat de opsomming van nevenvoorzieningen volgens de toen geldende tekst van art. 827 Rv. niet als limitatief dient te worden beschouwd. De Hoge Raad heeft enerzijds overwogen, dat het verzochte een verklaring voor recht inhoudt die haar basis heeft in art. 1:155 BW, welke bepaling deel uitmaakt van de bepalingen betreffende de ontbinding van het huwelijk in titel 9 van boek 1 BW, en dat het daarom past in het systeem van de wet om aan te nemen dat een dergelijke verklaring voor recht - die gepaard kan gaan met een bevel dienovereenkomstig te handelen - in een echtscheidingsprocedure kan worden verzocht en uitgesproken. Anderzijds heeft de Hoge Raad overwogen, dat geschillen die in het kader van de verwezenlijking van de pensioenverevening mochten rijzen, zonodig aan de te dier zake bevoegde rechter dienen te worden voorgelegd en niet in het kader van (een hoger beroep in) de echtscheidingsprocedure kunnen worden beslist. In de wet van 13 december 2000, Stb. 2001,11, in werking getreden op 2 maart 2001, is een nieuw lid f aan lid 1 van art. 827 Rv. toegevoegd. Uit de memorie van toelichting op deze wet blijkt, dat de voorgestelde regeling in de lijn van HR 24 oktober 1997 NJ 1999,395 ligt. Het hof zal de nieuwe tekst van art. 827 Rv. dan ook in de lijn van dit arrest uitleggen. Het gaat hier om een inhoudelijk geschil ten aanzien van de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden, zoals de vrouw erkent, terwijl de verrekening niet haar basis vindt in de bepalingen betreffende de ontbinding van het huwelijk in titel 9 van boek 1 BW, maar in boek 3 BW. Nu de beperkte gemeenschap mogelijk deels is gefinancierd met schenkingen en erfenissen en ook om redenen van praktische en proceseconomische aard acht het hof het juist dat de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap samen zal vallen met de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden. De verrekening en de verdeling, dienen dan ook in een dagvaardingsprocedure te worden gevorderd.

De vrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat geanticipeerd moet worden op een mogelijke wijziging van artikel 827 Rv, in de zin dat alle met de echtscheiding samenhangende voorzie-ningen gelijktijdig met de echtscheiding kunnen worden verzocht.

Het hof is van oordeel dat op een mogelijke wetswijziging van artikel 827 Rv niet geanticipeerd dient te worden.

9. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking, voor zo-ver daarin de verdeling van de huwelijksgemeenschap is vastgesteld, moet worden vernietigd en dat de vrouw alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar inleidende verzoek tot verdeling van de gemeen-schappelijke zaken c.q. tot vaststelling van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

BESLISSING

Het hof:

bepaalt dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een vergoeding voor het gebruik van de voormalige echtelijke woning verschuldigd is van € 601,25 (ƒ 1.325,-);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver daarin de verdeling van de huwelijksgemeen-schap is vastgesteld en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

verklaart de vrouw alsnog niet-ontvankelijk in haar inleidende verzoek tot verdeling van de gemeenschappelijke zaken c.q. tot vaststelling van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaar-den;

wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Labohm en Mulder, bijge-staan door

mr. Oostveen als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 16 januari 2002.