Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2486

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2002
Datum publicatie
02-07-2002
Zaaknummer
170-R-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 16 januari 2002

Rekestnummer : 170-R-01

Rekestnr. rechtbank : FA 00-1767

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.G. Cantarella,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Boskoop,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 1 maart 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 3 januari 2001.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof een brief met bijlagen ingekomen gedateerd 7 juni 2001.

Van de zijde van de man zijn bij het hof pleitaantekeningen met bijlagen ingekomen gedateerd 9 oktober 2001.

Op 19 oktober 2001 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw is verschenen vergezeld van haar raadsman mr. P. Vermeulen. De man is, hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet in persoon versche-nen. Wel is verschenen zijn raadsman mr. W. Plessius.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

Bij beschikking van 5 december 1997 heeft de rechtbank te Rotterdam tussen de par-tijen, met elkaar gehuwd op 5 juli 1995, de echtscheiding uitgespro-ken, die is ingeschreven op 19 januari 1998.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de man ƒ 1.500,- per maand alimenta-tie opgelegd voor de vrouw, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag, dat de echtscheidingsbe-schikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij verzoekschrift, gedateerd 14 april 2000, heeft de vrouw de rechtbank verzocht om te bepalen dat de termijn van de alimentatieverplichting, die de man heeft ten opzichte van de vrouw en die naar zij stelt op 19 maart 2000 afliep, ook na die datum voortduurt.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw afgewezen.

Ten aanzien van de man.

De man is geboren op 5 september 1952 en woont samen met een nieuwe partner die in eigen levensonderhoud voorziet. De man werkte tot 2000 als machinist in loondienst. Zijn salaris bedroeg ƒ 3.669,- bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld. Hij heeft zijn dienstbe-trekking - naar zijn zeggen door de echtscheidingsproblemen - beëindigd en ontvangt sinds 8 september 2000 een bijstandsuitkering. Hij heeft een alimentatieverplichting van ƒ 250,- per maand ten aanzien van een kind uit een eerder huwelijk. Sinds september 1999 betaalt de man geen alimentatie meer aan de vrouw.

Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw is geboren op 1 februari 1957. Per maand be-draagt haar netto inkomen ƒ 1.700,-, exclusief vakantiegeld. Haar meerderjarige inwonende zoon uit een eerdere relatie draagt bij in de woonkosten. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij voor het huwelijk met de man werkte als verpleeghulp. Tijdens het huwelijk werkte zij als oproepkracht. Ten tijde van de echtscheiding is zij tijdelijk gestopt met werken, doch na de echtscheiding is zij weer gaan werken.

BEOORDELING

1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, het door de vrouw in eerste aanleg gedane verzoek te honoreren, derhalve een langere termijn te stellen voor de alimentatiever-plichting van de man jegens de vrouw en deze te laten voortduren ook na 19 juli 2001, zulks onder voorwaarden als het hof vermeent te behoren. De man bestrijdt haar beroep.

2. Voor de vaststelling van de feiten verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, en neemt deze over, voor zover daartegen geen grief is gericht.

3. De vrouw heeft tegen de bestreden beschikking vier grieven aangevoerd. In haar eerste grief stelt zij dat de rechtbank ten onrechte een beslissing heeft genomen op de zich in het dossier bevindende bescheiden, nu zij zich had moeten vergewissen of een tweetal brieven met bijlagen, zoals door de man na de mondelinge behandeling aan de rechtbank verzonden, door de vrouw waren ontvangen, hetgeen volgens de vrouw niet het geval is geweest. Daarbij meent de vrouw dat, indien zij deze stukken wel zou hebben ontvangen, zij niet tijdig gerea-geerd zou kunnen hebben.

4. Het hof overweegt dienaangaande dat wat er ook zij van de door de man betwiste stelling van de vrouw, voornoemde brieven met bijlagen in hoger beroep zijn overgelegd, zodat de vrouw erop heeft kunnen reageren en derhalve uit dien hoofde geen belang meer heeft bij deze grief.

5. Het hof gaat eveneens voorbij aan de tweede grief van de vrouw, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte een conclusie zou hebben verbonden aan de inhoud van een brief van de raadsman van de vrouw van 19 april 1999, die niet door de man in het geding is gebracht, en die de vrouw niet betwist zou hebben. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar - bestreden - stelling niet althans onvoldoende onderbouwd, nu de vrouw de betreffende brief ook in hoger beroep niet heeft overgelegd.

6. In haar derde grief voert de vrouw aan dat ten onrechte is overwogen dat van haar zijde niet, althans onvoldoende aangetoond is dat beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud ten gevolge van het verstrijken van de termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de termijn jegens haar niet redelijk en billijk zou zijn. Volgens de vrouw is de man de gemaakte afspraken ten aanzien van de aflossing van de hypotheekschuld niet nagekomen en drukken de gevolgen daarvan zwaar op de kosten van haar levensonderhoud, hetgeen de rechtbank onvoldoende heeft getoetst.

7. Anders dan de vrouw, is het hof van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat verlenging van de termijn is geïndiceerd. Immers, ook in hoger beroep is niet duidelijk geworden welke afspraken zijn gemaakt omtrent de (nakoming van de) overeenkomst met betrekking tot de afwikkeling van met name de hypotheekschuld aan de Rabobank in het kader van de verdeling van de boedel. Zelfs indien de man het door de vrouw gedane voorstel ter aflossing van de hypotheekschuld, zoals door de vrouw gesteld, niet zou hebben nagekomen, acht het hof deze omstandigheid niet van zulk een ingrijpende aard, dat de alimentatietermijn redelij-kerwijs dient te worden verlengd. Daar komt bij dat de vrouw mogelijk verantwoordelijk is voor de aan de voormalige echtelijke woning aangerichte omvangrijke schade, hetgeen een vermindering van de mogelijkheden biedt tot afdoening van die schuld. Dat de vrouw een aanvulling behoeft op haar inkomsten, nu zij eveneens is aangesproken door de Rabobank, acht het hof onvoldoende, mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, om te spreken van omstandigheden van zo ingrijpende aard dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd.

8. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw afgewezen en terecht overwogen dat het meer subsidiaire betoog van de man met betrekking tot zijn draagkracht derhalve geen bespreking meer behoeft, zodat de vierde grief van de vrouw evenmin doel treft.

9. Nu de door de vrouw aangedragen grieven falen, dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Labohm en Hijmans, bijge-staan door Lekahena als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 16 januari 2002.